Saeculares (ludi), eeuwfeesten van Rome's bestaan. Door een heraut

werd het volk opgeroepen tot deze spelen, quos numquam quisquam

vidisset neque spectaturus esset. Plechtige offers, lectisternia,

gebeden, optochten, wedrennen, gladiatorengevechten, venationes of

dierengevechten, het ludicrum Troiae, zang, dans, enz., wisselden

elkander af, drie dagen en drie nachten achtereen. De nachtelijke

feestviering gaf aanleiding tot ongebondenheid, daarom verbood

Augustus het bijwonen daarvan aan jongelieden van beiderlei kunne,

tenzij onder toezicht van oudere bloedverwanten. Het feest werd

besloten door een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27

jongelingen en 27 jonge meisjes werd gezongen. Zóó heeft Augustus bij

de nieuwe regeling door hem ingevoerd, het feest in 17 laten vieren,

en Horatius heeft daarvoor het carmen saeculare gedicht. Vroeger was

het meer een feest ter eere van Dis pater (Plouton) en Proserpina,

tot afwending van onheilen, die naar het nieuwe saeculum niet konden

overspringen, zooals men meende. Het feest is gevierd in 463, 363

en 263, en daarna weder opnieuw onder den verschen indruk van de

rampen van den 1sten Punischen oorlog in 249, en dan weer in 146;

dit zijn de Terentini ludi (z. a.). De ludi saeculares van Augustus

zijn herhaald door Domitianus in 88 n. C. en door Septimius Severus

in 204 n. C., waarbij het saeculum berekend werd op 110 jaar, terwijl

daarnaast het stichtingsjaar der stad herdacht werd in 47 n. C. (800),

147 n. C. (900) en 248 (1001).

Saenia (lex), van L. Saenius, consul suffectus in de twee laatste

maanden van 30. Door deze wet werd aan Octavianus het recht verleend,

aanzienlijke plebejers onder de patricii op te nemen.

S(a)epinum, Saipinon, stad in Samnium, ten O. van Bovianum.

Saepta, zie ovile.

Saetabis, stad der Contestani in Hispania, ten Z. van den Sucro

(Xucar). De plaats was een rom. municipium, met veel vlasteelt

en weverijen. Ook wordt eene rivier van dezen naam in het Z. van

Hispania vermeld.

Saevo mons, gebergte in Scandia, het tgw. noorweegsche Kjölengebergte.

Sagalassus, Sagalassos, aanzienlijke stad en grensvesting in Pisidia,

op de helling van een heuvel gebouwd. De inwoners hadden den naam

van bijzondere dapperheid.

Sagaris, Sagaris = Sangarius.

Sagartii, Sagartioi, nomadenstam in het binnenland van Iran, ten

O. van Persis en Media.

Sagittarius, Arcitenens, Toxotes, het sterrenbeeld de Boogschutter,

z. Chiron.

Sagmen, gewoonlijk plur. sagmina, zie verbena.

Sagra, Sagras, kustrivier in Bruttium, die tusschen Locri en Caulonia

in zee valt. Hier werden omstreeks 550 de Crotoniaten bloedig verslagen

door de inwoners van Locri Epizephyrii. Van hier kwam een grieksch

spreekwoord, alethestera ton epi Sagra = het is nog waarachtiger dan

het gebeurde bij Sagra.

Sagrus, rivier in Midden-Italië, stroomt door Noord-Samnium en het

land der Frentani.

Sagum, een wollen soldatenmantel, die op den eenen schouder door

een gesp werd vastgehouden en, uitgespreid, als deken kon gebezigd

worden. In hoofdzaak was het een groote vierkante lap, die men dubbel

vouwde en dan omsloeg. Zie de afbeelding bij fasces.

Saguntia of Segontia, Sagountia, stad der Arevaci in Hispania, aan

een zijtakje van den Tagus, thans Siguenza.

