gehuwd was, nam aan den Argonautentocht deel, maar werd met Heracles
in Mysië achtergelaten. Hij stichtte er de stad Cius en sneuvelde
later tegen de Chalybiërs.--2) zoon van Poseidon en de nimf Thoosa,
Cycloop, met één oog in het midden van zijn voorhoofd. Toen Odysseus
en diens makkers in zijn land aangekomen waren en bij ongeluk in zijne
woning een schuilplaats gezocht hadden, hield hij hen opgesloten en
verslond hij 's morgens en 's avonds twee van hen. Nadat dit reeds
driemaal geschied was, gelukte het Odysseus hem dronken te maken
en stak hij hem in den slaap zijn eenig oog uit met een gloeiend
gemaakten puntigen paal. Daarop ontsnapten zij met het vee van den
Cycloop, die echter bijna nog hun schip door het werpen van groote
rotsblokken verbrijzelde.--Zie ook Acis.
Polyphontes, Polyphontes, een Heraclide, die koning Cresphontes van
Messenië doodde, daarna diens weduwe Merope tot een huwelijk dwong
en zich van de regeering meester maakte, maar later door Aepytus
gedood werd.
Polypoetes, Polypoites, z. Leonteus.
Poly(s)perchon, Poly(s)perchon, veldheer onder Alexander d. G., dien
hij op al zijne tochten vergezelde. Na den dood van Alexander nam hij
eenigen tijd voor Antipater gedurende diens afwezigheid de regeering
over Macedonië waar, en toen Antipater stierf, benoemde hij P. tot
zijn opvolger (319). Hierover ontevreden, verbond zich Cassander met
Antigonus en Ptolemaeus, en P. zocht nu voornamelijk steun bij de
democratische partij in Griekenland en wist ook Olympias (z. a.) voor
zijne belangen te winnen. Een tocht naar Griekenland liep ongelukkig
voor hem af, terwijl Cassander (z. a.) zich in zijne afwezigheid in
Macedonië vestigde. P. verbond zich nu na afwisselende gevechten met
Antigonus, hield zich in de Peloponnesus tegen Cassander staande, en
kwam eindelijk naar Macedonië terug (317), maar het duurde niet lang,
of hij moest weder voor Cassander vluchten. Na eenige pogingen om
in de Peloponnesus eene onafhankelijke regeering te vestigen, stelde
P. zich aan het hoofd der partij van Heracles, den zoon van Alexander
en Barsine; door de Aetoliërs geholpen, rukte hij op Macedonië aan,
maar toen hij zich door de beloften van Cassander liet overhalen om
Heracles te vermoorden (309), vielen al zijne aanhangers van hem
af. Toch wist hij een groot gedeelte van de Peloponnesus terug te
veroveren; in 303 verloor hij echter alles behalve Messenië, waar
hij waarschijnlijk spoedig gestorven is.
Polyxena, Polyxene, jongste dochter van Priamus en Hecabe, werd na
de inneming van Troje op het graf van Achilles geofferd. Uit liefde
voor haar zou Achilles beloofd hebben tot de Trojanen over te gaan
of den vrede te bewerken, maar toen hij voor het huwelijk of voor de
vredesonderhandelingen in de stad kwam, werd hij verraderlijk door
Paris gedood. Bij de verdeeling van den buit verscheen nu zijn schim en
eischte het offer van P.--V. a. was omgekeerd P. op Achilles verliefd
geweest en doodde zij zichzelve na de inneming der stad op zijn graf.
Polyxenus, Polyxenos, aanzienlijk Syracusaan, gehuwd met de zuster
van den ouden Dionysius, met wien hij later in vijandschap geraakte,
waarom hij Syracuse verliet. In 387 was hij bevelhebber geweest eener
vloot, die Dionysius aan de Spartanen te hulp zond.
Polyxo, Polyxo, 1) beroemde waarzegster, vertrouwde van Hypsipyle.--2)
gemalin van Tlepolemus no. 1. Daar haar echtgenoot voor Troje
gesneuveld was, doodde zij Helena, toen deze na den dood van Menelaus
naar Rhodus kwam.
