denzelfden gehouden als Ramses III, die omstreeks 1150 stierf. Van
hem wordt verhaald dat hij levend in de onderwereld afdaalde, met
afwisselend geluk met Demeter dobbelde, en ten slotte met een gouden
handdoek op aarde terugkeerde. Zijn schatkamer werd op dezelfde wijs
bestolen als die van Hyrieus (z. Agamedes).
R(h)amses, Rhampses, of Ramessoe, naam van verscheiden aegyptische
koningen. Vooral beroemd is Ramses II de Groote, door de Grieken
Sesostris of Sesosis genoemd, die in de 14de eeuw regeerde, zegevierend
in Libye, Aethiopië en ver in Azië doordrong, groote versterkingen,
kanalen en andere bouwwerken liet aanleggen en over het geheel Aegypte
tot den hoogsten trap van bloei bracht, die het ooit bereikt heeft.
Rhapsodus, rhapsodos, een zanger, die bij feestelijke gelegenheden
gedichten voordraagt. Aan hen heeft men vooral het bewaren der
gedichten van Homerus (z. a.) te danken, ofschoon zij niet alleen
epische gedichten voordroegen, maar ook andere, mits alle verzen
dezelfde maat hadden. Oudtijds talrijk en geacht, gingen zij later
in beide opzichten achteruit. Zij waren kenbaar aan hun kleeding en
hadden bij hun voordrachten een staf (rhabdos of aisakos) in de hand;
in latere tijden droegen zij een rood kleed, als zij uit de Ilias,
een violet, als zij uit de Odyssee voordroegen.
Rhea (of Cybele), Rhea, Rheia, Kybele, dochter van Uranus en
Gaea, gemalin van Cronus en bij hem moeder der groote olympische
goden Zeus, Poseidon, Hades, Hera, Hestia en Demeter. Zij werd in
Griekenland oorspronkelijk alleen als zoodanig (Meter, Magna Mater)
en gewoonlijk in gemeenschap met hare kinderen vereerd, vooral op
Creta, waar zij Zeus ter wereld gebracht en voor Cronus verborgen
zou hebben. Waarschijnlijk was het daar, dat haar dienst samensmolt
met dien van de aziatische Cybele of Cybebe, de groote godin (Megale
thea), moeder van alle leven in de natuur, ten gevolge waarvan zij
mettertijd geheel met deze godin vereenzelvigd werd en zelfs den
naam Cybele bij haar oorspronkelijken naam kreeg, terwijl bij haar
dienst overal in Griekenland meer of minder aziatische gebruiken
overgenomen werden. Deze Cybele werd algemeen in Azië vereerd met
allerlei ceremoniën, die zich kenmerkten door buitensporige woestheid
en een overmatig vertoon van droefheid en vreugde. De hoofdzetel
harer vereering was Pessinus (Pessinountia), waar haar overoud, uit
den hemel gevallen beeld (waarschijnlijk een meteoorsteen) in een
tempel aan den berg Dindymus (Dindymene) stond. Hier droeg zij den
naam Agdistis (z. a.) en vierde men jaarlijks te harer eer den dood en
het herleven van haar geliefden Atys, waarbij de opgewondenheid zoo
hoog steeg, dat de feestvierenden zich dikwijls ernstig wondden of
verminkten. Hare priesters, de Galli, waren gesnedenen en hadden een
zeker aandeel aan de regeering. De luidruchtigheid van hare feesten gaf
aanleiding tot de voorstelling, dat de godin zelve behagen schept in
het gezelschap van dienstbare geesten, die haar met geschreeuw en gegil
en oorverdoovende muziek overal op hare woeste tochten door bergen en
