Quaestor, tamias. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesitor,

welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een

gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen

quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord,

maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te

zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds

vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden,

en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia

tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421

werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan

twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in

den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht,

waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door

Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores

urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke

provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder

en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum

pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den

stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens

was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie,

evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii

waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van

niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak

uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten

behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der

quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel,

werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten

geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat,

uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden

de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de

inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten

(bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie

verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de

zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard

der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van

vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar

de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de

primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk

jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest

tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was

de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de

vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de

magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting

in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December.

Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis.

Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste

der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens

ressort wetgeving en justitie behoorden.

Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra.

Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond

men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk

met bovenstaanden naam worden aangeduid.--2) Quattuorviri viis in urbe

purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de

reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den

kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog

in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri

(vigintiviri).--3) Zie praefecti Capuam Cumas.

Quinarius, rom. zilveren munt = 1/2 denarius, ter waarde van 5,

later van 8 as.

Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolinus Barbatus,

een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij

herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.--2)

L. Quinctius Cincinnatus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na

afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd

in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul

L. Minucius Esquilinus Augurinus te ontzetten. In 16 dagen tijds had

hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden,

waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne

hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal

tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door

of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door

den magister equitum C. Servilius Ahala omgebracht. Zie hieromtrent

Maelii no. 1.--3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een

rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had,

doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn

ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij

den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een

aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in

ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.--4)

T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.--5)

T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384,

veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen

andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.--6)

T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispinus was in 361 dictator tegen

de Galliërs.--7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en

212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als

consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een

hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.--8) T. Quinctius

Flamininus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208)

en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul

versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae,

waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij

verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta,

regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een

driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem

in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te

eischen.--9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197

zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor

M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.--In lateren tijd vindt men

eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.--10) P. Quintius, voor

wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).--11)

L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul

L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius

tegen Cicero optrad.--12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den

oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula

om.--13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae

(z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over.

Quinctilianus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in

zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven

werd.

Quinctilii, zie Quintilii.

Quinctilis, oude naam voor Juli (zie annus).

Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae =

5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes

gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar

droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten

of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur.

. . . . . .

. . . . .

. . . . . .

. . . . .

. . . . . .

Opstelling in quincuncem

Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri

sacrorum.--2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het

getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen

veel meer voor.

Quinquatrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome

van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars

en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en

scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden

aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en

vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden

voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd

(tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden

daarentegen de fluitspelers de hoofdrol.

Quinquennales (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie

overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome

overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium.

Quinqaertium = Pentathlum.

Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande,

b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri

mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele

crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en

C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri

tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten

verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia),

doch toen onder beheer van IIIviri.

Quintana (via), zie castra.

Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten

tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest

gebruikelijke.

Quintilianus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania,

omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te

Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in

de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang

vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C.,

schonk keizer Domitianus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef

hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een

volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk

van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes

zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht.

Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor,

streed in 203 in Gallia Cisalpina zegevierend tegen Hannibals broeder

Mago.--2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog

met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam

hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.--3) P. Quintilius

Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder

van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn

onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak,

dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer

Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9

na C.).--4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius

en Horatius, stierf in 23.--5) Onder de keizers Marcus Aurelius en

Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de

Germanen streden. Commodus bracht hen om.

Quintus, Kointos, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch

gedicht in 14 zangen, ta meth' Homeron, bevattende de geschiedenis van

den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig

en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde

vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift

van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd.

Quirinalia, een feest ter eere van Quirinus, dat op den 17 Februari

te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia.

Quirinalis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma.

Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21.

Quirinus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis

overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid

was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk

wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen

Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinalis,

terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en

door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door

Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Janus (z. a.).

Quirites. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben

hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van

een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis

zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus

Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing,

dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam

vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten,

dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te

zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar

sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten

was saamgesteld.

R.