Pomerium, de heilige grens van Rome, eigenlijk de onbebouwde, door
steen en palen of cippi afgebakende singel binnen en buiten den
stadsmuur. Hierbij valt evenwel op te merken, dat de mons Aventinus en
de mons Capitolinus wel binnen den muur van Servius Tullius lagen, maar
toch buiten het pomerium. Men spreekt daarom van urbs (de eigenlijke
stad) et Capitolium. Ook toen in later tijd de muur verviel, bleef het
pomerium als grens der eigenlijke urbs toch bestaan. Door Sulla werd
het pomerium uitgelegd zonder dat er een nieuwe muur werd opgetrokken,
en na hem geschiedde dit nog meermalen. Het pomerium was ook de grens
der auspicia urbana.
Pometia, zie Suessa.
Pomoerium, minder goede schrijfwijze voor pomerium.
Pomona, romeinsche godin der boomvruchten. Hare bevalligheid wekte
de liefde van alle Satyrs en Faunen, van Silvanus, Picus, Priapus en
Vertumnus op, doch zij weigerde hen aan te hooren, totdat Vertumnus
onder de gedaante van een oude vrouw zijn aanzoek zoo dringend
bij haar aanbeval, dat zij besloot zijne gemalin te worden. Haar
dienst werd te Rome waargenomen door een afzonderlijken priester,
den flamen Pomonalis.
Pompa, pompe, feestelijke optocht, gewoonlijk ter eere van de goden
gehouden. De voornaamste optocht werd te Athene gehouden bij de
Panathenaea, te Rome bij de ludi circenses.
Pomp(a)edius Silo (Q.), een van de dapperste veldheeren der
bondgenooten in den marsischen oorlog. Toen hij in 88 sneuvelde
(zie Caecilii no. 17), was ook de kracht van den strijd gebroken.
Pompeia (lex) van 89, van den consul Cn. Pompeius Strabo (zie
Pompeii no. 9), dat aan de transpadaansche Galliërs, die in den
bondgenootenoorlog aan Rome trouw gebleven waren, het ius Latii
(z. a.) zou verleend worden.
Pompeiae (leges) van Cn. Pompeius Magnus. 1) lex tribunicia (70)
tot herstel van de macht der volkstribunen.--2) lex iudiciaria, dat
de rechters ex amplissimo censu zouden gekozen worden, d. w. z. allen
riddercensus zouden hebben (een afzonderlijke census voor de senatoren
bestond nog niet), met behoud echter van de drie ordines der lex
Aurelia. Deze wet valt in Pompeius' tweede consulaat (55).--3) de
vi en de ambitu, uit zijn derde consulaat (sine collega) in 52,
gedeeltelijk tot invoering van een korteren vorm van procedure,
gedeeltelijk tot verzwaring der straffen.--4) de iure magistratuum
(52), dat niemand afwezig naar een ambt mocht dingen (uitgezonderd
Caesar).--5) de provinciis, dat niemand eene provincie zou mogen
aanvaarden binnen vijf jaar na het nederleggen van zijn ambt.
Pampeiani, een familienaam, die eerst onder de keizers voorkomt. 1)
Sex. Vetulenus Civica Pompeianus, oom van L. Verus.--2) Tib. Claudius
Pompeianus, met de dochter van Marcus Aurelius gehuwd, had het bevel
in den oorlog tegen Germanen en Marcomannen, doch trok zich onder de
regeering van Commodus uit het staatkundig leven terug. Pertinax (193
na C.) bood hem tweemaal aan het bewind aan hem over te dragen, doch
Pomp. weigerde.--3) Claudius Pompeianus Quintianus, zoon van no. 2,
onder Commodus wegens samenzwering ter dood veroordeeld (183).--4)
Claudius Pompeianus, zoon van no. 2 en kleinzoon van keizer Marcus
Aurelius, werd door Commodus vermoord.