Saguntum, Sagounton, bloeiende stad der Edetani aan de O.kust van

Hispania, nabij het tegenw. Murviedro, aan de rivier Pallantias. Het

was, zooals men later aannam, eene volkplanting van Zacynthus (Zante),

en kolonisten uit Ardea hadden aan de stichting deelgenomen. Het

was in bondgenootschap met Rome, toen het in 219 door Hannibal werd

aangevallen en, in weerwil eener heldhaftige verdediging, ingenomen en

verwoest werd. Toen de Carthagers hierop de uitlevering van Hannibal

weigerden (Maart 218), begon de tweede punische oorlog. Later (210)

werd Saguntum door de Romeinen als kolonie herbouwd.

Saii, Saioi, een thracische volksstam in de omgeving van Abdera.

Sais, Sais, oude hoofdstad van Beneden-Aegypte, aan den Bolbitinischen

Nijlarm, met een prachtigen tempel der godin Neïth, het graf van

Osiris en graven der oude Pharao's. Bij genoemden tempel werd het

jaarlijksche lampenfeest gevierd, waarbij alle huizen gedurende den

nacht met een kring van brandende lampen omgeven waren.

Saitis, Saitis, bijnaam, onder welken Athena te Lerna vereerd werd,

misschien naar Sais in Aegypte, z. Neïth.

Sala, Salas, naam van twee rivieren in Germania, 1) de

tegenw. saksische Saale, zijtak van den Albis (Elbe).--2) de

tegenw. frankische Saale, zijtak van den Moenus (Main). Deze laatste

was grensrivier tusschen de Hermunduri en de Chatti.

Salacia, romeinsche zeegodin, die tot den kring van Neptunus hoort;

in de grieksch-romeinsche mythologie is ze bij Neptunus moeder van

Triton. Ook bijnaam van Venus, de uit de zee geborene.

Salaeca, Saleca, stad in het gebied van Carthago, ten Z.O. van Utica,

in 204 door Scipio Africanus Maior veroverd.

Salaminia, Salaminia, een atheensch schip, dat voor dezelfde doeleinden

gebruikt werd als de Paralus (z. a.).

Salamis, Salamis, gen. -inos, 1) eiland aan de W.kust van Attica,

bekend door de luisterrijke overwinning, die de grieksche vloot

in 480 op die van Xerxes behaalde. Hier heerschte tijdens den

trojaanschen oorlog Telamon, de vader van den eenen Ajax en van

Teucer. Later kwam het eiland onder Megaris en werd onder Solon door

de Atheners veroverd. In de 3de eeuw is het meestal in handen van de

Macedoniërs, tot Athene het met hulp van Aratus in 232 hernam. De oude

hoofdstad Salamis lag op de Zuidspits, de nieuwe, Salamis nova, op de

Oostkust.--2) Toen Teucer van Troje terugkeerde, zonder zijn broeder

Ajax te hebben gewroken, werd hij door Telamon verstooten. Daarop

stevende Teucer oostwaarts en stichtte op de oostkust van Cyprus eene

nieuwe stad Salamis, die de voornaamste stad van Cyprus werd. Zij

had een zeer ruime haven. In 449 behaalden de Atheners hier eene

overwinning op de perzische vloot. Onder de regeering van Constantijn

den Gr. werd zij door eene aardbeving verwoest, doch onder den naam

Constantia herbouwd en tot hoofdstad van Cyprus verheven.

Salapia, oude daunische stad in Apulia, v. s. door Diomedes

gesticht. In den bondgenooten-oorlog werd ze verbrand en kwam niet

weder tot bloei. Ze lag in eene moerassige streek, zoodat ze op

sommige tijden bijna onbewoonbaar was.

Salapina palus, meer bij Salapia, dat door een kanaal met de zee

verbonden en tot haven gemaakt werd.

Salaria (via), oudste heirweg in Italië, waarlangs het zout van

de Salinae aan de monding van den Tiber naar het land der Sabijnen

(Reate) vervoerd werd. Later werd de weg door de Apennijnen verlengd

tot Truentum aan de Adriatische zee.

Salassi, Salassoi, Alpenvolk in den N.W. hoek van Gallia Cisalpina

aan de Alpes Graiae en Poeninae. Onder Augustus werden zij minder

onderworpen dan uitgeroeid (25 v. C.); de veldheer Terentius Varro

(Licinii no. 32) liet er 26000 als slaven verkoopen. Er lagen

goudmijnen in hun gebied. Uit de legerplaats der praetoriaansche

bezetting ontstond de stad Augusta Praetoria, thans Aosta.

