de stichter van Rome. Zij waren zoons van Rea Silvia, kleinzoons van
Numitor. Hun oom Amulius beval bij hunne geboorte hen in den Tiber te
werpen, doch zij werden op wonderdadige wijze gered en door zekeren
herder Faustulus en diens vrouw Acca Larentia groot gebracht. Later
door Numitor herkend en met hunne afkomst bekend gemaakt, doodden zij
hun oom Amulius. Vervolgens besloten zij op den palatijnschen heuvel
een stad te stichten. Bij de vraag, wie der beide broeders aan de
nieuwe stad den naam zou geven, ontstond er een twist, waarin Remus
omkwam (zie Lemures). De Sabijnsche maagdenroof deed een hevigen strijd
ontstaan, die echter met verzoening en met ineensmelting der latijnsche
nederzetting op den Palatinus en de sabijnsche op den Quirinalis
(z. Roma) eindigde, onder gemeenschappelijk bestuur van Romulus
en den Sabijn Titus Tatius, welke laatste echter niet lang daarna
te Lanuvium werd vermoord. Na eene regeering van 37 jaar verdween
Romulus bij gelegenheid van een hevig onweder. Het volk vreesde dat
hij vermoord was, doch een der senatoren, Julius Proculus, verzekerde,
dat hij Romulus door diens vader Mars in een vurigen wagen ten hemel
had zien voeren en dat R. het bevel had achtergelaten, hem onder den
naam Quirinus als god te eeren.
Romulus Augustus, om zijn jeugdigen leeftijd ook wel Augustulus
genoemd, was de laatste keizer van het west-rom. rijk. Nadat Glycerius
(zie Ricimer) in 475 n. C. door Julius Nepos was verdrongen, werd deze
laatste in 475 afgezet door zijn magister militum Orestes. Orestes
zette echter niet zichzelf de keizerskroon op, maar zette zijn zoon
Romulus Augustus op den troon. In 476 werden zij door Odoacer in
Placentia belegerd. Orestes werd gedood, het jonge keizertje afgezet
en Odoacer als koning van Italië erkend. Rom. Aug. kreeg een landgoed
in Campania.
Rorarii, eene afdeeling lichtgewapende troepen bij de oude
rom. legers. Het waren jonge, ongeoefende manschappen, die in de acies
achter de triarii stonden: zij openden het gevecht, door tusschen de
rijen door vooruit te snellen, en trokken zich later weer naar hun
standplaats terug. De ouden verklaarden den naam hieruit, dat zij,
evenals regendruppels bij een onweder vallen, tusschen de geregelde
troepen in, nu en dan een bui van werpschichten in 's vijands rijen
wierpen.
Roscia (lex) theatralis, waarbij aan de ridders te Rome in het theater
de 14 rijen zitplaatsen achter de orchestra (waar de senatoren
zaten) werden ingeruimd. De wet beoogde hiermede een herstel van
vroegere door Sulla opgeheven voorrechten. Hierbij werd ook de
riddercensus van 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40,000 opnieuw
vastgesteld. Deze wet was van den volkstribuun L. Roscius Otho,
67. Vandaar de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse.
Roscii. 1) S. Roscius uit Ameria had na de vermoording zijns vaders
zijn vermogen verloren door Sulla's vogelvrijverklaringen en werd later
door Chrysogonus, den kooper zijner familiegoederen, beschuldigd van
vadermoord, doch met gelukkigen uitslag verdedigd door Cicero.--2)
Q. Roscius Gallus, een vrijgelatene, geb. in het dorpje Solonium bij
Lanuvium, een zeer geliefd tooneelspeler in het rom. blijspel, was
een zeer schoon gebouwd man, die door nauwgezette oefening in houding
en gebaren in de tooneelspeelkunst eene te Rome ongekende hoogte
bereikte. Hij verwierf zich door zijn talent een groot vermogen, was
een zeer achtingswaardig man, zeer gezien bij aanzienlijke Romeinen,
o. a. bij Sulla en Cicero, en de lieveling van het volk. Cicero
verdedigde hem in een proces, de zaak betrof de verdeeling eener
schadevergoeding voor een slaaf, die aan Roscius was toevertrouwd om
hem als acteur op te leiden, doch die vermoord was. Roscius stierf
omstreeks 62.--3) L. Roscius Otho, volkstribuun in 67, maker der
lex Roscia theatralis.--4) L. Roscius Fabatus, aanhanger van Caesar,
bij Mutina gesneuveld, 43.