wouden, vergezellen. In Phrygië, waar haar dienst eveneens in groot
aanzien stond (Phrygia thea, Phrygia mater), heetten die gezellen
der godin, en eveneens hare priesters, Corybanten, op den Ida (Idaia
thea, mater Idaea) Dactyli Idaei, op Creta, waar ook hare priesters
naar hen genoemd waren, Cureten. Het geraas, dat door laatstgenoemden
bij het uitvoeren van hun wapendans (prylis, pyrriche) gemaakt werd,
werd verklaard als eene herinnering aan de pogingen van de Cureten,
om te verhoeden dat het geschrei van den kleinen Zeus door zijn vader
gehoord zou worden. Door deze voorstellingen krijgt de godin eenige
overeenkomst met Dionysus, en in sommige mythen neemt Sabazius, die
voor denzelfden als Dionysus gehouden werd, de plaats van Atys in.--Te
Rome werd de dienst van Rhea bij de rampen van den tweeden punischen
oorlog ingevoerd; in 204 werd op last der sibyllijnsche boeken het
beeld der godin in den vorm van een meteoorsteen van Pessinus naar Rome
gebracht en op den mons Palatinus een tempel voor haar gebouwd. Haar
dienst werd waargenomen door phrygische Galli onder een Archigallus,
die te Rome de luidruchtige plechtigheden van Klein-Azië herhaalden;
het aandeel, dat de eigenlijke Rom. aan hare vereering namen,
bepaalde zich tot de viering der Megalesia (z. a.), door maaltijden
en wedstrijden op het tooneel en in de renbaan. In den keizertijd
kwamen hierbij echter feesten ter gedachtenis aan Atys (22-27 Maart),
en nog later, toen men zich van het wezen van Rhea slechts verwarde en
mystieke voorstellingen maakte, ontaardde haar dienst in Taurobolia en
Criobolia, offers van stieren en rammen, waarbij men zich door den doop
met het bloed der offerdieren van zonden reinigde en als het ware op
nieuw geboren werd.--De leeuw, de eik en de den zijn haar gewijd. Zij
wordt gewoonlijk afgebeeld als eene waardige matrone, zittend op een
troon met leeuwen aan beide zijden of op een door leeuwen getrokken
wagen. Op het hoofd heeft zij een muurkroon en sluier.
Rhea Silvia, zie Rea Silvia.
Rhebas, Rhebas, rivier in Bithynia = Rhesus no. 1.
Rheda, een groote reiswagen op vier wielen, ingericht voor personen
en bagage.
Rhegium (Regium), Rhegion, thans Reggio di Calabria (niet te verwarren
met Regium Lepidi), aeolisch-messenische kolonie op de bruttische
kust, aan het fretum Siculum (straat v. Messina), de gewone plaats
van overvaart naar Sicilia. Rhegium was eene bloeiende handelsstad
der Chalcidiërs, totdat Dionysius I van Syracuse het in 387 veroverde
en vernietigde. Later werd de stad herbouwd, en kreeg ze de vrijheid
terug. In 280 had de stad veel te lijden door een oproer van eene
campaansche legerafdeeling, die als rom. bezetting in de stad
lag. Het bleef Rome trouw in den oorlog met Hannibal, en in het
bellum sociale. Aardbevingen en de rom. burgeroorlogen droegen er
verder toe bij om de plaats te ontvolken, totdat Augustus er eene
kolonie uitgelezen zeesoldaten heenzond (36).
Rhenea, Rheneia, oudtijds Ortygia, eil. bij Delus, waarheen de lijken
van Delus werden overgebracht.
