Pontii. 1) Gavius C. Pontius, zoon van C. Pontius Herennius,

veldheer der Samnieten, sloot in 321 het rom. leger in de bergengte

van Caudium in, waar het de wapenen moest afleggen en onder het

juk doorgaan. In 292 werd hij verslagen en gevangen genomen door

den rom. consul Q. Fabius Maximus Gurges en, na diens triumftocht

te hebben opgeluisterd, te Rome onthoofd.--2) Pontius Telesinus,

samnietisch veldheer in den bondgenootenoorlog, later met de partij

van Marius verbonden, sneuvelde in 82 vóór de poorten van Rome. Een

broeder, evenzoo geheeten, kwam in hetzelfde jaar bij de inneming van

Praeneste om.--3) Pontius Cominius, een jong Romein, beklom om van den

senaat het verlof te verwerven tot het terugroepen van Camillus, dien

de soldaten te Veii tot dictator wenschten, in 390 met levensgevaar

de rots van het Capitool, dat door de Galliërs belegerd werd. De

Galliërs vonden zijn spoor en zouden den burg overrompeld hebben,

zoo niet de ganzen onraad hadden bespeurd.--4) L. Pontius Aquila,

hevig vijand van Caesar en deelgenoot der samenzwering tegen hem,

sneuvelde als legaat van D. Brutus in den mutinensischen oorlog,

in 43. Hij was een goed bekende van Cicero.--5) Pontius Pilatus,

landvoogd van Judaea, onder wien Jezus Christus gekruisigd werd (6

April 30), werd na een tienjarig bestuur in 36 na C. afgezet. Omtrent

zijn dood waren later vele verhalen in omloop. O. a. wordt verteld,

dat hij zichzelf van kant gemaakt heeft.

Pontinius = Pomptinus (C.)

Pontus, Pontos, personificatie der zee, zoon van Aether en Gaea,

en bij Gaea weder vader van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia.

Pontus, Pontos. Het noordelijkste gedeelte van Cappadocië werd onder

de perzische heerschappij als een afzonderlijke satrapie beheerd,

en heette sedert dien tijd Cappadocia ad Pontum, of ook wel kortweg

Pontus. Het was rijk aan zwaar timmerhout, dat voor den scheepsbouw

zeer gezocht was, het leverde ook ijzer en staal (chalyps, in het land

der Chalybes); in het W. bracht het veel graan voort. In 363, onder

de regeering van den perzischen koning Artaxerxes II, gelukte het den

satraap Ariobarzanes in Pontus een zelfstandig rijk te stichten, dat

later het oppergezag van Alexander den Gr. en vervolgens van Seleucus

erkende, maar tegen het einde der derde eeuw onder paphlagonische

vorsten zich verhief en zijn hoogsten bloei bereikte onder Mithradates

VI Eupator, den grooten vijand der Rom. Toen deze in 63 door Pompeius

verslagen was, werd Pontus, waartoe destijds ook Paphlagonia behoorde,

versnipperd. Een deel van het paphlagonische binnenland, met de

hoofdstad Gangra, werd aan de afstammelingen van vroegere vorsten

afgestaan, doch in 7 met Bithynia vereenigd. Een ander gedeelte, ten

Z. der stad Amasea, werd aan Deiotarus, koning van Galatia, geschonken

en Pontus Galaticus geheeten. Een ander gedeelte, in het midden, met

de kuststreek tusschen Side (het latere Polemonium) en Trapezus werd

door Antonius aan Polemo (z. a. no. 4), een kleinzoon van Mithradates

VI, gegeven en Pontus Polemoniacus genoemd. Het oostelijke deel kwam

aan Cappadocia als Pontus Cappadocicus. Het westelijke kustland van

Side tot aan den Parthenius werd in 63 bij Bithynia ingelijfd.

Pontas Euxinus, de tegenwoordige Zwarte zee. Om de onherbergzaamheid

harer kusten, voordat deze met grieksche volkplantingen bezet waren,

werd deze zee oudtijds axenos, axeinos, maar vervolgens ominis causa

euphemistisch Pontos Euxeinos genoemd.

Popilia (via), 1) van Capua naar Regium, in 159 door den censor

M. Popilius Laenas aangelegd.--2) van Ariminum over Ravenna naar

Aquileia, in 132 door den consul P. Popilius aangelegd.