Saldae, Saldai, aanzienlijke zeestad in het O. van Mauretania

Caesariensis.

Salduba, zie Caesaraugusta.

Sale, Sale, stad op de Z.kust van Thracia, ten W. van den Hebrus.

Saleca = Salaeca.

Salentini, Salentinoi, volksstam in Calabria aan de golf van

Tarentum. Ook kaap Iapygium wordt naar hen promunturium Salentinum

genoemd.

Salernum, Salernon (Salerno), zeestad in het Z. van Campania aan den

sinus Paestanus (golf van Salerno), sedert 194 rom. kolonie.

Salganeus, Salganea, Salganeus, stadje in Boeotia aan den Euripus,

O.waarts van Anthedon.

Salii, frankische stam in den omtrek van het eiland der Batavieren. Ze

komen van den IJssel, en dringen in de 4de eeuw het Romeinsche rijk

binnen, en zijn de stichters van het latere rijk van Clovis. Een

hoofdbestanddeel van hen zijn v.s. de vroegere Sygambren (zie aldaar).

Salii, rom. priestercollege, verdeeld in twee gezelschappen, elk van 12

leden. Het oudste, waarvan de instelling toegeschreven wordt aan Numa

Pompilius (zie ancile), had zijne offerplaats op den palatijnschen berg

en droeg den naam van Salii Palatini. Het andere, ingesteld door Tullus

Hostilius, had zijn heiligdom op den Quirinalis bij de porta Collina

en heette Salii Collini (Agonenses of Agonales). De eersten waren aan

den dienst van Mars, de laatsten aan dien van Quirinus gewijd. Den

1en Maart offerde de pontifex maximus in de Regia (z. a.), waar de

heilige schilden geborgen waren, en op de volgende dagen trokken

de Salii met de ancilia al dansende de stad door, alle tempels en

altaren rond, terwijl hier en daar geofferd werd. Deze optocht duurde

verscheiden dagen; de liederen, die daarbij gezongen werden, heetten

axamenta, de plaatsen, waar de schilden 's nachts geborgen werden,

mansiones. De optochten eindigden met een prachtig feestmaal, vandaar

de uitdrukking epulae Saliares. De Saliërs droegen een priestermuts

(zie apex en albogalerus), eene geborduurde tunica (tunica picta),

een metalen borstharnas, de toga praetexta of de trabea, verder

zwaard en speer. Zij werden uit de patriciërs gekozen, hun naam

beteekent: dansers. Aan hun hoofd stond een magister Saliorum, op

hem volgde de praesul of voordanser. Bij enkele hunner offers kwam

een koor van jonkvrouwen voor, virgines Saliae, ook met borstpantser

en priestermuts, dit waren echter geene priesteressen, maar gehuurde

meisjes.

Salinae, naam van verschillende steden, in wier nabijheid zout gewonnen

werd. Ook de zoutfabrieken droegen dezen naam (ook wel salifodinae

= zoutgroeven). De pacht, die daarvoor aan den staat betaald werd,

behoorde tot de vectigalia.

Salinator = zoutkooper, bijnaam in de gens Livia (Livii no. 7).

Sallentini = Salentini.

Sal(l)ustii, plebejisch geslacht. 1) C. Sallustius Crispus, geb. in

86 te Amiternum in het sabijnsche land, gaf zich in zijne jeugd nogal

aan verkwisting en uitspattingen over. Als volkstribuun was hij in

52 vijandig gezind tegen Milo en diens verdediger Cicero. Door den

censor App. Claudius Pulcher werd S. in 50 uit den senaat gestooten,

doch Caesar bezorgde hem in 49 de quaestuur en bracht hem in den

senaat terug. In 47 maakte Caesar hem tot stadhouder van Numidia,

waar S. door afpersingen zijn fortuin herstelde, waarvan hij te Rome

de prachtige horti Sallustiani op den Collis hortorum (M. Pincio)

deed aanleggen. Slechts met moeite ontsnapte hij door Caesars invloed

aan eene aanklacht. Na Caesars dood trok hij zich uit de staatszaken

terug en wijdde zich aan letterkundigen arbeid. Wij hebben nog van hem

twee volledige geschriften: Catilina en Jugurtha of Bellum Iugurthinum,

alsmede fragmenten zijner 5 libri Historiarum. Wat verder op zijn naam

staat, is onecht. De stijl van S. is gevormd naar dien van Thucydides,

kernachtig en pittig. Zijne beschouwingen zijn pessimistisch, als

van iemand, die de genietingen der wereld heeft leeren kennen en op

lateren leeftijd tot inkeer is gekomen. Hij stierf in 35 of 34.--2)