Rhenus, Rhenos, 1) de tegenw. Rijn, ontsprong op den mons Adula (zie
aldaar), stroomde door den lacus Brigantinus (meer v. Konstanz),
splitste zich bij het eiland der Batavieren in twee armen (vandaar
Rhenus bicornis), waarvan de zuidelijke den naam Vacalis of
Vahalis (Waal) droeg en zich met de Mosa (Maas) vereenigde. Caesars
mededeeling, dat deze arm zich multis capitibus in zee stortte, werd
reeds in de oudheid als onjuist erkend. De mond heette Helium ostium
en was veel wijder dan tegenwoordig; de monding van den noordelijken
arm, die langs Traiectum (Utrecht) en Lugdunum Batavorum (z. a.) liep,
droeg geen bijzonderen naam. Een derde arm verbond den Rijn met den
Ouden IJssel en viel nog noordelijker in zee door het Flevum ostium
(vermoedelijk het Vlie). Een andere verbinding met de zee is de Vecht
geweest, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den Krommen Rijn
afbuigt en door sommigen voor de Fossa Drusiana gehouden wordt.--2)
thans de Reno, stroomt langs Bononia (Bologna) naar den Padus (Po). Op
een eil. in deze rivier zouden Octavianus, Antonius en Lepidus in 43
hun driemanschap hebben gesloten.
Rhesus, Rhesos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, god van eene
gelijknamige rivier in Bithynië of Troas.--2) zoon van Strymon of
Eïoneus en eene Muze, koning van Thracië, die den Trojanen tegen
de Grieken te hulp kwam. Hij had paarden, waarvan het lot van Troje
afhing, als zij nl. in Troje voedsel of drank gebruikt hadden, was
de stad niet te nemen. Daarom overvielen de Grieken hem nog voor
hij de stad bereikte; hij werd met zijn gevolg door Diomedes gedood,
en de paarden werden door Odysseus weggevoerd.
Rhesus, Rhesos, 1) rivier in Bithynia.--2) riviertje in Troas, zijtak
van den Granicus.
Rhetrai, z. Lycurgus no. 5.
Rhianus, Rhianos, van Creta, episch dichter en grammaticus in de
laatste helft der 3de eeuw; in zijne jeugd was hij slaaf geweest,
later werd hij de vriend van Eratosthenes. Als zijne werken worden
genoemd verscheiden epische gedichten en eene uitgave van Homerus.
Rhinocolura, ta Rhinokoloura of Rhinokoloura, stad in de woestijn
tusschen Aegypte en Palaestina, dicht bij de zeekust.
Rhinthon, Rhinthon, van Syracuse of Tarentum, tijdgenoot van Ptolemaeus
I, uitvinder der zoogenaamde Hilarotragoedia. Uit dien naam en uit
de enkele verzen, die van zijne 38 stukken zijn overgebleven, kan men
opmaken, dat het parodieën waren op oude treurspelen; iets naders is
echter hieromtrent niet bekend. Z. Phlyax.
R(h)ipaei montes, ta Rhipaia ore, een hooge bergketen ergens in het
hooge Noorden, waarschijnlijk de Carpathen, v. s. een deel van het
Uralgebergte; ze worden ook Hyperborei montes geheeten (z. a.).
Rhipe, Rhipe, oude stad in het W. van Arcadia, bij Stratus.
Rhium, Rhion, zie Antirrhium.
Rhizinium, Rhizon, Rhizon, oude versterkte stad in Dalmatia aan een
naar haar genoemde golf, sinus Rhizaeus, ten Z.O. van Epidaurus.
Rhoda, Rhode, havenstad in het N. O. van Hispania Tarraconensis.
Rhodanus, Rhodanos, thans de Rhône, die in zijn loop den lacus
Lemannus (meer v. Genève) vormt. Het aantal monden wordt door de ouden
verschillend opgegeven, zelfs tot zeven toe, hetgeen wel zal zijn
toe te schrijven aan de veranderingen, die de rivier zelve in verloop
van tijd in hare uitwatering heeft gebracht. Zie ook fossa Mariana.
Rhodius, Rhodios, rivier in Troas, die op den berg Ida ontspringt en
in den Hellespont valt.
Rhodope, Rhodope, thracische bronnimf, gemalin van Haemus (z. a.).
Rhodope, Rhodope, hoog gebergte van Thracia, dat zich ten O. van
den Nestus en verder langs de kust tot aan den Hebrus uitstrekt,
thans Despoto-dagh. Dichterlijk Rhodopeius = thracisch, Rhodopeius
vates = Orpheus.
