Publilius Volero had in 473 twisten met de consuls gehad en zich
vruchteloos om hulp tot de volkstribunen gewend, die de consuls
niet durfden of wilden weerstreven. Immers was kort geleden een der
volkstribunen, Cn. Genucius, door sluipmoord omgebracht. In 472 werd
Volero tot volkstribuun gekozen, en stelde toen aan het volk zijne lex
Publilia voor (z. a.). De tegenpartij wist de zaak op de lange baan
te schuiven, doch Volero werd voor 471 herkozen en de wet ging door,
na heftige tooneelen, waarbij het tusschen Volero en een der consuls
bijna tot handtastelijkheden kwam.--Ten gevolge van deze wet werden er
in dit jaar 4 tribuni plebis gekozen. Zie Tribuni plebis. Wat omtrent
Publilius Volero zelf verteld wordt, lijkt niet zeer geloofwaardig te
zijn.--2) Q. Publilius Philo (zie leges Publiliae), was in 339 consul
en werd door zijn ambtgenoot tot dictator in den latijnschen oorlog
benoemd; in 337 was hij de eerste plebejische praetor, in 332 censor,
in 327, 320 en 315 weder consul. Publilius Philo was ook de eerste
consul, aan wien het volk op verzoek van den senaat, na afloop van
den ambtstijd, het imperium liet behouden met den titel pro consule
(326). Hij streed roemrijk tegen de Samnieten.--3) Publilia was
de naam van Cicero's tweede vrouw. Zij was met haar veel ouderen
echtgenoot niet gelukkig en het kwam tot eene scheiding (45). Haar
broeder Publilius en Cicero's vriend T. Pomponius Atticus regelden
daarbij de geldzaken.
Publilius Syrus, een vrij gelaten slaaf, uit Syrië geboortig,
tijdgenoot van Cicero, schreef mimen, die zeer gewild waren, en
waaruit nog eene verzameling spreuken overig is. Hij trad zelf ook
op als mimus, zie Laberii.
Pudicitia, personificatie der kuischheid. Zij werd door patricische
vrouwen in een tempel aan het Forum Boarium vereerd, maar toen
de patricische Virginia van den dienst van P. werd uitgesloten,
omdat zij met een plebejer gehuwd was, richtte zij een afzonderlijk
heiligdom voor P. ten dienste der plebejische vrouwen op (296). Van
toen af onderscheidde men eene P. patricia en eene P. plebeia.
Pugilatus, het vuistgevecht, dat tot de gymnastische wedstrijden
behoorde en overeenkomst had met het engelsche boksen, met dit verschil
evenwel, dat de ouden zich daarbij van den caestus bedienden (z. a.).
Pylagorai, z. Amphictyones.
Pylartes, die de poorten (der onderwereld) gesloten houdt, bijnaam
van Hades.
Pulcher, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 7-10, 12-17).
Pulchrum promunturium, zie Apollinis promunturium.
Pulvinar, het kussen, ook de sofa, waarop de beelden der goden rustten
bij een lectisternium (z.a.). Later werd het woord ook gebezigd
voor rustbanken en zitplaatsen van hooggeplaatste personen. Zoo werd
b.v. de keizerlijke loge in den circus en het amphitheater ook wel
Pulvinar genoemd.
Punische oorlogen worden de drie oorlogen genoemd, die Rome met
Carthago voerde, en waarvan de eerste (264-241) met den afstand van
het carthaagsche deel van Sicilia, de tweede (218-202) met Hannibal's
nederlaag en Carthago's vernedering, de derde (149-146) met Carthago's
ondergang eindigde.
Pupienius Maximus (M. Clodius), een handwerkerszoon, die van
soldaat tot de hoogste ambten opklom en zich een uitstekend generaal
betoonde. In 238 na C. werden hij en Balbinus (z.a.) door den senaat
tot keizers uitgeroepen, doch door de praetorianen, wien deze keus
niet beviel, vermoord.
Pupia (lex), onzeker van welken tijd. Zij verbood senaatszittingen
te houden op dagen, voor de comitiën bestemd, alsmede in de maand
Februari, behalve tot het verleenen van audiëntie aan gezantschappen.
Pupii, een plebejisch geslacht. Bij Horatius wordt een dichter
Pupius bespot als maker van lacrimosa poëmata.--M. Pupius Piso Frugi
Calpurnianus, z. Calpurnii no. 5.