Rosea rura (Velini), een liefelijke en vruchtbare landstreek bij Reate,
aan de oevers van den Avens en bij den lacus Velinus.
Rostra, zie rostrum.
Rostrum, embolon, -los, sneb of ram van een oorlogsschip,
oorspronkelijk een enkele zware balk, van voren met een metalen
dierekop voorzien en ter hoogte van den waterspiegel uit den voorsteven
vooruitstekende. Later werden het drie balken, aan de punt zwaar
met metaal beslagen, en onder den waterspiegel aangebracht, zoodat
het vijandelijk schip onder water werd lek gestooten. Toen in 338 de
volscische stad Antium hare vloot moest uitleveren, werden de snebben
er afgenomen en als zegeteeken te Rome op het forum aan het openbare
spreekgestoelte gehecht, waarnaar dit laatste den naam van rostra
verkreeg. Men stelle zich deze rostra voor als eene verhevenheid,
waarop de spreker zich vrij kon bewegen en rondom van een borstwering
of leuning voorzien. Naar een ouden gedenkpenning te oordeelen, rustte
het geheel op een gewelfden onderbouw door kleine zuilen gedragen, aan
welke zuilen de veroverde scheepssnebben bevestigd waren. Het lag aan
die zijde van het comitium, die aan het Forum grenst. Daar oudtijds
de contiones op het comitium gehouden werden, richtten de sprekers
zich naar die zijde. In 145 begonnen de sprekers zich naar het Forum
te wenden, en werden voortaan de contiones daar gehouden. Caesar liet
aan de W.-zijde van het Forum een nieuwe spreektribune bouwen, rostra
nova of Iulia, zonder echter de oude af te breken. De nieuwe had wel
geen snebben tot versiering, maar de naam rostra ging er toch op over.
Rotomagus, havenstad der Vellocasses in Gallia, thans Rouaan.
Roxane, Rhoxane, dochter van Oxyartes, gemalin van Alexander d. G. Kort
na den dood van haar echtgenoot bracht zij een zoon, Alexander
(z. a. no. 8), ter wereld, met wien zij na vele wederwaardigheden
door Cassander gedood werd (311).
Roxolani, Rhoxolanoi, machtige volksstam in Sarmatia ten N. van de
Palus Maeotis (zee v. Azow).
Rubellii, een familie die eerst onder de keizers Tiberius en Nero
voorkomt. 1) Rubellius Blandus was een gunsteling van Tiberius, die hem
zijne kleindochter Julia, weduwe van Nero (den zoon van Germanicus),
tot vrouw gaf.--2) Rubellius Plautus, zoon van no. 1, stond hoog in de
gunst bij Agrippina, keizer Nero's moeder. Zij dacht er zelfs over hem
te huwen, doch Nero verbande hem en liet hem later (62) ombrengen. Hij
was een aanhanger van de Stoa, en een vriend van Barea Soranus.--3)
Rubellius Blandus, zoon van no. 2, door Iuvenalis gehekeld als een
ijdele onbeduidende man, die trotsch was op zijn hooge afkomst.
Rubi, stadje der Peucetii in Apulia, ten W. van Barium (Bari).
Rubico, Rhoubikon, riviertje dat sedert Sulla de grens vormde tusschen
Gallia Cisalpina en het eigenlijke Italia. Door den R. over te trekken,
rukte Caesar Italia binnen en gaf het sein tot den burgeroorlog.
Rubra Saxa, rotsen in Etruria bij de rivier Cremera, aan de via
Flaminia.
Rubria (lex), tot stichting van eene kolonie op de puinhoopen van
Carthago, in 122 door een volkstribuun Rubrius in overeenstemming met
C. Gracchus tot stand gebracht. Dit was de eerste kolonie, die buiten
Italia gesticht werd. De uitvoering van de wet viel aan C. Gracchus
ten deel. De kolonie werd weer opgeheven, z. Carthago.