Popi(l)lii, plebejisch geslacht. 1) M. Popillius Laenas, consul in

359, onderdrukte door zijn krachtige taal een opstand der plebs tegen

den senaat. Later bekleedde hij het consulaat nog driemaal, in 356,

in 350, in welk jaar hij een inval der Galliërs afsloeg, (v. s. heeft

deze inval plaats gehad in 348 of 349) en in 348.--2) M. Popillius

Laenas, consul in 173, overwon de Liguriërs. Wegens zijne onbillijke

hardheid tegen de overwonnenen ontging hij slechts ternauwernood

eene veroordeeling. Zie Marcia (lex) de Liguribus deditis.--3)

C. Popillius Laenas, broeder van no. 2, consul in 172, werd in 168

als gezant tot den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes gezonden,

die bezig was Aegypte te veroveren. Hij gelastte den koning namens den

romeinschen senaat, Aegypte onverwijld te verlaten. Toen Antiochus een

tijd van beraad vroeg, trok Popillius met zijn staf, dien hij in de

hand had, om den koning een kring en verbood hem op ruwen toon dezen

te verlaten, alvorens antwoord te hebben gegeven. Hierdoor ontsteld,

gaf de koning toe.--4) M. Popillius Laenas, consul in 139, streed in

het volgende jaar ongelukkig tegen de Numantijnen.--5) P. Popillius

Laenas, consul in 132, vervolgde de aanhangers van Tib. Gracchus

met groote gestrengheid. C. Gracchus bewerkte uit weerwraak in

123 zijne verbanning, waaruit hij door de lex Calpurnia van 121

teruggeroepen werd. Hij heeft als consul de via Popilia aangelegd,

die Aquileia met Ariminum verbond.--6) C. Popillius Laenas, zoon van

no. 5, was in 107 legaat van den consul L. Cassius Longinus (Cassii

no. 3), die in den slag tegen de Tiguriners (een deel der Helvetiërs)

sneuvelde. Popillius kocht voor het overschot van het leger vrijen

aftocht en gaf gijzelaars. Hiervoor werd hij bij zijne terugkomst te

Rome door den volkstribuun C. Caelius aangeklaagd. Hij begaf zich

vrijwillig in ballingschap.--7) Popillia, moeder van Q. Lutatius

Catulus, was de eerste rom. vrouw, op wie bij hare begrafenis

eene lijkrede werd uitgesproken.--8) P. Popillius. zoon van een

vrijgelatene, werd in 70 wegens ambitus veroordeeld.--9) C. Popillius

Laenas, ook de zoon van een vrijgelatene, voerde als krijgstribuun

de soldaten aan, die Cicero op zijne vlucht najoegen en vermoordden.

Popina, zie caupona.

Poplicola, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 1, 5, 6, 10-12)

en de gens Gellia (Gellii no. 3 en 4).

Poppaei. 1), C. Poppaeus Sabinus, consul in 9 na C., werd in 12

stadhouder van Moesia en kreeg later onder Tiberius nog Achaia en

Macedonia als provinciën er bij, die hij tot aan zijn dood (35)

bleef besturen. Wegens zijne overwinning op de Thraciërs werden hem

in 26 de insignia triumphalia. toegekend.--2) Q. Poppaeus Secundus,

broeder van no. 1, ook consul in 9 na C., hoewel niet te gelijk met

zijn broeder, was een van de makers der lex Iulia et Papia Poppaea.--3)

Poppaea Sabina, dochter van no. 1, om hare schoonheid beroemd, door den

haat der keizerin Messalina tot zelfmoord gedreven (47).--4) Poppaea

Sabina, dochter van no. 3 en van T. Ollius (z. a.), eene vrouw van

buitengewone schoonheid, in tweede huwelijk de vrouw van M. Salvius

Otho, die haar in ruil voor het stadhouderschap van Lusitania aan

Nero afstond. Haar ter wille verstiet Nero zijne gemalin Octavia,

doch drie jaar later gaf hij Poppaea in hare zwangerschap een trap,

waaraan zij bezweek (65). Zij beschermde de Joden.