Pupinius ager, Pupinia, dorre streek van Latium, ten O. van Rome,
in de nabijheid van het gebied van Tusculum. Het is het gebied der
oude tribus Pupinia.
Pura, Poura (= stad), hoofdstad van het perzische gewest Gedrosia.
Pyromanteia, het voorspellen van de toekomst uit het branden van
een offervuur, eene kunst, die, naar men beweerde, door Amphiaraus
was uitgevonden.
Pyrriche, een bij fluitspel uitgevoerde dans, een soort ballet, waarbij
de dansers gewapend zijn en de bewegingen van strijders nabootsen. De
Cureten, de Dioscuren, Dionysus of Athena worden als de uitvinders
er van genoemd. De pyrr. werd te Sparta bij de Gymnopaedia, te Athene
bij de Panathenaea uitgevoerd, te Rome werden in den keizertijd door
knapen dergelijke vertooningen gegeven.
Puteal, zie Bidental.
Puteoli, Pouteoloi, vroeger Dicaearchia geheeten, haven van Cumae,
in 528 aan de golf van Cumae (golf v. Napels) door inwoners van Samos
gesticht, welke golf later ook wel sinus Puteolanus werd genoemd. De
stad kwam in 421 in handen der Samnieten, in 318 (v. a. in 338) werd
ze romeinsch. In 194 werd ze rom. kolonie en kreeg haren naam naar
de minerale bronnen in den omtrek, hetzij dan van putere wegens den
stank der zwavelbronnen, hetzij van puteal. Een in zee uitgebouwde
dam vormde eene ruime haven terwijl de kust met prachtige villa's was
bebouwd. Cicero had hier een landgoed, zijn Puteolanum, waar hij zijne
Quaestiones academicae schreef, ook Lucullus had hier eene villa en
keizer Hadrianus werd er begraven. In 410 na C. werd P. door Alarik
verwoest, in 455 door den Vandaal Genserik, in 545 door de Gothen
onder Totilas, doch telkens werd het herbouwd en heet thans Pozzuoli.
Pyanepsia, Pyanepsia, een feest, den 7den Pyanepsion te Athene gevierd
ter eere van Apollo en Athena, later ook ter gedachtenis aan Theseus,
een soort afscheid van den zomer. Het ontleende zijn naam aan het
koken en eten van een gerecht van boonen en andere peulvruchten. Zie
ook eiresione.
Pyanepsion, Pyanepsion, 4de maand van het Attische jaar (Oct.-Nov.),
z. Annus.
Pydna, Pydna, stad in Macedonia, in het landschap Pieria, nabij de
golf van Thermae. Philippus van Mac. maakte er een sterke vesting
van. Bij Pydna werd koning Perseus in 168 door L. Aemilius Paullus
(Aemilii no. 10) verslagen.
Pygela, Pygela, later Phygela, stadje aan de aziatisch-ionische kust,
even ten Z. van Ephesus, met een Artemistempel.
Pygmaei, Pygmaioi, zoo groot als een vuist, een volk van dwergen,
wier land men aan de kusten van den Oceaan, aan de bronnen van den
Nijl, in Indië of het hooge Noorden plaatste, maar wier bestaan
door de ouden reeds geloochend werd, terwijl weder sommige nieuwere
reizigers gelooven hen terug te vinden in een afrikaansch volk van
kleine menschen nabij den evenaar. Volgens Homerus e. a. dichters
trekken de kraanvogels jaarlijks uit om hunne korenvelden te plunderen
en kunnen de P. zich slechts met moeite tegen deze vijanden verdedigen.
Pygmalion, Pygmalion, 1) z. Dido.--2) koning van Cyprus, werd verliefd
op een door hemzelf gemaakt ivoren vrouwebeeld; op zijn gebed bezielde
Aphrodite het beeld, waarna P. met de zoo geschapen vrouw huwde en
bij haar vader werd van Paphus.
Pylades, Pylades, 1) zoon van Strophius, neef en getrouw vriend van
Orestes (z. a.), met wiens zuster Electra hij huwde.--2) beroemd
balletdanser (pantomimus) onder Augustus, door wien hij om zijn
overmoedig gedrag tegenover het publiek uit Italië verbannen werd.