Rubria (lex), de Gallia Cisalpina, in 49, tot regeling van de
rechtspleging in de gemeenten aldaar. Cisalpijnsch Gallië, hoewel reeds
met burgerrecht begiftigd, bleef nog provincie onder een stadhouder
tot het jaar 42.
Rubrica, roode aarde, roode verf. Daar de titels der wetten en het
begin der artikelen met rood geschreven werden, heeft het woord de
beteekenis gekregen van wetsartikel, ook wel van wet.
Rubricatus, Rhoubrikatos, 1) rivier in het O. van Hispania, even ten
Z. van Barcino (Barcelona), thans Llobregat.--2) rivier in Numidia,
die bij Hippo Regius in zee valt.
Rubrii, 1) Rubrius, volkstribuun in 122, zie lex Rubria.--2) Twee
Rubrii, in het proces van Verres voorkomende, de één een achtenswaardig
man, de ander een handlanger van Verres.--3) L. Rubrius, aanhanger
van Pompeius.--4) Twee Rubrii komen onder de regeering van Tiberius
als beschuldigden voor.--5) Rubrius Gallus, rom. generaal onder Nero,
later op de hand van Otho en daarna van Vespasianus.
Rubrum mare = Erythraeum mare.
Rudiae, Rhodiai, Rhoudia, stad in Apulia tusschen Brundisium en
Venusia, later municipium. De dichter Q. Ennius was hier geboren.
Rudis, schermstok, ook een staf, dien zwaardvechters ontvingen, wanneer
hun het geluk ten deel viel, ontslag en vrijheid te krijgen. Zij
waren dan rudiarii of rude donati.
Rufinus, familienaam in de gens Cornelia, zie Cornelii no. 57.
Rufinus, een Galliër, die onder keizer Theodosius den Gr. tot
bevelhebber der lijfwacht opklom. Bij de verdeeling van het rijk werd
hij minister en voogd van Arcadius, doch maakte zich door hebzucht en
gierigheid gehaat. Zijn plan om zijne dochter aan Arcadius tot vrouw
te geven, leed schipbreuk door toedoen van Eutropius. Rufinus trachtte
nu onderhandelingen met de Hunnen aan te knoopen, doch werd op last
van Stilicho, die met een leger kwam aanrukken, onder de oogen van
Arcadius om het leven gebracht (395 n. C.).
Rufrae, stad in Samnium, tusschen Venafrum en Teanum Sidicinum.
Rufrium, stad der Hirpini in Samnium = Rufrae.
Rufus, familienaam in onderscheidene gentes, als: g. Annia, g. Claudia,
g. Lartia, g. Minucia (Minucii no. 3-5), g. Pompeia (Pompeii no. 3-5),
g. Pomponia, g. Rutilia, g. Sulpicia (Sulpicii no. 18-20), g. Valgia
e.a.
Rufus, 1) arts uit Ephesus ten tijde van keizer Traianus, die
verscheiden geneeskundige werken schreef, waarvan eenige bewaard
gebleven zijn.--2) een schrijver, aan wien Plinius minor een aantal
brieven richtte.--3) Sextus Rufus, juister Rufus Festus, onder keizer
Valens schrijver van een breviarium rerum gestarum populi Romani.--4)
Rufus Festus Avienus, z. Avienus.
Rugii, aanzienlijk volk in Germania aan de kust der Oostzee. Zij
komen onder Attila in diens leger voor.
Rullianus, bijnaam in de gens Fabia (Fabii no. 14).
Rullus, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 25).
Rumina, romeinsche godin van zuigende kinderen en zuigend vee, had een
tempel nabij den ficus Ruminalis, waar Romulus en Remus door de wolvin
gezoogd waren, en waaronder in 296 door de Ogulnii (z. a.) een bronzen
beeld van de wolvin met de twee zuigelingen werd opgesteld. Deze
boom stond bij het Lupercal; eene andere vijgenboom, ficus Navia,
naar den wonderpriester Attius Navius (z. Attii no. 1), wiens beeld in
de nabijheid stond, benoemd, vond men later op het Comitium; ook deze
wordt gewoonlijk, nadat de andere verdord was, Ruminalis geheeten. Het
beeld van de Ogulnische wolvin is waarschijnlijk niet identisch met
de nu nog bestaande wolvin van het Capitool, die veel ouder is, en op
het Capitool heeft gestaan, waar ze in 65 door den bliksem beschadigd
werd.--Nevens haar stond een mannelijke godheid Ruminus of Iupiter R.