Populonia, -ium, Popylonion, oude stad van Etruria, die reeds in

de 6de eeuw munten sloeg, doch niet eene van de 12 bondssteden,

aan zee gelegen. De stad was belangrijk door haar ijzerhandel (zie

Aethalia). Zij werd door Sulla verwoest en niet herbouwd, haar haven

echter werd door de Rom. opnieuw ingericht en verbeterd. Ten N. van

de stad lag de badplaats Aquae Populoniae.

Porciae (leges) de provocatione, drie in getal, van drie verschillende

Porcii, zonder dat men aangegeven vindt van welke Porcii zij afkomstig

zijn. Zij vallen tusschen den tweeden punischen oorlog en den tijd

der Gracchen. Eéne is waarschijnlijk van P. Porcius Laeca, tribunus

plebis in 199, of van M. Porcius Laeca, praetor in 195. Al deze

drie wetten bedreigden de overheid, die een rom. burger in strijd

met de provocatio had laten kerkeren, geeselen of ter dood brengen,

met zware straffen. Bovendien strekten zij de provocatio uit over de

burgers in het geheele rijk.

Porcii, plebejisch geslacht. De familiën der Licini en der Laecae

hebben geene geschiedkundig belangrijke personen opgeleverd, wel

daarentegen die der Catones. 1) M. Porcius Cato, bijgenaamd maior of

censorius, was in 234 te Tusculum geboren. Op zeventienjarigen leeftijd

nam hij deel aan den oorlog tegen Hannibal, in 209 deed hij als miles

dienst in het leger van Fabius Maximus (Fabii no. 16), die Tarentum

heroverde. Zijne quaestuur valt in 205 en wel op Sicilia en in Africa,

waarheen hij P. Scipio begeleidde. Over Sardinia terugkeerend bracht

hij van daar Q. Ennius mede naar Rome. Als praetor in 198 bestuurde hij

Sardinia. In 195 was hij consul. Als proconsul bedwong hij een opstand

in Hispania, nam daarna deel aan den syrischen oorlog (o. a. droeg

hij als krijgstribuun zeer bij tot de overwinning bij de Thermopylae

191), en werd in 184 censor. Hij stierf in 149, gezond van geest en

lichaam. Cato was een ouderwetsch Romein, sterk gekant tegen alles

wat niet nationaal was en dus ook tegen grieksche letteren en kunst,

in welk opzicht hij lijnrecht tegenover de Scipio's stond. Ook als

democraat en verdediger van de rechten van den kleinen boeren- en

burgerstand bestreed hij met groote heftigheid de Scipio's en hun

aanhang. Met groote gestrengheid ging hij als censor tegen alles

te keer, wat in zijne oogen naar weelde zweemde of de eenvoudigheid

van zeden kon ondermijnen. Hij was een man van strenge tucht en van

stipte rechtvaardigheid, behalve waar het Carthago gold, getuige

zijn onophoudelijk: censeo Carthaginem esse delendam. Geen tegenstand

ontmoedigde hem; tot zijn dood toe bleef hij de kampioen voor het oude,

hoewel hij op zijn ouden dag toch nog grieksch ging leeren. Hij is de

eerste romeinsche prozaschrijver geweest. Van zijne talrijke werken en

redevoeringen is, behalve fragmenten, slechts één werk overgebleven:

de agri cultura of de re rustica. Hij heeft ook een geschiedkundig

werk geschreven onder den titel van Origines, dat van Rome's stichting

tot op Cato's tijd moet geloopen hebben. De disticha Catonis zijn

niet van hem, maar uit de 3de eeuw n. C. Als censor bouwde hij de

basilica Porcia.--2) M. Porcius Cato, zoon van no. 1, een bekwaam

rechtsgeleerde en een veelbelovend jong man, stierf vóór zijn vader

in 152.--3) M. Porcius Cato Licinianus, zoon van no. 2, was consul in

118.--4) C. Porcius Cato, zoon van no. 3, werd als consul in 114 door

de Scordisci verslagen, werd later beschuldigd zich door Jugurtha te

hebben laten omkoopen, en ging in ballingschap.--5) L. Porcius Cato,

sneuvelde als consul in 89 in den bondgenootenoorlog.--6) M. Porcius

Cato, vader van Cato Uticensis (no. 8), stierf terwijl hij candidaat

was voor de praetuur.--7) C. Porcius Cato, een vrij woelziek persoon,

behoorde onder de vrienden van P. Clodius en was eerst een tegenstander

van Pompeius, doch verzoende zich met dezen.--8) M. Porcius Cato,

bijgenaamd Uticensis, zoon van no. 6, was een der edelste karakters

uit de laatste halve eeuw der republiek. Hij werd geboren in 95, was

in 65 quaestor urbanus, en beheerde toen de finantiën van den staat

op voortreffelijke wijze; hij werd voor het jaar 62 tot volkstribuun

gekozen, en werkte in het laatst van 63 mede, om de vier aanhangers

van Catilina ter dood te doen veroordeelen. Als voorvechter der

aristocratie kantte hij zich met kracht tegen het streven van Caesar,

Pompeius en Crassus, doch bracht door zijn tegenstand juist een nauwere

aansluiting tusschen de drie te weeg. In 58 werd hij tijdelijk uit Rome

verwijderd, zie Clodiae leges no. 7. Hij kweet zich voortreffelijk

van de hem opgedragen taak. In den burgeroorlog koos Cato de partij

van Pompeius, die hem echter om zijne republikeinsche gezindheid met

koelheid bejegende en zijne raadgevingen in den wind sloeg, zoodat

Cato zich naar Rhodus begaf. Na Pompeius' nederlaag en dood en na

den slag bij Thapsus sloot Cato zich binnen Utica op, met het plan

zich tegen Caesar te verdedigen. De aanwezige Rom. deelden echter

zijn moed niet. Cato liet nu allen die weg wilden, aan boord zijner

vloot gaan en toen deze uitgezeild was, stiet hij zich, na eerst in

Plato's Phaedo gelezen te hebben, het zwaard in de borst. De wond was

niet terstond doodelijk; hij rukte echter het aangelegde verband af

en liet zich doodbloeden, daar hij den ondergang der republiek niet

overleven wilde (April 46).--9) M. Porcius Cato, zoon van no. 8, was

bij zijns vaders dood aanwezig. Hij verzoende zich met Caesar, ging

na diens dood tot Brutus over en sneuvelde bij Philippi.--10) Porcia,

zuster van no. 9, de waardige dochter van een heldhaftigen en edelen

vader, was eerst met M. Calpurnius Bibulus (Calpurnii no. 17) en na

diens dood met M. Brutus (Junii no. 9) gehuwd.--11) M. Porcius Latro,

beroemd rhetor onder Augustus, uit Hispania afkomstig, leermeester

van Ovidius en vriend van Seneca (den vader).--12) M. Porcius Laeca,

deelgenoot aan de samenzwering van Catilina. In zijn huis had de

samenkomst plaats, waar besloten werd, den daarop volgenden morgen

Cicero te vermoorden.--13) Porcius Festus, z. Festus no. 1.

Poristai, beambten bij het financiewezen te Athene, van wier

werkkring en bevoegdheid niets naders vermeld wordt, dan dat zij voor

de inkomsten van den staat te zorgen hadden. Misschien dienden zij

alleen in buitengewone gevallen tot bijstand van den tamias.

Porphyreon, Porphyreon, stad in Phoenice, ten N. van Sidon.

Porphyrio (Pomponius), uitlegger van Horatius uit de 3de eeuw na

C. Zijn commentaar op Horatius is nog grootendeels bewaard gebleven.

Porphyrio, Porphyrion, een gigant, een van de aanvoerders bij de

Gigantomachia, werd door Heracles verslagen.

Porphyrius, Porphyrios, van Batanea in Syrië, geb. 233 na C., ontving

zijne eerste opleiding te Tyrus, en kwam later naar Athene, waar

hij de leerling werd van Longinus, die zijn oorspronkelijken naam

Malchus in P. vertaalde. 30 jaar oud ging hij naar Rome, waar hij 6

jaar lang met den grootsten ijver de lessen van Plotinus volgde. Tot

herstel zijner gezondheid bracht hij vervolgens 5 jaar op Sicilië

door, daarna keerde hij naar Rome terug en na den dood van Plotinus

trad hij als leeraar der wijsbegeerte op. Hij stelt zich voornamelijk

ten doel de leer van Plotinus te verdedigen en te verklaren, en te

bewijzen dat deze in den grond der zaak hetzelfde geleerd heeft als

Plato en Aristoteles. Zijn voornaamste leerling was Iamblichus. Op

vrij hoogen leeftijd trouwde hij met Marcella, een arme weduwe met

zeven kinderen; hij stierf in 304. Zijne veelomvattende geleerdheid,

de duidelijkheid en nauwkeurigheid van zijne werken, en vooral zijne

eerlijkheid werd algemeen, ook door zijne tegenstanders, erkend;