Pylae, Pylai (= poorten), naam van verschillende bergpassen. Zonder
adjectief = Thermopylae.
Pylene, Pylene, oude stad in Aetolia, later Proschium.
Pylus, Pylos, 1) stadje in Elis aan den Peneus.--2) stad in het
eleïsche gewest Triphylia, eenmaal de zetel van den grijzen Nestor.--3)
stad op de Westkust van Messenia, in den peloponnesischen oorlog
bekend door de blokkade van het nabijgelegen eiland Sphacteria
(426). Door de ligging van dit eiland had Pylus eene der schoonste
havens van Griekenland, thans de baai van Navarino genoemd.
Pyracmon, een Cycloop.
Pyramides, pyramides, de bekende steengevaarten in Aegypte, welke
in verschillende groepen in een gedeelte van Midden-Aegypte langs
den linker Nijloever liggen. Zij zijn alle vierzijdig, met de vier
zijden naar de vier hemelstreken gekeerd. De grootste zijn die,
waarvan de bouw door Herodotus aan de koningen Cheops, Chephren en
Mycerinus wordt toegeschreven. De Rom. volgden enkele malen voor hunne
grafgebouwen den pyramidenbouw op kleine schaal na, zie Cestius no. 1.
Pyramus, Pyramos, een babylonisch jongeling van buitengewone
schoonheid, beminde de even schoone Thisbe en werd door haar bemind,
maar hunne ouders, die in vijandschap met elkander leefden, wilden in
hun huwelijk niet toestemmen. Lang zagen de minnenden daarom elkander
slechts door een spleet in den gemeenschappelijken muur tusschen beider
huizen, eindelijk spraken zij af elkander bij het graf van Ninus te
ontmoeten. Nauwelijks was Thisbe op de afgesproken plaats verschenen,
of zij werd verschrikt door net naderen van een leeuw, zij vluchtte
en verloor in de verwarring haar sluier, dien de leeuw vond en met
zijn muil, nog bevlekt door het bloed van pas verscheurde runderen,
verscheurde. Kort daarop kwam ook P. en toen hij den bloedigen sluier
zag, meende hij, dat Thisbe door een wild dier verscheurd was, hij trok
zijn zwaard en doodde zich. Te laat keerde Thisbe terug, zij vond haar
minnaar reeds dood en bracht zich nu ook met zijn zwaard om het leven.
Pyramus, Pyramos, vrij breede rivier in het O. van Cilicia, die in
Cataonia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en bij Mallus in
zee valt.
Pyrasus, Pyrasos, oude, later verwoeste stad in het thessalische
landschap Phthiotis, met een aan Demeter geheiligd bosch.
Pyrenaei montes, Pyrenaia ore, het scheidingsgebergte tusschen Gallia
en Hispania, thans nog de Pyreneën geheeten.
Pyrene, Pyrene, 1) bij Herodotus vermelde keltische stad nabij de
bronnen van den Ister (Donau).--2) = Pyrenaei montes.
Pyrenes promunturium, ook prom. Veneris geheeten, thans kaap Creuz, een
oostelijke uitlooper der Pyrenaeën, met een tempel van Venus Pyrenaea.
Pyretus, Pyretos, zijtak van den Ister, thans de Pruth.
Pyrgi, Pyrgoi, 1) stad in het eleïsche gewest Triphylia op de
messenische grenzen, volkplanting der Minyers.--2) oude stad met
cyclopische muren in Zuid-Etruria, later havenstad van Caere,
aan de via Aurelia. Pyrgi werd in 384 door Dionysius van Syracuse
geplunderd. In de 2de eeuw was het rom. kolonie. Beroemd was de rijke
tempel van Ilithia of Leucothea.
Pyrgoteles, Pyrgoteles, beroemd steensnijder, die uitsluitend het
recht had het portret van Alexander den Gr. te graveeren.
Pyrgus, Pyrgos = Pyrgi no. 1.
Pyriphlegethon, Pyriphlegethon, geweldige vuurstroom, die den Tartarus
omgeeft.
Pyrrha, Pyrra, dochter van Epimetheus en Pandora, gemalin van Deucalion
(z. a.).
Pyrrha, Pyrra, 1) stad op het eil. Lesbus aan een inham, den Euripus
Pyrrhaeus, later bij een aardbeving door een vloedgolf vernietigd.--2)
stad en kaap in het thessalische landschap Phthiotis, aan de golf
van Pagasae. Twee kleine nabijgelegen eilandjes heetten Pyrrha en
Deucalion.