Rabirii. 1) C. Rabirius, bejaard rom. senator, werd in 63 door den

volkstribuun T. Labienus van hoogverraad (perduellio) beschuldigd, als

medeplichtig aan den moord op den volkstribuun L. Appuleius Saturninus

in het jaar 100. Het proces werd gevoerd voor het oude hof der duumviri

perduellionis; Rabirius werd ter dood veroordeeld, doch beriep zich op

het volk. Hij werd door de redenaars Hortensius en Cicero verdedigd,

doch zou vermoedelijk, uit wrok tegen den senaat, ook door de comitiën

veroordeeld zijn, indien niet de praetor Q. Metellus Celer de roode

vaan (vexillum russeum) van den Janiculus had doen wegnemen tengevolge

waarvan de volksvergadering moest uiteengaan. De aanklacht werd echter

niet weder opgevat.--2) C. Rabirius Postumus, zoon van C. Curtius,

neef en aangenomen zoon van no. 1, rom. ridder, was in Aegypte in

dienst van koning Ptolemaeus XI Auletes geweest. A. Gabinius was in 54

beschuldigd en veroordeeld, op grond dat hij, als stadhouder van Syria,

zich door den in een opstand verdreven koning voor 10000 talenten had

laten omkoopen om hem op den troon van Aegypte te herstellen. Daar uit

de bezittingen van Gabinius de boete, die gelijk was aan de ontvangen

som, niet kon gevonden worden, werd Rabirius, die ook een deel van het

geld had ontvangen, aangesproken voor het tekort. Schoon Cicero als

verdediger van Gabinius, nu ook voor Rabirius pleitte, werd deze toch

veroordeeld en ging in ballingschap. Zijn verblijf te Alexandrië was

alles behalve vlekkeloos geweest. Later diende hij onder Caesar.--3)

C. Rabirius, episch dichter van naam onder Augustus, bezong den slag

bij Actium.

Racilius (L.), volkstribuun in 58, trok tegen P. Clodius voor Cicero

partij.

Racotis, Rhakotis, oud vlek in Aegypte, dat bij de stichting van

Alexandrië in den kring dezer stad werd getrokken en er eene wijk

van werd.

Raeda, zie rheda.

Raetia, Rhaitia, welke spelling boven Rhaetia wordt verkozen, strekte,

met het noordelijker Vindelicia vereenigd, zich uit van de Alpen tot

aan den Donau en van den Rijn tot den Aenus (Inn). De oude Raeti werden

voor stamverwanten der Etruscers gehouden, door keltische stammen

teruggedrongen. Ten tijde van Augustus (15 voor Chr.) en niet dan

na een hevigen strijd, werden de woeste bergbewoners door Drusus en

Tiberius met de Vindelici tot onderwerping gebracht, en met de reeds

vroeger onderworpen Vallis Poenina vereenigd tot een nieuwe provincie

Raetia et Vindelicia. Er waren weinig steden. Tridentum (Trente)

(z. a.) was oorspronkelijk een raetische stad, maar kwam later aan

de keltische Cenomanes. Raetia en Vindelicia vormden de westelijkste

rom. Donauprovincie; de Vindelici zijn Kelten, de Raeti niet.

Rambacia = Rhambacia.

Ramnes of Ramnenses, eene der drie oude stamtribus van Rome,

z. echter Tities.

Raphia, Rhapheia, -ia, havenstad van Palaestina ten Z. W. van Gaza.

Rase(n)na, Rhasenna, naam die de Etruscers zichzelf geven.

Ratiaria, stad aan den Donau in Moesia Superior, later hoofdstad van

Dacia Ripensis.

Ratomagus = Rotomagus.

Raudii campi = Campi Raudii.

Rauraci of Raurici, Rhaurakoi, volk in Gallia Transalpina, naburen der

Helvetiërs, met wie 25000 hunner medetrokken bij hun verhuizingstocht

tijdens Caesars aankomst in Gallia. Ze woonden in de omstreken van

Basel. Hoofdplaats: Augusta Rauracorum = Augst bij Basel.

Ravenna, Rhabenna, stad nabij de Adriatische zee ten Z. van den Padus

(Po) in Gallia Cisalpina. Het lag te midden eener moerassige streek

en had gebrek aan drinkbaar water, daarom werd van de bewoners gezegd:

sitiunt vivi, natant sepulti. De stad was met grachten doorsneden. Haar

bloei dagteekent van den tijd, dat Augustus ze tot het station maakte

van de vloot der Adriatische zee en hiervoor eene groote haven liet

aanleggen (± 22). Reeds door hare ligging sterk, werd Ravenna nu

eene vesting van den eersten rang. Daarom verlegde keizer Honorius

zijne residentie hierheen en dit bleef zoo ook onder de volgende

keizers, en na den val van het west-rom. rijk ook onder Odoacer en

de oostgotische koningen.

Rea Silvia, ook Ilia genoemd, dochter van Numitor, werd door haar

oom Amulius aan den dienst van Vesta gewijd, opdat zij kinderloos

zou sterven. Toen zij moeder van Romulus en Remus was geworden,

werd zij v. s. levend begraven, v. a. gevangen gezet, maar na den

dood van Amulius bevrijd, of wel in den Tiber geworpen en door den

stroomgod tot echtgenoote genomen.

Reate, Rheaton, -ate, oude stad der Aborigines in Midden-Italië, later

door de Sabijnen vermeesterd en tot hunne hoofdplaats gemaakt. Zij lag

aan de via Salaria in eene uiterst liefelijke vallei. Zie verder Avens.