ook hebben zijne werken tot laat in de middeleeuwen grooten invloed

op de studie der wijsbegeerte gehad. De meeste er van, o.a. een in 15

boeken kata Christianon, zijn verloren gegaan; van die, welke bewaard

gebleven zijn, zijn de voornaamste het leven van Plotinus en dat van

Pythagoras en zijne verklaringen van Homerus.

Porrima, z. Carmenta.

Porsenna of Porsena, Porsenas, koning of lars der etrurische stad

Clusium, belegerde op verzoek van den verdreven Tarquinius Superbus de

stad Rome. Hoewel hij Tarq. niet op den troon terugbracht, moesten

de Rom. toch door afstand van grond den vrede verkrijgen. Het

volksverhaal echter vermeldt, dat P., door den moed van Horatius

Cocles en van Mucius met bewondering en ontzag vervuld, onverrichter

zake aftrok. Dit is de gewone voorstelling. Volgens oudere berichten

heeft P. de stad ingenomen, en is ze een tijdlang aan hem onderworpen

geweest; de Romeinen mochten geen ander ijzer gebruiken dan wat ze

voor den landbouw noodig hadden.

Portentum, zie auguria.

Porthaon, -theus, Porthaon, -theus = Parthaon.

Porthmus, Porthmos, haven in het gebied van Eretria op Euboea, aan

de Z.-kust, ten O. van die stad.

Portuensis (via), van Rome naar Portus Augusti.

Portunus, Portumnus, oorspronkelijk een god van de deuren en poorten,

evenals Janus, later havengod bij de Rom., had te Rome een tempel

bij de haven van den Tiber, waar jaarlijks den 17den Augustus de

Portumnalia gevierd werden. Hij werd afgebeeld met een sleutel in de

hand. Later werd hij geheel geïdentificeerd met Palaemon.

Portus Augusti, de nieuwe haven aan den mond van den Tiber, door

keizer Claudius ten N. van Ostia aangelegd.

Portus Herculis, zie Cosa.

Porus, Poros, vorst van een indisch rijk tusschen den Hydaspes en

den Acesines, trachtte Alexander den overtocht van den Hydaspes te

beletten, maar werd met zijn groot leger verslagen (326). Getroffen

door zijn edel karakter, liet Alexander hem de regeering behouden en

vergrootte hij zijn gebied nog door toevoeging van een naburig rijk,

waarover een anderen P. regeerde. Hij werd later (318) door Eudemus,

den bevelhebber der grieksche troepen in Indië, verraderlijk gedood.

Porus, Poros of Porinos lithos, tufsteen, waarvan de tempel van Delphi,

behalve de voorgevel, en ook die van Zeus te Olympia gebouwd was. De

voorgevel van den Delphischen tempel was van marmer, Parios lithos,

z. Delphi en Alcmaeonidae.