Pyrrhi castra, Pyrrou charax, sterkte in het N. van Laconica, uit
eene oude legerplaats ontstaan, door Pyrrhus opgeslagen, toen deze
in 272 in de Peloponnesus viel.
Pyrrho, Pyrron, van Elis, geb. omstreeks 360, gest. omstreeks 275,
volgde, nadat hij verschillende grieksche wijsgeeren, o. a. Stilpo,
gehoord had, met zijn vriend Anaxarchus Alexander op diens tochten naar
Azië, waar hij ook met de gymnosophisten en magiërs kennis maakte. Hij
kwam tot het besluit dat voor en tegen ieder stelsel evenveel te zeggen
is, en dat ieder stelsel in zichzelf aan groote tegenstrijdigheden
lijdt; daarom achtte hij de kennis van het wezen der dingen voor den
mensch onbereikbaar (akatalepsia) en leerde, dat derhalve de wijze zich
van een oordeel moet onthouden (epoche). Alleen in deugd en gemoedsrust
(ataraxia) bestaat het geluk. De aanhangers van P. noemen zich, in
tegenstelling met de dogmatikoi, gewoonlijk skeptikoi, ook aporetikoi,
ephektikoi, zetetikoi, of eenvoudig Pyrroneioi.
Pyrrhus, Pyrros, 1) = Neoptolemus.--2) koning van Epirus, die van
Achilles beweerde af te stammen. Na veel strijd kwam hij in 307 aan
de regeering, na vijf jaar werd hij echter bij een opstand verjaagd,
hij ging naar Demetrius Poliorcetes, streed dapper in den slag bij
Ipsus, ging daarna naar Alexandrië, waar hij met een stiefdochter
van Ptolemaeus I trouwde, en keerde, door zijn schoonvader met geld
en troepen ondersteund, naar zijn land terug, eerst na den dood van
Neoptolemus (no. 3) kreeg hij echter weder de regeering over het
geheele rijk (296). Nu trachtte hij zijn gebied uit te breiden door
verovering van de naburige landen, zelfs van Macedonië; hij vond steun
bij de vijanden van Demetrius, en inderdaad werd hem na den val van
dezen (287) de kroon aangeboden, maar zij werd hem weldra ontnomen
door Lysimachus, tegen wien hij zelfs Epirus verdedigen moest. Vol
vreugde gaf hij daarom gehoor aan de uitnoodiging der Tarentijnen,
die zijne hulp tegen Rome inriepen, en hopende door dezen oorlog
vergoeding voor het verlies van Macedonië te vinden, ging hij met
een groot leger naar Italië (281). Hij versloeg de rom. legers bij
Heraclea (280) en bij Asculum (Ausculum, 279), maar intusschen leed
hij op zijn beurt onherstelbare verliezen, van de Tarentijnen kon
hij alleen door de uiterste strengheid eenige medewerking krijgen,
de waardige en heldhaftige houding der Rom. boezemde hem eerbied en
vrees in, en eindelijk begon P. aan het slagen zijner onderneming te
wanhopen. Hij verliet daarom Italië (278), waar hij echter zijn zoon
Alexander met een leger achterliet en ging naar Sicilië om Syracuse
tegen de Carthagers te helpen; overal met vreugde ontvangen, dwong
hij de vijanden het beleg van Syracuse op te breken en ontnam hij
hen hun geheel gebied op Sicilië behalve Lilybaeum, maar toen het hem
niet gelukte hen ook van daar te verdrijven, begonnen de Siciliërs te
wankelen, en toen P. toebereidselen maakte voor een landing in Afrika,
brak er zelfs een opstand tegen hem uit en sloten vele steden zich
weder bij de Carthagers aan. Nogmaals door de Tarentijnen dringend
te hulp geroepen, greep hij gretig deze gelegenheid aan om uit zijn
moeilijken toestand bevrijd te worden, hij ging naar Tarentum, maar
werd door M'. Curius Dentatus v.s. bij Beneventum, v.a. in Arusinis
Campis in Lucania verslagen en tot den terugtocht genoodzaakt (275). In
zijn land teruggekeerd, deed hij plotseling een aanval op Macedonië,
en het gelukte hem spoedig een groot deel er van onder zijne macht te
brengen, maar op uitnoodiging van den Spartaan Cleonymus liet hij zijne
veroveringen daar varen en keerde hij zich naar de Peloponnesus. Een
aanval op Sparta mislukte, en toen P. op den terugtocht Argos wilde
bezetten en de troepen van Antigonus Gonatas en van de Spartanen te
gelijk met hem in de stad drongen, ontstond er een hevig straatgevecht,
waarin P. een dakpan of een steen op het hoofd kreeg, neerviel en
afgemaakt werd (272). Hoewel hij om zijn persoonlijken moed, zijn
ridderlijk karakter en zijn ijver, ja zelfs om zijn uiterlijk, dat
aan Alexander d. Gr. herinnerde, hij zijne troepen zeer bemind was,
had hij door gemis aan volharding geen zijner ondernemingen tot een
goed einde gebracht. Hij was de schrijver van eenige werken over
krijgskunde, die verloren gegaan zijn.