Rhodopis, Rhodopis, eene hetaere uit Thracië, die ten tijde van Amasis
te Naucratis woonde; zij besteedde een tiende van haar vermogen
om ijzeren braadspeten te laten maken, die zij aan den delphischen
tempel schonk.
Rhoduntia, Rhodountia, bergtop van den Oeta met een kasteel, niet
ver van de Thermopylae.
Rhodus, -de, Rhodos, -de, dochter van Poseidon en Amphitrite, bij
Helius moeder van de Heliadae. Helius liet voor haar en hare kinderen
een eiland uit zee oprijzen, dat naar haar genoemd wordt.
Rhodus, Rhodos, eiland in het Z.O. der Aegaeische zee, nabij de
dorisch-carische kust. Het had een heerlijk klimaat, bijna geen
dag ging voorbij zonder zonneschijn; onder de voortbrengselen
telde men marmer, scheepstimmerhout, wijn, vijgen en heerlijke
visch. Als oudste inwoners worden de Telchinen genoemd, die met
het eiland uit de zee waren verrezen, en de Heliaden, vervolgens
kwamen ook Phoeniciërs en Aegyptenaars. De mythe laat verder nog
vóór den trojaanschen oorlog eene dorische kolonie onder Heracles'
zoon Tlepolemus naar Rhodus komen. In den perzischen oorlog sloot
het eiland zich bij het atheensche zeeverbond aan. Het telde toen
drie stadsgemeenten: Lindus, Ialysus en Camirus, die tot de dorische
hexapolis (zie Doris no. 2) behoorden. In 411 bewerkte de aristocratie
eene omwenteling en den afval van het attische zeeverbond; een zekere
Dorilus haalde de bevolking der drie steden over tot het stichten eener
gemeenschappelijke stad Rhodus op den N.O. hoek van het eiland (408),
welke stad zich spoedig tot een ongekenden bloei verhief. Spoedig
werd de democratie weder meester en sloot zich weder bij Athene aan,
doch bezoedelde in den eersten tijd haar triomf door laagheden en
ongerechtigheid. In 358 verliet Rhodus opnieuw de zijde van Athene;
oligarchen, door de carische vorsten gesteund, maakten zich van het
bewind meester, totdat het eiland afhankelijk werd van Idrieus, tyran
van Halicarnassus. Alex. de Gr. legde macedonische bezetting op Rhodus,
doch na zijn dood maakte het zich vrij. Vruchteloos poogde Demetrius
Poliorcetes de stad in te nemen (304), z. Protogenes. Later waren de
Rhodiërs in den macedonischen, den syrischen en den mithradatischen
oorlog bondgenooten der Rom., en bewezen door hunne voortreffelijke
zeemacht uitstekende diensten. In 168 werden ze echter bestraft voor
hunne sympathie voor Macedonia; ze verloren een groot gedeelte van
hun gebied op het vasteland (zie Lycia), en werden afhankelijk
van Rome. Buiten de rom. burgeroorlogen konden zij zich niet
houden, zij kozen partij voor Caesar en moesten dit na zijn dood
door Cassius ontgelden. Sedert waren zij nu eens vrij, dan weder
ingelijfd, totdat onder Vespasianus de vrijheid voor goed verloren
ging. Omstreeks 400 na C. was Rhodus de hoofdstad der provincia
insularum, die 53 eilanden omvatte. De stad Rhodus, met twee havens,
lag amphitheatersgewijze tegen de bergen gebouwd. Zij was, even
goed als Athene, eene kweekschool van kunst en wetenschap. Vooral
beeldhouwkunst en redekunst bloeiden er, beide kenmerkten zich
door het streven naar effekt. De rhodische rhetorenschool hield
het midden tusschen aziatische gezwollenheid en attischen eenvoud;
haar stichter was de redenaar Aeschines, die, toen hij Athene moest
verlaten, zich te Rhodus vestigde. Het genus Rhodium viel over het
algemeen in den smaak der Rom. Aan beelden was Rhodus rijk, maar
vooral aan groote beelden. Het grootste was dat van Helius, aan wien
het eiland geheiligd was. Het stond naast den ingang der haven en was
meer dan 30 meter hoog; slechts weinigen konden de duimen omvatten. In
de eene, uitgestrekte hand droeg het een vuurbekken, dat des avonds
werd aangestoken. De maker was Chares van Lindus z.a. no. 2. In 278
opgericht, werd het in 222 door eene hevige aardbeving, die bijna
de geheele stad verwoestte, omvergeworpen. Het orakel verbood, het
beeld weder op te richten. Bijna negen eeuwen bleef het aan stukken
liggen, totdat het in 672 na C. verkocht werd en op 300 kameelen
weggevoerd. Eene andere hevige aardbeving, die aan den bloei van
Rhodus den genadeslag toebracht, was die van 155 na C.