Ruminalis ficus, z. Rumina.
Rupiliae (leges) tot regeling van verschillende zaken in het bestuur
van Sicilia, van den proconsul P. Rupilius, nadat hij in 131 een
einde had gemaakt aan den slavenoorlog op het eiland.
Rupilii, 1) P. Rupilius, uit geringen stand, doch een beschermeling
van P. Cornelius Scipio Africanus minor, bracht het in 132 tot
consul. Met gestrengheid ging hij te werk tegen de partijgenooten van
Tib. Gracchus. Aan den slavenopstand in Sicilia maakte hij gelukkig
een einde door de verovering van Tauromenium en Enna, waarbij 20000
slaven omkwamen. Door verschillende verordeningen (leges Rupiliae)
bracht hij het bestuur van Sicilia op vasten voet (131).--2)
L. Rupilius, broeder van no. 1, dong, ondanks den steun van Scipio,
te vergeefs naar het consulaat.--3) P. Rupilius Rex, uit Praeneste,
in 43 door Octavianus vogelvrij verklaard, vluchtte naar het legerkamp
van Brutus; te Clazomenae had hij een geschil met een zekeren Persius,
wat door Horatius op geestige wijze besproken wordt in de 7de Satira
van het eerste boek.
Rus, Rhous, beek en vlek in Megaris, met tempels en graven van heroën.
Ruscino, Rhouskinon, rivier en stad der Sordones op de kust van Gallia
Narbonensis, nabij de Pyrenaeën.
Rusellae, oudtijds eene der hoofdsteden van Etruria, aan de via
Aurelia, dicht bij de kust, ten O. van Vetulonia. De kolossale muren,
uit onregelmatige stukken graniet opgetrokken, bestaan nog en hebben
een omtrek van meer dan een half uur gaans.
Rusticus, 1) familienaam, o. a. in de gens Fabia (Fabii no. 28)
en de g. Iunia (Junii no. 22).--2) Q. Iunius Rusticus, stoicijnsch
wijsgeer, leermeester en vriend van keizer Marcus Aurelius, onder
wien hij hooge ambten bekleedde.
Ruteni, Rhoutenoi, gallisch volk op de grenzen van Gallia Narbonensis
en Aquitania. Hoofdstad: Segodunum (Rhodez) aan den Veronius (Aveyron).
Rutilii, 1) P. Rutilius, volkstribuun in 169, klaagde C. Claudius
Pulcher tijdens diens censuur aan van perduellio, en als niet zijn
ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen,
zou hij veroordeeld zijn. Zie Claudii no. 10.--2) P. Rutilius Rufus,
door den wijsgeer Panaetius in de stoicijnsche leer onderwezen,
rom. staatsman, annalist en redenaar, was onder Scipio in den
numantijnschen oorlog (133) krijgstribuun, onder Metellus in den
jugurthijnschen oorlog legaat (109), in 105 consul, in 95 legaat
van Scaevola (Mucii no. 5) in Asia. Daar ging hij de afpersingen
der publicani te keer, doch werd uit weerwraak in 92 van knevelarij
beschuldigd, en daar de rechters uit de ridders werden gekozen,
veroordeeld. Hij was een vriend van Scipio en van Laelius. Zijn
verdere levensdagen sleet hij te Smyrna, waar hij verscheidene werken
schreef. Als redenaar had hij grooten naam.--3) P. Rutilius Lupus,
consul in 90, sneuvelde in den marsischen oorlog tegen Vettius Cato
(Scato).--4) P. Rutilius Lupus, volkstribuun in 56, later aanhanger
van Pompeius, kreeg van dezen het bestuur over Achaia.--5) L. Rutilius
Lupus, rom. rhetor ten tijde van Tiberius, schreef een werkje Schemata
lexeos in twee boeken, een vertaling van het werk van Gorgias no. 2
(z. a.).--6) Rutilius Claudius Namatianus, zie Namatianus.