Cn. Sallustius, een vriend van Cicero.--3) C. Sallustius Crispus,

achterneef en aangenomen zoon van no. 1, en erfgenaam van diens

vermogen, zeer gezien bij Augustus en Tiberius. Horatius droeg hem

eene ode op.--4) Flavius Sallustius, vicarius urbis Romae, werd door

keizer Julianus tot praefectus praetorio Galliarum (361) en consul

(363) benoemd. Hij trachtte te vergeefs Iulianus door middel van

een brief van den veldtocht tegen Perzië af te houden. Een andere

Sallustius uit dien tijd, wiens ware naam was Saturninus Secundus

(Sallustius, juister Salutius, is in dezen tijd een signum, zie nomen),

was praef. praet. Orientis, en begeleidde Iulianus op den tocht naar

Perzië. Hij was ambtenaar in Gallia geweest, toen Julianus daar tegen

de Germanen streed; Julianus had met hem vriendschap gesloten, en

toen keizer Constantius hem daarom terugriep (359) had Julianus tot

hem een troostrede, or. IV gericht, die nog over is. Na den dood van

Iulianus wilde men hem tot keizer benoemen, maar hij weigerde. Hij

is waarschijnlijk de schrijver van een werk peri theon kai kosmou.

Salluvii, de machtigste der ligurische stammen op de kust van

Gallia Narbonensis, tusschen de Alpen en den Rhodanus (in het

tegenw. Provence). In hun gebied werd in 600 door de Phocencers

Massilia gesticht. Na langen strijd werden zij in 122 aan Rome

onderworpen door den proconsul C. Sextius Calvinus, die in hun gebied

Aquae Sextiae stichtte (Aix).

Salmacis, Salmakis, z. Hermaphroditus.

Salmanassar, Salmanasares, naam van eenige assyrische koningen. De

beroemdste is S. IV, die gedurende zijne korte regeering (726-722)

een einde maakte aan het rijk Israël, koning Hosea gevangen nam en

Samaria veroverde.

Salmantica, stad der Vettones in Hispania aan den Termes, een zijrivier

van den Durius (Douro), thans Salamanca.

Salmone, Salmone, 1) overoude stad in het elische gewest Pisatis aan

den Enipeus.--2) = Salmonium.

Salmoneus, Salmoneus, zoon van Aeolus en Enarete, ging van Thessalië

naar Elis en stichtte daar de stad Salmone. Hij waagde het zich met

Zeus gelijk te stellen, en bootste daartoe door kunstmiddelen bliksem

en donder na, maar Zeus doodde hem met den bliksem, wierp hem in den

Tartarus en verwoestte de door hem gestichte stad.

Salmonis, Tyro, dochter van Salmoneus.

Salmonium of Samonium, kaap aan de N.O. punt van Creta.

Salmydessus, Salmydessos, stad en kuststreek van Thracia aan den

Pontus Euxinus, berucht door strandroof.

Salo, rechterzijtak van den Iberus (Ebro) in Hispania, die langs de

stad Bilbilis stroomt.

Saloë, zie Sipylus.

Salona of -nae, Salona, -nai, hoofdstad van Dalmatia, rom. kolonie,

sterk door hare ligging, met slechts één toegang aan de landzijde door

den nabijgelegen bergpas Clissura. In de nabijheid, bij Spalatum,

lag de prachtige villa van Diocletianus, waarvan nog overblijfsels

aanwezig zijn. Door de Gothen werd Salona verwoest. Het bleef echter

ook onder het byzantijnsche keizerrijk een zeer belangrijke havenstad.