Rhoecus, Rhoikos, van Samus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester,
die het gieten van metalen beelden uitvond. Hij begon omstreeks 550
het bouwen van den tempel van Hera op Samus, die echter eerst door
lateren voltooid is.
Rhoeteum, Rhoiteion, rotsachtige kuststreek van Troas, in verschillende
kapen uitloopende, aan het Z.W. einde van den Hellespont, met eene
gelijknamige stad. Rhoeteius ductor = Aeneas.
Rhoetus, Rhoitos, 1) of Rhoecus, een Centaur.--2) = Eurytus no. 5.
Rhosus, Rhosos, Rhossos, zeestad van Syria aan de golf van Issus.
Rhoxolani = Roxolani.
Rhyndacus, Rhyndakos, groote rivier in Vóór-Azië, die op de zuidelijke
helling van den mysischen Olympus ontspringt en, met den Macestus
vereenigd, in de Propontis (zee v. Marmara) valt.
Rhypes, Rhypes, oude achaeïsche bondstad tusschen Patrae (Patras)
en Aegium, door Augustus verwoest, die de inwoners naar Patrae
verplaatste.
Rhytium, Rhytion, oude stad ergens in het Z. van Creta.
Rica, vierkante doek met franje, door de rom. vrouwen bij sommige
plechtigheden als sluier over het hoofd gedragen, doch niet zóó,
dat het gelaat bedekt was.
Ricimer, zoon van een suebisch aanvoerder, was aan het hof van keizer
Valentinianus III opgevoed. Als keizerlijk veldheer versloeg hij de
Vandalen, Alanen, Westgothen, en kreeg zooveel macht, dat hij over
den troon beschikte en keizers van het westersche rijk afzette en
aanstelde. Wij geven hier eene korte chronologische opgaaf.
455. Valentinianus III vermoord, evenzoo zijn moordenaar Petronius
Maximus. Flavius Maecius Avitus wordt in Gallië tot keizer uitgeroepen.
456. Ricimer zet Avitus af en stelt Maiorianus aan.
461. R. zet Maiorianus af en stelt Libius Severus aan, die in 465
sterft. Twee jaren zonder keizer.
467. Keizer Leo I v. het. oost-rom. rijk en Ricimer stellen Procopius
Anthemius tot keizer aan.
472. Ricimer trekt tegen Anthemius op, belegert en verovert Rome en
plaatst Anicius Olybrius op den troon.
473. Dood van Ricimer en van Olybrius. Glycerius wordt keizer.
Ricinium, ook rec., vierkante doek, die dubbel gevouwen en over het
hoofd en om de schouders geslagen werd, vooral als rouwgewaad.
Rigodulum, stad der Treviri aan de Mosella (Moezel).
Ripaei montes = Rhipaei montes.
Ripuarii (Riparii), de Ripuarische of Oever-Franken, die hun naam
ontleenen aan de Ripa Rheni, den linker oever van den Rijn, vooral
de streek tusschen Rijn en Maas. De Franken, die hier en aan de
overzijde van den Rijn wonen, worden in de 6de eeuw n. C. zóó genoemd
ter onderscheiding van de Salische of Nederfranken (zie Salii).