Rutubis, havenstad aan de W.-kust van Mauretania.
Rutuli, Rhoutouloi, oud-italisch volk in Latium, met Ardea als
hoofdstad. Zie Aeneas. Na hunne onderwerping door de Rom. verdwijnt
hun naam uit de geschiedenis.
Rutupiae, Rhoutoupiai, haven in Zuid-Engeland, in het land der Cantii,
aan het Nauw van Calais, station voor de overvaart van uit Bononia;
het was beroemd om zijn oestercultuur.
S.
Saba of Sabae, Saba, Sabai, 1) naam van eene stad der Sabaeërs
(z. Sabaei) in Arabia Felix, ook Mariaba geheeten, die op een hoogen,
boschrijken berg was gelegen, en door den praefectus van Aegypte,
Aelius Gallus, bij diens mislukten arabischen veldtocht te vergeefs
aangevallen werd (24).--2) stad in Aethiopia aan de arabische golf.
Sabacos, Sabakos, -kon, koning van Aethiopië, die Aegypte veroverde
en het na eene regeering van 50 jaar ten gevolge van een droomgezicht
vrijwillig verliet. Dit zou volgens het verhaal van Herodotus in de
11e eeuw geschied zijn. In werkelijkheid hebben drie aethiopische
koningen, waarvan de eerste Sabacos heette, tusschen 728 en 672 bij
tusschenpoozen over Aegypte geregeerd, onder voortdurende oorlogen
met de Assyriërs, die ten slotte het land veroverden.
Sabaei, Sabaioi, Seba, Sheba, aanzienlijk volk in Arabia Felix, in
het tegenw. Yemen. Hun land bracht kostbare specerijen en reukwerken
voort, waarin zij een winstgevenden handel dreven. Zij golden voor
het rijkste en weelderigste volk der wereld. Van hun rijkdom waren
allerlei fabelen in omloop.
Sabaria, Savaria, oude bojische stad, onder keizer Claudius
rom. kolonie, in Pannonia Superior, waarvan nog vele overblijfselen
aanwezig zijn (Stein am Anger).
Sabata, 1) oud etruscisch stadje ten N.-W. van Rome aan den lacus
Sabatinus.--2) stad in Liguria, met een haven Vada Sabatia, ook wel
kortweg Vada genoemd.
Sabatini, volksstam in Campania, aan de riv. Sabatus, een zijtak van
den Vulturnus.
Sabatinus lacus, meertje in Etruria, ten N. W. van Rome.
Sabazius, Sabazios, een phrygisch of thracisch god, die door de Grieken
overgenomen werd en met Dionysus vereenzelvigd werd; hij staat ook in
betrekking tot Rhea Cybele (z. a.). Soms heet hij een zoon van Zeus en
Persephone, en wordt van hem verhaald dat de Titanen hem op last van
Hera in stukken scheurden, waarbij Zeus echter zijn hart redde en aan
Athena gaf. Ook Zeus zou den naam S. gedragen hebben, maar dien bij
de geboorte van Dionysus aan dezen afgestaan hebben.--Zijne feesten
(Sabazia) overtroffen in buitensporigheid nog die van Dionysus en
Rhea Cybele.
Sabbata, Sabbata, = Sabata no. 2.
Sabelli, zie Sabini.
Sabi Regnum, Sambou basileia, klein indisch rijkje van zekeren vorst
Sabus of Sambus, in India, ten W. van den Ganges, ten O. van Pattalene.
Sabina, echtgenoote van keizer Hadrianus.--Over Poppaea Sabina zie
Poppaei no. 3 en 4.