Salsa (mola), speltmeel met zout vermengd, waarmede de offerdieren

vóór het slachten werden bestrooid.

Salus, personificatie van gezondheid en welvaart. De Salus publica

populi Romani had sedert 302 een tempel op den Quirinalis (zie Fabii

no. 24), die in de plaats kwam van een ouder heiligdom; men bad tot

haar bij het begin van het jaar, maar moest eerst door middel van het

augurium Salutis vragen of zulk een gebed geoorloofd was. De zaak

is echter zeer onduidelijk overgeleverd. Nevens deze Salus werd in

den keizertijd ook de Salus Augusta aangebeden.--Hare afbeeldingen

gelijken veel op die van Fortuna.

Salustii = Sallustii.

Salutatio matutina, morgengroet of morgenbezoek, door vrienden en

cliënten aan aanzienlijke personen gebracht. Dit bezoek had plaats

in de eerste paar uren na zonsopgang. Zie clientes.

Salutius, z. Sallustii no. 4.

Salvidieni. Q. Salvidienus Salvius Rufus, van onaanzienlijke geboorte,

was een groot vriend van Octavianus, vergezelde hem naar Apollonia,

was later in den burgeroorlog zijn legaat, doch werd op zijn bevel

ter dood gebracht wegens het aanknoopen van geheime onderhandelingen

met Antonius.

Salvii. 1) Salvius, volkstribuun in 43, verzette zich tegen het

senaatsbesluit, waardoor Antonius (in den mutinensischen oorlog)

tot vijand van den staat werd verklaard. Toch was hij met Cicero

een der eerste slachtoffers der proscriptie.--2) Salvius, voorlezer

en bibliothecaris van T. Pomponius Atticus.--3) M. Salvius Otho,

grootvader van keizer Otho, was uit Etruria afkomstig en kwam onder

Augustus door Livia's invloed in den senaat.--4) L. Salvius Otho, zoon

van no. 3, een gunsteling van Tiberius, zeer streng op het punt van

krijgstucht, was stadhouder in Africa en ontdekte eene samenzwering

tegen Claudius.--5) M. Salvius Otho, zoon van no. 4, rom. keizer. Zie

Otho.--6) L. Salvius Otho Titianus, oudere broeder van no. 5, streed

voor dezen tegen Vitellius bij Bedriacum, doch werd verslagen en

gevangen genomen. Hij bleef echter gespaard.--7) C. Salvius Liberalis,

redenaar, door Plinius minor zeer geprezen.--8) Salvius Iulianus,

zie Iuliani.--9) Salvius, aanvoerder in een slavenopstand op Sicilia

in 104, zie Tryphon.

Salyes, Salyes = Salluvii.

Samara, rivier in Belgica, de Somme.

Samaria, Samareia, of Schomrôn (= wachtpost), stad in het midden van

Palaestina, door koning Omri gesticht als hoofdstad van het rijk

van Israël, ter vervanging van het oude Sichem als residentie. Na

den val van het rijk bleef het oude gebied van den stam van Ephraïm

en den halven stam van Manasse onder den naam Samaritis of Samaria

bekend. Tijdens de Makkabaeën ging het zuidelijke gedeelte aan Judaea

verloren. De stad Samaria lag op een heuvel midden in een groot dal;

in 722 werd zij verwoest door den assyrischen koning Salmanassar,

in 307 onderging zij hetzelfde lot door Ptolemaeus I Lagi, en later

nogmaals door den Makkabaeër Hyrcanus. Door Herodes den Gr. werd zij

vergroot en verfraaid, en ter eere van Augustus Sebaste, Sebaste,

genoemd. Over het landschap zie men verder Palaestina.

Samarobriva, stad der Ambiani in Belgica, aan de Samara (Somme),

thans Amiens.

Sambuca, sambyke, 1) snareninstrument van zeer verschillende

afmetingen, eenigszins overeenkomende met onze harp.--2)

belegeringswerktuig, vermoedelijk eene valbrug, die uit een

belegeringstoren werd neergelaten op de muren der belegerde stad.

Sambus, zie Sabi regnum.

Same, of -us, Same, -os, zie Cephallenia.

Samia, Samia = Samicum.