Pythagoras, Pythagoras, 1) beroemd grieksch wijsgeer, van wiens
leven en leer echter betrekkelijk weinig met zekerheid bekend
is. Hij wordt een zoon van Mnesarchus genoemd, werd waarschijnlijk
op Samus omstreeks 580 geboren, zou een leerling van Thales, Bias,
Anaximander en Pherecydes geweest zijn, en groote reizen, o.a. naar
Aegypte en Babylon, gedaan hebben. Ongeveer 50 jaar oud kwam hij te
Croton en stichtte hij daar onder de aristocratische partij een bond,
waarvan de strekking was het invoeren van allerlei hervormingen op
zedelijken, wijsgeerigen en godsdienstigen grondslag en de vestiging
eener streng aristocratische staatsinrichting. Inderdaad gelukte
het zijn aanhangers, bezield door den ernst en ijver van P., niet
slechts te Croton, maar in verscheiden steden van Beneden-Italië
het staatsbestuur in hun geest te hervormen en grooten invloed te
verkrijgen en in meerdere of in mindere mate meer dan een eeuw te
behouden (vgl. Archytas).--De eigenlijke leerlingen van P. leefden
met elkander in gemeenschap van goederen en onder inachtneming van
zeer strenge leefregels en allerlei ceremoniën; eerst na velerlei
beproevingen, langdurig zwijgen, enz., kon men in hun verbond worden
opgenomen. Hij had onder hen zoo groot gezag, dat de woorden autos epha
(hijzelf, de meester, heeft het gezegd) voor velen een afdoend argument
waren, hijzelf zou zich daarentegen uit bescheidenheid den naam van
philosophos gegeven hebben, terwijl zij, die zich met wijsgeerige
studiën bezig hielden, zich vroeger sophistai of sophoi noemden. Van
zijne leer is weinig met zekerheid te zeggen, daar zij grootendeels
opzettelijk geheim gehouden werd; P. zelf heeft, naar het schijnt,
niets geschreven; alle werken die onder zijn naam en misschien met
een enkele uitzondering (z. Philolaus no. 2), alle die onder den naam
zijner leerlingen bewaard gebleven zijn, zijn onecht. Hij of zijne
volgelingen zochten het wezen der dingen in het getal; evenals zich
daarin het begrensde en onbegrensde, het onevene en evene tot eene
harmonie vereenigen, zoo zijn volgens hen in alle dingen tegengestelde
elementen door getal en maat harmonisch vereenigd. Bij de toepassing
van dit beginsel werden vooral de wiskundige wetenschappen (theorema
van P.), de muziek en de astronomie (harmonie der sferen) beoefend;
ook bij zedelijke begrippen namen formules de plaats van definities in,
zooals bijv. de rechtvaardigheid door een kwadraatgetal voorgesteld
werd. Waarschijnlijk heeft P. zelf slechts den grond gelegd tot dit
stelsel, waarop dan door zijne leerlingen verder voortgebouwd is, van
hemzelf is echter de leer der zielsverhuizing (vgl. Euphorbus).--Ook
over het einde van P. zijn de berichten verschillend; v.s. werd hij
bij een opstand der democratische partij verjaagd en vluchtte hij naar
Metapontum, waar hij op 80- of 90-jarigen leeftijd stierf, v.a. werd
bij dien opstand het gebouw, waarin hij en zijne leerlingen vereenigd
waren, in brand gestoken en kwam hij met 300 zijner aanhangers daarbij
om (500).--2) van Rhegium, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft
der 5de eeuw, hij maakte voornamelijk athletenbeelden van metaal,
die door standen en verhoudingen uitmuntten.