Sabini, Sabinoi, bergvolk in het hart van Midden-Italië, tusschen
Etruria, Umbria en Latium. Het breidde zich in den loop der vijfde
eeuw in Midden- en Zuid-Italië uit, waar het zich met de oude
oscische bevolking vermengde en zelfs de taal daarvan aannam. In
tegenstelling van de Sabijnen in de vroegere woonplaats werden de
Sabijnen in het door hen veroverde gebied Samnites genoemd, Saunitai =
Sabinitae. Evenals de naam Sabina, he Sabine, tot het gebied der oude
Sabijnen beperkt bleef, bleef ook de naam Samnium, Saunitis, tot een
gedeelte van het samnietisch gebied beperkt, hoewel de Samnieten ook
Campania (z. a.) en Lucania vermeesterden en de Hernici in Latium, de
Picentes of Piceni, de Marsi, Marrucini, Paeligni, Vestini, Frentani
ook tot denzelfden stam behoorden. Al die stammen nu van sabijnschen
oorsprong buiten het oude stamland worden gezamenlijk Sabelli genoemd
en met inbegrip der Sabijnen zelven spreekt men nog liever van
sabellischen, dan van sabijnschen stam. In het eigenlijke Samnium
onderscheidde men de Hirpini, de Pentri, de Caudini, de Caraceni,
in Campania de Picentini en Sidicini. De Sabijnen waren een krachtig,
landbouwend volk; Cicero noemt ze fortissimos viros, florem Italiae ac
robur rei publicae. De gewoonte van het ver sacrum (z. a.) bevorderde
hunne verbreiding. Omtrent den Sabijnschen maagdenroof zie Romulus
en Roma. De Sabijnen onderwierpen zich in 290 en werden cives
sine suffragio. De Samnieten en de overige Sabellen zetten den
strijd nog voort tot 272 en bogen toen ook noode het hoofd. In den
bondgenootenoorlog waren zij verbitterde vijanden van Rome, totdat
Sulla in 82 de beslissende zegepraal op Pontius Telesinus behaalde
en den strijd in verdelging deed overgaan; Samnium werd uitgemoord
en bleef braak liggen; van dezen slag heeft het zich nooit hersteld;
men zag er voortaan slechts armoedige dorpen.
Sabiniani, naam der juristen uit de school van C. Ateius Capito. Zij
werden zoo geheeten naar een der beroemdste vertegenwoordigers dezer
school, Masurius Sabinus, ten tijde van Tiberius en Nero.
Sabinum, landgoed ten N. van Tibur, op de grenzen van het sabijnsche
land, door Maecenas aan den dichter Horatius ten geschenke gegeven. Het
was niet groot, maar lag heerlijk in een boschrijk dal. Op het landgoed
ontsprong de bron Bandusia en vloeide de beek Digentia.
Sabinus, 1) Sabinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius, die
o. a. antwoorden schreef op diens Heroïdes. Hij stierf op jeugdigen
leeftijd; of dit dezelfde is als Sabinus, de vriend van Horatius,
is onbekend.--2) Masurius Sabinus, uit Verona, rechtsgeleerde en
oudheidkundige onder Tiberius en Nero, zie Sabiniani.--3) Flavius
Sabinus, oudere broeder van Vespasianus, was onder Claudius stadhouder
van Moesia en onder Nero praefectus urbi te Rome. Galba ontsloeg
hem, doch Otho herstelde hem in zijn ambt. Bij den strijd tusschen de
troepen van Vitellius en Vespasianus werd hij met een aantal senatoren
en ridders op het Capitool ingesloten en door de soldaten van Vitellius
belegerd. Toen deze het Capitool in brand staken, geraakte Sabinus in
handen van het gepeupel, dat hem vermoordde.--4) Iulius Sabinus, een
aanzienlijk Trevir, ruide zijn volk tegen Vespasianus op, doch werd
gevat en ter dood gebracht.--5) Familienaam in de gentes Calvisia,
Claudia, Poppaea en Sicinia.
Sabis, thans Sambre, zijtak der Mosa (Maas), op welks oever Caesar
in een hevigen en gevaarlijken strijd de Nerviërs versloeg.
Sabrata, Sabrata, phoenicische volkplanting, later rom. kolonie in
Tripolitana, tusschen de beide Syrten.
Sabrina, Sabrianas, rivier in het Z.W. van Britannia, thans Severn.