Poseidon, Poseidon, -daon, Neptunus, zoon van Cronus en Rhea, kreeg

bij de verdeeling der heerschappij over het heelal de regeering over de

zee, op welker bodem hij met Amphitrite en hunne kinderen zijn gouden

paleis bewoont. Hij omvat en steunt de geheele aarde (Gaieochos),

heerscht over alle godheden en veroorzaakt alle verschijnselen der zee,

met zijn drietand doet hij naar verkiezing stormen opsteken en bedaren,

rotsen splijten, de aarde schudden (Ennosigaios, Enosichthon), eilanden

uit zee oprijzen; als hij op zijn wagen, bespannen met paarden met

koperen hoeven, over de zee rijdt, dan leggen de golven zich neder en

vormen voor hem een effen vlakte, terwijl zeemonsters opduiken en om

hem heen dartelen. Voor allen, die met de zee in betrekking staan,

is hij een beschermend god, daarentegen vervolgt hij met alle macht

hen, die zijn toorn opgewekt hebben. Zoo moet bijv. Odysseus jaren

lang op zee rondzwerven, omdat hij P.'s zoon Polyphemus blind gemaakt

heeft, zoo was hij een onverzoenlijk vijand van de Trojanen, wegens de

trouweloosheid van Laomedon (z. a.); zelfs tegen Zeus durft hij zich

soms verzetten en eens spande hij zelfs met Hera en Athena samen om hem

te boeien (z. Aegaeon).--De dienst van P. was over geheel Griekenland

verbreid en van vele steden beweerde men dat zij door een van zijne

talrijke zonen gesticht waren, het meest werd hij echter natuurlijk

vereerd in kuststreken en op eilanden, in de Peloponnesus vooral op

de landengte van Corinthe, waar te zijner eer de isthmische spelen

gevierd werden, en op de Noordkust, verder in de ionische steden van

Klein-Azië (z. Panionia), enz. Toch was zijne vereering vroeger nog

meer algemeen geweest, toen hij als god van het water in het algemeen,

dus ook van bronnen, rivieren, enz., ook in het binnenland als

bevruchtend en voedselgevend god beschouwd werd. Vandaar verscheiden

verhalen van zijne twisten met andere goden over het bezit van een

of ander land, bijv. met Athena (z. a.) over Attica en Troezen, niet

Hera over Argolis (z. Inachus). Onder de dieren zijn hem de dolfijn

en de stier, maar vooral het paard, gewijd. In vele verhalen wordt

hij met paarden in betrekking gebracht (z. Balius en Oenomaüs), hij

zou het paard geschapen en den menschen geleerd hebben zich er van te

bedienen (Hippios), hij wordt de vader genoemd van de paarden Arion

en Pegasus. Daarom schept hij ook behagen in wedrennen met paarden en

wagens, zooals op verscheiden plaatsen, vooral te Onchestus en op de

landengte van Corinthe, te zijner eere gehouden werden. Men offerde hem

stieren, liefst zwarte, evers, rammen, soms ook paarden. De denneboom,

die hout voor den scheepsbouw levert, was hem heilig. Zijne beelden

gelijken veel op die van Zeus, hoewel zijne trekken scherper en zijne

haren gewoonlijk verward zijn; hij is kenbaar aan zijn drietand of aan

den dolfijn, die hem vergezelt, ook is hij dikwijls in het gezelschap

van Amphitrite e. a. zeegodheden. Dichters noemen hem donker van haar

(Kyanochaites).

Posideon, Poseideon, 6de maand van het Attische jaar (Dec.-Jan.),

z. Annus.

Posideum, Poseideion, -deion, 1) stad op de grens van Cilicia en Syria,

tegenover Cyprus.--2) stad in Cassiotis (Syria).

Posidippus, Poseidippos, 1) van Cassandrea, een van de beste dichters

der nieuwe attische comedie. Hij schreef ongeveer 40 stukken,

waarvan een, Didymoi genaamd, waarschijnlijk door Plautus in zijn

Menaechmi is nagevolgd. Hij trad voor het eerst op omstreeks 287.--2)

grieksch epigrammendichter, ongeveer gelijktijdig met den vorigen,

waarschijnlijk van Sicilië.

Posidium = Posidonium.

Posidonia, Poseidonia, oude naam van Paestum.

Posidonium, Poseidonion, Z.W. kaap van het chalcidische schiereiland

Pallene.

Posidonius, Poseidonios, 1) van Olbiopolis, geschiedschrijver uit

de eerste helft van de 2de eeuw.--2) van Apamea, gewoonlijk naar

zijn verblijf op Rhodus de Rhodiër genoemd, geb. omstreeks 135, was

een leerling van Panaetius. Na diens dood reisde hij naar Italië,

Hispanië, enz., en trad daarna als hoofd der stoicijnsche school

op Rhodus op. Hij wordt de geleerdste onder de stoicijnen genoemd

en trachtte de leer van Plato en Aristoteles met de stoicijnsche te

vereenigen. Cicero en Pompeius woonden zijne voordrachten bij. Ook aan

de staatszaken nam hij deel en in 86 kwam hij als gezant naar Rome. Van

zijne talrijke werken over geschiedenis en natuurwetenschappen,

waaronder een vervolg op Polybius in 52 boeken was, zijn slechts

fragmenten bewaard. Hij heeft een ontzaglijken invloed gehad op de

denkrichting van zijn tijd en van latere geslachten.