Riti, Rheitoi, kleine zoutmeertjes aan den heiligen weg van Athene
naar Eleusis.
Robigus, een god, die het koren tegen roest beschermde, en wien ter
eere jaarlijks den 25sten April de Robigalia gevierd werden. Bij
Ovidius komt ook eene godin Robigo voor.
Robur, de met zwaar eikenhout beslagen ondergrondsche verdieping van
den rom. kerker. Zie carcer.
Rogatio, wetsvoorstel, dat nog niet tot wet is verheven.
Roma, Rhome, de bekende stad aan den Tiber, de hoofdstad van het
rom. rijk. Of tot de bevolking oudtijds nog andere stammen hebben
behoord dan de Latijnen, is niet bekend; uit de sage omtrent den
sabijnschen maagdenroof (zie Romulus), en uit het bestaan van
sabijnsche eerediensten in Rome b.v. van Sancus, heeft men gemeend
te moeten opmaken, dat Sabijnen, op den Quirinalis wonende (zie
Capitolinus (mons)), tot de stichting hebben medegewerkt. Dit alles
is zeer onzeker. De bevolking heet Quirites (z. a.) of populus Romanus
Quirites. De oudste nederzetting vond men op den Palatinus (z. a.) en
de Velia. De eerste uitbreiding wordt gewoonlijk aangeduid met den
naam Septimontium; naast de drie oudere: Palatinus, Cermalus, Velia,
behooren hiertoe de montes: Fagutal, Oppius, Cispius en Caelius. Voor
de stad der vier regiones: Palatina, Suburana, Esquilina, Collina,
komen er dan nog bij: de Quirinalis met zijn uitlooper collis Latiaris,
de Viminalis, en de laagte Argiletum. Tevens wordt tusschen de bergen
het forum aangelegd, en de mons Capitolinus wordt arx en zetel van
den tempel van Jupiter Capitolinus. De agger Servii Tullii (zie
Servius Tullius) omvatte behalve de genoemde streken ook nog den
mons Aventinus. Zie ook pomerium. In de vallei tusschen Aventinus
en Palatinus, die wel eens vallis Murcia genoemd wordt, werd het
Circus Maximus (z. a.) aangelegd. Aan de overzijde van den Tiber lag
de mons Ianiculus, waarop een burcht lag, doch dit gedeelte ging in
den oorlog met Porsena voor een wijl verloren.--Na den gallischen
brand in 390 werd de stad ordeloos en onregelmatig herbouwd, zoodat
zij geen fraai aanzien had. Van de inwendig zoo prachtige huizen
der rijken zag men niets, daar zij ombouwd waren met winkels (zie
domus), die de straten vernauwden. Het was bij het drukke verkeer een
maatregel van veiligheid, dat men niet in een rijtuig door de straten
mocht rijden. De stad breidde zich uit buiten den muur van Servius,
en toen onder Sulla en later bij herhaling het pomerium werd verlegd
en buitenwijken binnen den kring der stad werden getrokken, ging de
muur op verscheiden plaatsen geheel verloren. Trouwens, een muur was
onnoodig geworden; welke vijand kon Rome aanvallen? Augustus verdeelde
de stad in veertien regiones. Na den grooten brand onder Nero (64 na
C.) werd Rome met zorg herbouwd, met ruime, breede straten. Latere
keizers brachten het hunne tot verfraaiing bij; Aurelianus (270-275
na C.) omringde de stad opnieuw met een vestingmuur, die nu ook den
mons Pincius, den Campus Martius en over den Tiber den Ianiculus
omvatte. Onder de keizers was Rome een groot kunstmuseum met tal van
tempels, zegebogen, zuilengangen, prachtige badhuizen, openbare pleinen
en honderden standbeelden, uit Azië en Griekenland overgebracht. Bij
één triumftocht o.a. die van M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11)