Samicum, Samikon, stad in het Z. van Elis, in Triphylia.

Saminthus, Saminthos, plaatsje in Argolis, ten N.W. van Mycenae.

Samnietische oorlogen. Bij de oude geschiedschrijvers worden 3 oorlogen

van de Romeinen met de Samnieten vermeld. De eerste samnietische

oorlog van 343 tot 341 heeft echter nooit plaats gehad, daar in dien

tijd de Romeinen en Samnieten ten nauwste met elkaar verbonden waren,

en de Samnieten de Romeinen hielpen om de Volscen en andere stammen

te onderwerpen, en ook aan den oorlog tegen den Latijnschen bond

(340-338) hebben deelgenomen. Er worden drie overwinningen uit het

jaar 343 verzonnen: bij den Gaurus mons (z.a. en Cornelii no. 5), in

de Caudijnsche passen en bij Suessula. De tweede (in werkelijkheid

de eerste) Samn. oorlog is gevoerd van 328 of 326-304, waarin de

voornaamste gebeurtenis is de nederlaag der Romeinen in de Caudijnsche

passen in 321 (zie Caudium), waarna de oorlog een paar jaar gestaakt

werd. De laatste oorlog duurde van 299 of 298 tot 290, en eindigde

met de volledige onderwerping van Samnium (z. echter Sabini) en de

inlijving van het sabijnsche land.

Samnites, Samnium, zie Sabini.

Samonium = Salmonium.

Samosata, ta Samosata, versterkte hoofdstad van Commagene, aan den

Euphraat, geboorteplaats van Lucianus.

Samothrace, Samothrake, thans Samothraki, eiland op de thracische kust

tegenover de monding van den Hebrus (Maritza), met een hoogen berg,

Saoce, Saoke. Het eiland was vooral bekend door de vereering der Cabiri

(z. a.).

Sampsiceramus, spotnaam, door Cicero aan Pompeius gegeven, naar een

nietsbeduidend koninkje te Emesa in Syria.