Possessio, het feitelijk bezit eener zaak, in tegenstelling van

dominium of eigendom volgens streng rom. recht. Zie bonorum possessio.

Postliminium, zie ius postliminii.

Postumia (via), in Gallia Cisalpina, van Genua over Cremona en

Mantua naar Aquileia. Deze weg is in het jaar 148 door den consul

Sp. Postumius aangelegd.

Postumii, patricisch geslacht, misschien van etruscischen

oorsprong. 1) P. Postumius Tubertus, consul in 505 en 503,

bracht den Sabijnen zware nederlagen toe, hoewel hij eenmaal zelf

verslagen werd.--2) A. Postumius Albus Regillensis, consul in 496,

legde zijn consulaat neder om tot dictator benoemd te kunnen worden

(v. a. was hij dictator in 498) en behaalde toen op de Latijnen de

schitterende overwinning bij het meer Regillus. Zijn zoon Sp. was

een der drie mannen, die in 454 naar Griekenland gezonden werden

om aldaar de wetten te bestudeeren.--3) A. Post. Albus Reg., zoon

van no. 2, consul in 464, overwon de Aequers.--4) A. Postumius

Tubertus, dictator in 431, bracht aan de Aequers en Volscers eene

schrikkelijke nederlaag toe bij den berg Algidus. Het verhaal, dat

T. Manlius Capitolinus Imperiosus (zie Manlii no. 10) zijn zoon zou

hebben ter dood gebracht wegens ongehoorzaamheid, wordt door oudere

schrijvers op naam van dezen Postumius gesteld.--5) M. Post. Albus

Regill. werd als consulairtribuun in 426 door de Vejenten verslagen en

hiervoor met een geldboete gestraft.--6) P. Post. Albinus Regill.,

consulairtribuun in 414, werd door zijn troepen gesteenigd.--7)

Sp. Postumius Albinus, consul in 334 en 321 met T. Veturius Calvinus,

zie Veturii no. 6.--8) L. Postumius Megellus, consul in 305, 294 en

291, versloeg bij herhaling Samnieten en Etruscers en hield tweemaal

een triumftocht tegen den wil van den senaat onder de bescherming van

eenige volkstribunen.--9) L. Post. Megellus, zoon van no. 8, consul in

262, veroverde de stad Agrigentum op Sicilia.--10) L. Post. Albinus,

consul in 234 en 229, overwon de Liguriërs en de Illyriërs, doch

sneuvelde in 216 toen hij consul designatus was, in de Litana Silva

tegen de Bojers.--11) Sp. Post. Albinus, zoon van no. 10, consul in

186, werd door den senaat belast met een onderzoek naar de Bacchanalia

(z. a.). Zie ook Marcii no. 14.--12) A. Post. Albinus, consul in 180,

voerde in 174 met strengheid de censuur, terwijl Sp. Post. Albinus

Paullulus (misschien zijn broeder) consul was. Een L. Post. Albinus

(wellicht een derde broeder) was in 173 consul en gaf den eersten stoot

aan de oprichting van tabernae voor rom. ambtenaren op reis.--13)

A. Post. Albinus, een der 10 gezanten, die in 146 de provincie

Achaia moesten organiseeren, schreef eene geschiedenis van Rome in

het Grieksch.--14) Sp. Post. Albinus, consul in 110, voerde in den

oorlog tegen Jugurtha niets uit. Zijn broeder A. Post. Albinus,

die als legaat onder hem diende, nam het legerbevel op zich, toen

Sp. naar Rome vertrok om de comitia te houden, doch werd door Jugurtha

verslagen, waarna het rom. leger onder het juk moest doorgaan.--15)

Behalve deze Romeinsche Postumii, wordt er ook nog melding gemaakt van

een Etruscisch zeeroover, Postumius genaamd, die in het jaar 342 (339)

met twaalf kaperschepen als vriend de haven van Syracusae binnenliep,

maar door Timoleon terechtgesteld werd.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 113 / 150 段