over de Aetoliërs in 187, waren meer dan 500 marmeren en metalen
standbeelden uit Griekenland naar Rome medegevoerd. Alleen standbeelden
van paarden kon men te Rome meer dan 200 zien. Er waren 31 openbare
bibliotheken, 8 of 9 circussen, 2 amphitheaters, 3 theaters, 15 of 16
thermen, 19 basilieken enz. Door verschillende waterleidingen werd
Rome van water voorzien. De veertien regiones waren de volgende: 1)
Porta Capena, de zuid-oostelijkste.--2) Caelimontium, met het macellum
magnum.--3) Isis et Serapis, naar den tempel dezer godheden genoemd,
met het groote amphitheatrum (z.a.) Flavium, de thermae (z. a.) van
Titus en van Traianus.--4) Templum Pacis met het forum (z. a.) Pacis,
door Vespasianus aangelegd, en den tempel van Venus en Roma.--5)
Esquiliae, met het park van Maecenas.--6) Alta Semita (= Hoogstraat),
met de thermen van Diocletianus en die van Constantijn en de groote
castra praetoria (z. a.).--7) Via Lata (= Breêstraat), met de parken
van Sallustius en van Lucullus en den tempel van Flora.--8) Forum
Romanum, met het Capitolium (z. a.), comitium, verschillende tempels
en basilicae, oudtijds de curia Hostilia (z. a.), de rostra (z. a.),
de Regia (z. a.) en met nog een aantal andere fora (zie forum).--9)
Circus Flaminius. Deze regio omvatte den campus Martius (z. a.), met
de thermen en het Pantheon (z. a.) van Agrippa, de thermen van Nero,
het theatrum (z. a.) van Balbus met 30000, dat van Marcellus, ook
met 30000, dat van Pompeius met 40000 plaatsen,--de porticus Pompei
en de curia Pompei, waar Caesar den dood vond, de villa publica der
censoren, het Mausoleum Augusti, het amphitheater van Statilius
Taurus, een aantal tempels enz.--10) Palatium, eerst eene minder
aanzienlijke, oude wijk, sedert Augustus de wijk der paleizen. Zie
Palatinus (mons). Op den berg stonden een beroemde Apollo-tempel en
een der Magna Mater.--11) Circus Maximus, naar den grooten circus
genoemd.--12) Piscina publica, met de thermen van Caracalla.--13)
Aventinus, met den Diana-tempel, eene Tiberkade, losplaats voor de
schepen (emporium) en groote korenmagazijnen.--14) Trans Tiberim,
met de tuinen van Caesar, waarin Augustus eene naumachia bouwde. Tot
deze regio behoorde ook de insula Tiberina met tempels van Veiovis,
Faunus en Aesculapius.--Buiten den muur lag de mons Vaticanus; aan
den Tiberoever juist over den pons Aelius verhief zich het mausoleum
Hadriani (z. a.). Zeven bruggen voerden over den Tiber, waarvan de
pons sublicius, eene houten paalbrug, de oudste was. De muur van
Aurelianus was ruim drie uren gaans in omtrek. De bevolking van Rome
ten tijde van Augustus wordt op ongeveer 1 1/2 millioen geschat.
Roma quadrata, zie Palatinus (mons).
Romani (ludi), ook magni en maximi geheeten, aan Jupiter, Juno
en Minerva gewijd. Zij werden van 4 tot 19 September gevierd met
wedrennen in den circus en met tooneelvertooningen. Zie Ludi.
Romilii, oud patricisch geslacht. T. Romilius Rocus Vaticanus, consul
in 455, versloeg de Aequers, doch werd wegens het verkoopen van den
buit met geldboete gestraft. Hij verbeurde echter de volksgunst niet
en was later een der tienmannen (451).
Romulea, oude stad der Hirpini in Samnium, ten O. van Beneventum,
door de Rom. verwoest.