Samus, Samos, thans Samo, machtig eiland op de ionisch-aziatische

kust, eerst bevolkt door Lelegers en Cariërs, later door Ioniërs

en Doriërs. Het was reeds vroeg eene aanzienlijke zeemogendheid; de

Samiërs waren de eersten, die triëren bouwden (704). Na vele twisten

tusschen adel en volk, maakte in ± 540 Polycrates zich van het bestuur

meester. Zijne regeering was een tijdperk van grooten bloei. Kort na

zijn dood werd het eiland, niet zonder tegenstand en verwoesting,

aan de Perzen schatplichtig en onder Polycrates' jongeren broeder

Syloson geplaatst. Onder Syloson's zoon Aeaces namen de Samiërs

wel deel aan den ionischen opstand (500), doch liepen na den slag

bij Lade tot den vijand over. Als lid van het attische zeeverbond

bewaarde Samus later eene zekere mate van onafhankelijkheid, totdat

in 440 bij een geschil tusschen Samus en Miletus de Atheners te

gebiedend optraden, waarop het eiland de gehoorzaamheid opzegde. Na

een beleg van negen maanden slaagde Pericles er in, den opstand te

bedwingen; de vestingwerken werden geslecht, de vloot uitgeleverd,

den Samiërs een zware boete opgelegd en een gedeelte van het eiland

tot cleruchieën gemaakt. In den peloponnesischen oorlog bleef Samus

aan Athene trouw, doch na den slag bij Aegospotami moest het voor

Lysander zwichten en spartaansche bezetting opnemen, terwijl de

atheensche kolonisten verdreven werden. In 394 kwam het opnieuw

bij Athene, in 390 weder bij Sparta, daarna aan Perzië, in 365 werd

het heroverd door de Atheners, die er in 352 weder 2000 cleruchen

heenzonden. In 322 werd het door Perdiccas den Atheners ontnomen,

in 319 door Polyperchon hun teruggegeven, en sedert veranderde het

nog herhaaldelijk van meester, tot het eindelijk door Rome in den

mithradatischen oorlog bij de provincie Asia werd ingelijfd. Door

Octavianus werd het wel eene civitas libera, doch bloei en welvaart

waren reeds lang verdwenen. Het eiland was ongemeen vruchtbaar, zoodat

men zelfs spreekwoordelijk zeide, dat de kippen er melk gaven: pherei

Samos kai ornithon gala. Bouw- en beeldhouwkunst stonden er eenmaal

op hoogen trap, en de stad Samus, aan de Zuidoostkust gelegen,

en amphitheaterswijze van het strand tegen heuvels oploopende,

gold voor eene van de fraaiste en sterkste steden der oudheid. Tal

van overblijfselen getuigen nog van den vroegeren tijd. Beroemd was

ook het kostbare samische aardewerk. Samus was het vaderland van

den decoratieschilder Agatharchus, den beeldhouwer en metaalgieter,

tevens goud- en zilverwerker Theodorus, van de wijsgeeren Pythagoras

en Melissus, de dichters Aeschrion en Choerilus e. a. De voornaamste

godheid van het eiland was Hera, aan wie een zeer oude en beroemde

tempel, door Rhoecus gebouwd, gewijd was.

Sana, Sane, Sane, naam van twee steden van Chalcidice, de eene op

de Westkust van het schiereiland Pallene, de andere ten N. van de

doorgraving van den berg Athos, aan den Singiticus sinus.

Sanchoniathon, Sanchun., Sanchouniathon, van Berytus, schrijver van

eene zeer oude phoenicische geschiedenis, die door Herennius Philo

(Philo no. 8) in het Grieksch vertaald werd. Men vermoedt dat Philo

de schrijver en niet de vertaler van dit werk was, en dat de naam

S. niets dan een verdichtsel van hem is.

Sancus, Semo S., zie Dius Fidius.

Sandalium, sandal(i)on, sandaal, bestond uit een zool met een

bovenleder (zygon), dat de teenen en het voorste gedeelte van den

voet bedekte.

Sandon, assyrisch heros, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd.

Sandrocottus, Sandracottas, Sandrokottos, Sandrakottas, machtig koning

van Palibothra, met wien Seleucus Nicator betrekkingen aanknoopte.

Sangala, Sangala, stad in het gebied der Cathaei in India.

Sangarius, Sangarios, aanzienlijke rivier van Asia minor, die in het

O. van Phrygia op den berg Adoreus ontspringt, door Galatia, langs en

door Bithynia stroomt en in den Pontus Euxinus valt. Evenals de Halys

stroomt hij achtereenvolgens in de meest verschillende richtingen.

Sangus = Sancus.

Sanherib, Sanacharibos, koning van Assyrië, 704-681. Ten gevolge

van oproerige bewegingen in Judaea en Phoenicië, die door Aegypte

ondersteund werden, trok hij naar het Westen (701), maar eene pest

richtte in zijn leger binnen kort zoo groote verwoestingen aan,

dat hij terug moest trekken. Hij werd door een van zijne zonen gedood.

Sannyrion, Sannyrion, dichter der oude attische komedie, tijdgenoot

van Aristophanes.

Sanquinii, geslacht, dat eerst in den romeinschen keizertijd voorkomt,

onder Tiberius en Caligula. Bekend is vooral Q. Sanquinius Maximus,

consul saffectus waarschijnlijk in 25 n. C., stierf als legatus pro

praetore van Germania Inferior in 47.

Santones, -ni, Santones, -noi, volksstam in Gallia aan den Carantonus

(Charente). Hun naam leeft nog voort in dien der landstreek

Saintonges. Steden: Mediolanum (Saintes), Condate (Cognac).

Sapaei, Sapaioi, thracische stam ten O. van den mons Pangaeus.

Sapientes Septem, hoi heppa sophoi, de zeven wijzen van Griekenland,

zeven tijdgenooten (7e en 6e eeuw), die door scherpzinnigheid en

wijsheid uitmuntten en wier kort geformuleerde spreuken als algemeen

geldige lessen van levenswijsheid beschouwd werden: Bias, Chilo,

Cleobulus, Periander (v.a. Myson), Pittacus, Solon en Thales.

Sapis, Sapis, kustriviertje in Gallia Cispadana, dat ten Z. van

Ravenna in de Adriatische zee valt.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 121 / 150 段