Rebilus, familienaam in de gens Caninia.

Recitationes. Tijdens Augustus won de gewoonte veld, dat schrijvers,

alvorens hunne geschriften uit te geven, voor een kleiner of grooter

publiek gedeelten daarvan voorlazen, eensdeels om het oordeel der

hoorders te vernemen, anderdeels om aan de uitgaaf meer openbaarheid

te geven.

Recognitio equitum, zie Equites.

Recuperatores. Oorspronkelijk was dit de naam van een college van

rechters, om na een oorlog te beslissen over teruggaaf van veroverd

goed. Het was dan uit mannen van beide volken (Rom. en peregrini)

saamgesteld. Allengs werd deze vorm ook te Rome ingevoerd bij processen

tusschen Rom. en peregrini, en tusschen peregrini onderling. Daar

deze gedingen altijd in korten termijn (binnen 10 dagen) moesten

afloopen, namen de Rom. onderling ook meermalen hunne toevlucht tot

zulk een hof van arbiters, b.v. in zaken van schuldvordering. Ook

voor aanklachten tegen stadhouders wegens afpersingen werd wel van

recuperatores gebruik gemaakt, het eerst in 171 bij het proces tegen

P. Furius Philus, stadhouder van Lusitania. De iudices recuperatores

werden telkens ten getale van 3 of 5 door den praetor aangewezen. Onder

de keizers kreeg deze instelling steeds grooter uitgebreidheid.

Rediculus Tutanus Deus, een god, die voor de Porta Capena te Rome een

tempel had; hij had, naar men zeide, toen Hannibal op Rome aanrukte,

hem door verschrikkelijke visioenen tot den terugtocht genoodzaakt.

Redones, gallisch volk in het tegenw. Bretagne. Hoofdstad: Condate,

thans Rennes.

Redux, bijnaam van Fortuna, als de godin, die legers en veldheeren

behouden uit den strijd terugbrengt.

Regia, het oude koninklijk paleis van Numa, later de ambtswoning van

den pontifex maximus, aan het forum naast den Vestatempel gelegen.

Regifugium. Het schijnt dat op den 24ste van sommige maanden door den

rex sacrificus op het comitium te Rome een offer werd gebracht. Op

den 24sten Februari, den gedenkdag van de verdrijving der koningen,

moest hij na dit offer zich in allerijl naar huis spoeden. In verband

hiermede heeft men de letters Q. REX C. F. in den rom. kalender wel

verklaard: quando rex comitium fugit. Deze letters behooren echter bij

den 24 Maart en den 24 Mei. Waarschijnlijker is dus de verklaring:

quando rex comitiavit fas of fastus, d. w. z. dat die dagen eerst

dan fasti waren, wanneer het offer van den rex op het comitium was

afgeloopen en hijzelf naar huis was gegaan.

Regillensis, familienaam in de gens Postumia (Postumii no. 2, 3, 5, 6).

Regillum, plaatsje in den ager Sabinus, waaruit de gens Claudia

stamde. Ligging onbekend.

Regillus lacus, meer in Latium, ten O. van Rome, tusschen Gabii en

Lavicum, bekend door de overwinning der Rom. op de Latijnen in 498

of 493.

Regimen morum, zie Censor.

Regium flumen, basileios potamos, basileia dioryx, Nahar Malcha, thans

nog Nahr el Malk, het grootste verbindingskanaal tusschen den Euphraat

en den Tigris, waarvan de bouw aan Nebukadrezar wordt toegeschreven.

Regium Lepidi, ook forum Lepidi genoemd, stad in Gallia Cispadana,

rom. kolonie, thans Reggio d'Emilia. Zie ook Rhegium.

Regulus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 2-6).

Relegatio, zie deportatio.

Remi, Rhemoi, machtig gallisch volk in het Z. van Belgica, met de

steden Durocortorum (Rheims) en Durocatalaunum (Châlons-sur-Marne).

Remmia (lex), zie Calumnia.

Remulus, een Rutuliër, zwager van Turnus, die tegen Aeneas en de

Trojanen geweldig op zijne dapperheid snoefde, maar door Ascanius

gedood werd.

Remuria = Lemuria, z. Lemures.

Remus, zie Romulus.

Repetundae, scil. pecuniae, gelden, die wederrechtelijk, b. v. door

afpersing, verkregen waren en waarvan dus de teruggaaf geëischt moest

worden. In het bijzonder was crimen repetundarum de beschuldiging

van afpersing en knevelarij, tegen den stadhouder eener provincie

ingebracht. Voor deze misdaad werd door de lex Calpurnia in 149 de

eerste quaestio perpetua ingesteld.