Sabus, zoon van Sancus, de oudste koning der Sabijnen, die als een
god vereerd werd. Men schreef hem de uitvinding van den wijnbouw toe.
Sacadas, Sakadas, van Argos, beroemd toonkunstenaar en elegisch
dichter, die driemaal bij de Pythia den prijs behaalde, omstreeks
600. Een niet nader bekend muziekinstrument wordt naar hem sakadion
genoemd.
Sacae, Sakai, woest nomadenvolk, voortreffelijke ruiters en
boogschutters, ten O. der Massageten, in het steppenland der
tegenw. Kirghizen. Zie Bactria.
Sacellum, kapel aan eene godheid gewijd, bestaande uit een altaar
met een muur er om, doch zonder dak.
Sacer, aan de goden geheiligd, doch in boozen zin = aan de goden
der onderwereld gewijd en dus vogelvrij verklaard. Wie sacer was,
kon straffeloos gedood worden, zulk een vonnis heette sacratio
capitis. Zie sacratae (leges).
Sacer (mons), 1) heuvel 3/4 uur N.O.waarts van Rome aan den Anio,
ongeveer waar de via Nomentana deze rivier kruist; v. a. bij
Crustumerium. In de rom. geschiedenis is deze berg bekend door de
eerste secessio plebis.--2) Zie Hieron oros.
Sacerdos, familienaam in de gens Licinia zie Licinii no. 34 en 35.
Sacra via, eene der hoofdstraten van Rome, die langs de noordelijke
helling van den mons Palatinus naar het forum liep en daarvan den
Zuidkant volgde in de richting naar het Capitool.
Sacramentum, 1) de krijgseed, die den soldaten werd afgenomen. Hierbij
zwoeren de soldaten trouw aan den veldheer, later aan den keizer.--2)
de geldsom die bij eene legis actio per sacramentum door beide partijen
vóór het proces gedeponeerd en door den verliezer verbeurd werd. Dit
was namelijk eene der oudste vormen om een proces in te leiden, dat
men zijne tegenpartij op eene som geld daagde. Hij was afkomstig uit
het ius pontificium en het verbeurde geld werd oorspronkelijk tot
sacrale doeleinden bestemd. Vandaar dan ook de naam.
Sacratae (leges) heeten de wetten tot waarborg van de onschendbaarheid
der volkstribunen en plebejische aedielen. Wie zich aan hen vergreep
kon voor sacer (z. a.) verklaard worden. Om dezelfde reden wordt ook de
lex Valeria Horatia de provocatione van 449 eene lex sacrata genoemd.
Sacratio capitis, zie sacer.
Sacriportus, 1) Hieros limen, vlek in Latium tusschen Signia en
Praeneste, waar Sulla in 82 den jongen Marius versloeg.--2) stadje
aan de golf van Tarentum, ten W. van Tarentum.
Sacrovir (Iulius), een aanzienlijk Aeduer, trachtte onder de regeering
van Tiberius een opstand in Gallia te verwekken (21 n. C.), doch
werd reeds in het eerste gevecht verslagen en viel op de vlucht door
eigen hand.
Sacrum promunturium, hieron akroterion, naam van onderscheiden kapen:
1) Z.W. punt van Hispania (kaap St. Vincent).--2) ergens in het Noorden
van Corsica.--3) W. spits van den Cragus in Lycia.--4) Nog een kaap
in Lycia aan de pamphylische grenzen, tegenover de Chelidonische
eilanden.--6) kaap in Pontus, ten W. van Trapezus.
Sadocus, Sadokos, zoon van den thracischen koning Sitalces, die zijn
vader tot een bondgenootschap met Athene bewoog, en daarvoor met het
atheensch burgerrecht begiftigd werd (431). Toen een gezantschap
van Spartanen en Corinthiërs Sitalces tot het verbreken van dit
bondgenootschap trachtte te bewegen, bewerkte Sadocus, dat de gezanten
aan de Atheners werden uitgeleverd.
Sadyattes, Sadyattes, zoon en opvolger van Ardys, koning van Lydië
615-610, zette den door zijn vader begonnen oorlog met Miletus voort,
doch kon evenmin als deze de stad innemen.