Pytheas, Pytheas, 1) atheensch demagoog, vroeger partijgenoot, later
tegenstander van Demosthenes; in den lamischen oorlog vluchtte hij naar
Antipater.--2) van Massilia, beroemd zeevaarder en aardrijkskundige
ten tijde van Alexander d. G., die ontdekkingsreizen deed langs de
westelijke en noordelijke kusten van Europa. Zijne reisbeschrijvingen,
waarin hij tevens dikwijls aardrijkskundige onderwerpen behandelde
en sterrenkundige waarnemingen mededeelde, werden ten onrechte door
velen als fabelachtig beschouwd.
Pythia, Pythia, z. Delphi.
Pythia, Pythia, de pythische spelen, om de vier jaar, en wel ieder
derde Olympiadenjaar, tegen het einde van den zomer in de vlakte van
Crissa gevierd ter eere van Apollo, die na het dooden van den draak
Python zelf dit feest zou ingesteld hebben, z. Pytho. Het bestond
oorspronkelijk alleen uit een muzikalen wedstrijd, later kwamen er naar
het voorbeeld der olympische spelen andere wedstrijden bij. De prijs
was een lauwerkrans. Kamprechters waren oorspronkelijk de Delphiërs,
later de Amphictyonen. De P. behooren tot de groote nationale
feesten en waren na de olympische spelen het meest in aanzien; zij
werden steeds zeer druk bezocht en nog laat in den rom. keizertijd
gevierd.--Vele steden vierden ook in hun eigen gebied feesten ter
eere van den pythischen Apollo, die eveneens P. genoemd werden.
Pythius, Pythios, 1) bijnaam van den delphischen Apollo, naar den
door hem gedooden draak Python.--2) een Lydiër, de rijkste man van
zijn tijd, die Xerxes met zijn leger op zijn tocht naar Griekenland
onthaalde en hem zijne schatten aanbood. Maar toen hij verzocht dat
een van zijne vijf zonen van den krijgsdienst zou vrijgesteld worden,
liet Xerxes dezen in stukken snijden.--3) = Pythodorus no. 2, z.a.
Pytho, Pytho, oude naam van Delphi en van de landstreek rondom den
Parnassus. Apollo versloeg hier den draak Python en stelde hierna
de pythische spelen in. In werkelijkheid zijn de pythische spelen
ingesteld in 582, kort nadat tengevolge van den heiligen oorlog met
Crisa het heiligdom van Delphi in de macht der Amphictyonen gekomen
was (590).
Pythocles, Pythokles, atheensch redenaar van de macedonisch gezinde
partij; hij werd te gelijk met Phocion ter dood gebracht.
Pythodorus, Pythodoros, 1) onbekwaam atheensch veldheer op Sicilië
(425), werd na zijn aftocht van daar verdacht zich te hebben laten
omkoopen en werd verbannen.--2) beroemd bouwmeester en schrijver
over bouwkunst ten tijde van Alexander d. G. Hij bouwde den tempel
van Athena Polias te Priene, en werkte ook mede aan den bouw van het
Mausoleum.--3) twee beeldhouwers, die in de 1ste eeuw na C. aan het
keizerlijk paleis op den Palatinus werkten.
Python, Python, een reusachtige draak, na de overstrooming van
Deucalion uit het op aarde achtergebleven slijk geboren. Hij bewaakte
het delphische orakel voor Gaea, maar werd door Apollo, toen deze
het in bezit nam, gedood.
Pyxus, Pyxous = Buxentum.
Q.
Q. Rex. C. F. Zie regifugium.
Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen
genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken
woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de
Marcomannen van 166-175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in
later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze
komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte
wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw
na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel.
Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of 1/4 as. Men vindt
er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen
zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen.
Quadrigati, z. Bigati.
Quadruplatores, meer gebruikelijke naam der delatores onder de
rom. keizers.
Quaesitor, zie quaestor.
Quaestiones perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste
quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia
in het leven geroepen.