Repotia, gen. -orum, nabruiloft, door den pas gehuwden echtgenoot

daags na de nuptiae gegeven.

Repudium, echtscheiding, wanneer zij van ééne zijde kwam, dus wanneer

de man zijne vrouw verstiet. In lateren tijd kon repudium ook van de

zijde der vrouw plaats vinden. Zie divortium.

Resaina, Rhesaina, Rhesina, stad in het mesopotamische gewest Osroene,

nabij de bronnen van den Chaboras, later Theodosiopolis.

Rescriptum, schriftelijk antwoord des keizers op vragen betreffende

twijfelachtige of betwistbare rechtspunten, waarin hij de rechtsgronden

aangaf, waarnaar eene zaak moest beoordeeld en behandeld worden.

Residuae, scil. pecuniae, achterhouding van gelden, aan de schatkist

verschuldigd.

Restitutio in integrum, herstel in den vorigen toestand, kon plaats

hebben door den praetor. Het vonnis werd hierdoor niet vernietigd,

maar de gevolgen er van werden opgeheven. Dit gold echter slechts

voor civiele zaken. Wanneer iemand aqua et igni interdictus was, kon

hij alleen door de volksvergadering teruggeroepen en in zijne rechten

hersteld worden. In de burgeroorlogen matigden zij, die de macht in

handen hadden, zich dikwerf dit recht aan, en onder de keizers werd

het een keizerlijk recht, waaruit zich spoedig het begrip van gratie

(indulgentia) ontwikkelde. Eene andere rest. in int. vond plaats,

wanneer eene censorische bestraffing door volgende censoren werd

opgeheven.

Retiarius, een zwaardvechter, gewapend met een drietand en een net,

dat hij zijne tegenpartij over het hoofd trachtte te werpen, om hem

door inwikkeling weerloos te maken.

Reudigni, volk in het N. van Germania, op den rechteroever van den

Albis, een van de kleine volkeren, die de godin Nerthus vereeren.

Rex, familienaam, vooral in de gens Marcia (Marcii no. 4 en 5).

Rex, de koning. Na de verdrijving der koningen behield dit woord bij

de Rom. eene hatelijke beteekenis, met een begrip van den meester

te willen spelen. Rex heet ook de rijke Romein tegenover zijne

cliënten (z.a.). De rom. senaat verleende ook somtijds dezen titel

aan vreemde vorsten, zooals aan Deiotarus. In dit geval staat rex

vóór den eigennaam.--Rex bibendi of convivii is de president bij het

drinkgelag, zie arbiter bibendi.

Rex sacrorum, sacrificus of sacrificulus. Na de verdrijving der

koningen werd voor het verrichten der offers, die de koning te

brengen had, onder bovenstaanden titel een priesterambt in het leven

geroepen. De rex sacrorum werd voor zijn leven gekozen door den

pontifex maximus; hij genoot groote eer, doch was voor altijd van

alle burgerlijke ambten uitgesloten. In rang was hij de eerste van

de priesterschap, toch was hij ondergeschikt aan den lager staanden

pontifex maximus. Zijne vrouw, met wie hij per confarreationem moest

gehuwd zijn, heette regina sacrorum en had ook offers te verrichten.

Rha, Rha, rivier in Sarmatia, thans Wolga.

Rhacius, Rhakios, z. Manto.

Rhadamanthys, -thus, Rhadamanthys, -thos, zoon van Zeus en Europa,

werd door zijn broeder Minos van Creta verjaagd, en ging naar Ocalea

in Boeotië, waar hij met Alcmene trouwde. Toen zijn leven op aarde

geëindigd was, werd hij naar het Elysium verplaatst. Bij lateren is

hij een van de rechters in de onderwereld.

Rhaetia = Raetia.

Rhagae, Rhagai, aanzienlijke stad in het N. van Media. Nadat het door

eene aardbeving verwoest was, liet Seleucus Nicator het herbouwen onder

den naam van Europus. In de parthische oorlogen werd het verwoest,

en op of nabij de plek verrees Arsacia.

Rhambacia, Rhambakia, stad der Oriten aan de kust van het perzische

landschap Gedrosia. Alexander de Gr. legde er eene kolonie aan.

Rhamnus, Rhamnous, demus in het N. van Attica, aan de Oostkust op

eene landtong, met een tempel van Nemesis Rhamnusia. Een oudere tempel

van Themis werd waarschijnlijk door de Perzen verwoest.

Rhamnusia virgo, Rhamnousia, he en Rhamnounti thea, Nemesis, zoo

genoemd naar haar beroemd beeld in den demus Rhamnus.

Rhamphias, Rhamphias, Spartaan, die vóór den peloponnesischen oorlog

als gezant met Athene onderhandelde en in dien oorlog een leger in

Thessalië aanvoerde.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 118 / 150 段