Pompeii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) L. Pompeius, hield zich
als krijgstribuun met een kleine legermacht staande tegen koning
Perseus van Macedonia (171), tot de consul P. Crassus met zijn leger
hem ontzette.--2) Q. Pompeius, consul in 141, voerde een weinig
eervollen oorlog tegen de Numantijnen en ontkwam ternauwernood het
gevaar, wegens het sluiten van een verdrag (140) aan hen te worden
uitgeleverd. Zie Numantia. Hij was een gevierd redenaar. In 131 was
hij censor (zie Censor). Pompeius was van een zeer geringen stand en
auctor nobilitatis van zijn geslacht. Hij was een tegenstander van
Tib. Gracchus.--3) Q. Pompeius Rufus ijverde als volkstribuun in 100
voor de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii
no. 13) uit de ballingschap. In 88 was hij te gelijk met Sulla consul,
doch werd in diens afwezigheid op aansporing van Cn. Pompeius Strabo
(consul in 89), wiens leger hij moest overnemen, door de soldaten
vermoord (88).--4) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 3 en schoonzoon van
Sulla, kwam in 88 om bij de troebelen van Sulpicius.--5) Q. Pompeius
Rufus, zoon van no. 4 en van Sulla's dochter, was een aanhanger van
Cn. Pompeius Magnus, doch in 52 werd hij verwikkeld in de woelingen na
den dood van P. Clodius en werd hij verbannen. Zie Caelii no. 4. In
de ballingschap leed hij gebrek.--6) Pompeia, dochter van no. 4 en
derde gemalin van Caesar (67), werd in 61 door hem verstooten wegens
ongeoorloofde betrekkingen met Clodius.--7) Q. Pompeius Bithynicus
richtte in 74 Bithynia (z. a.) tot provincie in, en ontleende
hieraan zijn bijnaam. Hij was een vriend van Cicero. Hij kwam in 48
om, tegelijk met zijn bloedverwant Cn. Pompeius Magnus.--8) A. of
Q. Pompeius Bithynicus, zoon van no. 7, leverde als stadhouder van
Sicilia dit gewest in 43 aan Sex. Pompeius Magnus over, maar werd door
hem omgebracht.--9) Cn. Pompeius Strabo, in 104 quaestor op Sardinia,
in 90 rom. veldheer in den bondgenootenoorlog, was in 89 consul. Van
hem is de lex Pompeia van 89. Toen in 88 de consul Q. Pompeius Rufus
zijn leger wilde overnemen, liet hij hem door zijne soldaten ombrengen
en bleef zelf aan het hoofd. In 87 leverde hij voor de poorten van Rome
aan Marius en Cinna een slag, die onbeslist bleef. Kort daarop stierf
hij, door den bliksem getroffen. Hij had groote veldheerstalenten,
doch een laag en wreed karakter.--10) Sex. Pompeius, broeder van no. 9,
leefde slechts voor de studie.--11) Cn. Pompeius, bijgenaamd Magnus,
de bekende tijdgenoot en mededinger van Caesar, zoon van no. 9, werd,
evenals Cicero, in 106 geboren. Beiden dienden in den marsischen
oorlog onder Pompeius' vader, wien de zoon in 87 het leven redde door
de ontdekking van een complot onder de soldaten. In den burgeroorlog
wierf Pompeius in Picenum, waar zijne familie groote bezittingen had,
op eigen kosten en die zijner vrienden drie legioenen, waarmede hij
zich bij Sulla voegde (83). Hij versloeg in 82 bij Sena Gallica de
legaten van Cn. Papirius Carbo, nam Praeneste in en bracht de partij
van Marius en Cinna in Sicilia en Africa ten onder, waarbij hij den
titel van imperator verwierf. Middelerwijl had Sulla hem de hand
zijner stiefdochter Aemilia aangeboden (eene dochter van M. Aemilius
Scaurus en Caecilia Metella) en hem den bijnaam Magnus gegeven. Wel
was Pompeius gehuwd met Antistia, doch van deze scheidde hij. Aemilia
stierf echter weldra, en P. huwde ten derde male met Mucia, derde
dochter van Q. Mucius Scaevola, die hij echter later verstiet wegens
overspel met C. Julius Caesar. Na den burgeroorlog wist P. aan Sulla
de eer van een zegetocht af te dwingen, ofschoon hij nog ambteloos
burger en alleen rom. ridder was. Na Sulla's dood bedwong hij den
oproerigen consul M. Aemilius Lepidus (77), doch weigerde vervolgens
zijn leger af te danken en verlangde met proconsulaire macht naar
Hispania te worden gezonden, waar Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii
no. 17) vruchteloos de overblijfselen der mariaansche partij onder
Q. Sertorius trachtte te vernietigen. Het geluk diende Pompeius;
Sertorius viel door samenzwering (zie Perperna) en met zijn dood was
de strijd beslist (72). Op zijn terugtocht (71) vernietigde P. eene
bende van 5000 zwaardvechters, die aan Crassus ontkomen, een goed
heenkomen uit Italia zochten. Met Crassus werd hij voor het jaar 70
tot consul verkozen. Daags voor het aanvaarden van zijn ambt hield
hij den hem toegekenden triumftocht, om dit nog te kunnen doen als
rom. ridder. Daar hij echter den senaat van zich vervreemd had,
begreep hij elders een steun te moeten zoeken, om zijne eerzucht
te bevredigen. Onder hevige twisten met zijn ambtgenoot herstelde
hij door zijne lex Pompeia de vroegere macht der volkstribunen. De
belooning bleef niet uit. Door de lex Gabinia (67) en de lex Manilia
(66) werd hem achtereenvolgens het bevel in den zeerooveroorlog en in
den oorlog tegen Mithradates opgedragen. De zeeschuimerij werd voor
het oogenblik uitgeroeid; Mithradates en zijn schoonzoon Tigranes
van Armenia, reeds door Lucullus uitgeput, waren spoedig onschadelijk
gemaakt, Syria en Palaestina werden onder rom. gezag gebracht. In 62
kwam P. in Italia terug en vierde een schitterenden zegetocht. De
senaat evenwel weigerde de beschikkingen van P. in het Oosten te
bekrachtigen (60). Hierdoor gekrenkt, sloot hij zich bij Caesar en
Crassus aan, en het verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap,
werd bezegeld door een nieuw huwelijk van P. met Caesars dochter
Julia (59). Pompeius zag nu zijne beschikkingen door den senaat
goedgekeurd. Terwijl Caesar in Gallia was, werd P. in 55 andermaal
met Crassus consul en kreeg Hispania tot provincie met verlof, het
door legaten te laten besturen en zelf te Rome te blijven, in naam
om het oog te houden op mogelijke woelingen van mededingers. Dit
was zijn ongeluk: hij was krijgsman, geen staatsman. Julia wist,
zoolang zij leefde, botsingen tusschen haar echtgenoot en haar
vader te voorkomen, doch toen zij in 54 overleden was en Crassus
in 53 was omgekomen, waren alle banden tusschen Pompeius en
Caesar verbroken. Pompeius wist geene andere taktiek te volgen dan
achter de schermen woelingen aan te stoken. Rome verkeerde in een
staat van volkomen regeeringloosheid, en zoo werd na den dood van
P. Clodius, op voorstel van den senaat, Pompeius tot consul zonder
ambtgenoot gekozen (52), met opdracht de orde te herstellen en met
de macht zich, als hij het geraden achtte, een ambtgenoot toe te
voegen. Metellus Scipio, die ook naar het consulaat had gedongen,
zag zich door deze wending teleurgesteld, doch sloot zich weldra
bij Pompeius aan en werd diens schoonvader en medeconsul. Pompeius
zocht nu zijn verderen steun bij de optimatenpartij. In het ijdel
zelfvertrouwen, dat hij de macht in handen had, trad hij nu met
allerlei willekeurige handelingen en eischen tegen Caesar op. Deze
echter was op alles voorbereid en overrompelde Pompeius, die met
het meerendeel der partij naar Griekenland week, waar hij 6 Juni 48
door Caesar bij Pharsalus eene beslissende nederlaag leed. Met zijne
vrouw Cornelia en zijn zoon Sextus vluchtte hij naar Aegypte, doch
werd in de koninklijke boot, waarmede Ptolemaeus XII hem eershalve
van boord liet halen, door diens voogd Achillas verraderlijk van
achteren vermoord, ten aanschouwen zijner betrekkingen en vrienden,
die aan boord waren gebleven.--12) Cn. Pompeius Magnus, oudste zoon
van no. 11 uit diens derde huwelijk, zette den oorlog tegen Caesar
voort, doch werd in 46 bij Thapsus in Africa en in 45 bij Munda in
Hispania verslagen en op de vlucht achterhaald en omgebracht.--13)
Sex. Pompeius Magnus, jongere broeder van no. 12, van dezelfde moeder
(Mucia), deelde zijns broeders lotgevallen tot aan diens dood. Uit
Africa en Hispania verdreven, verzamelde hij de overblijfselen zijner
partij ter zee. Na Caesars dood (44) verkeerde hij met den rom. staat
half op voet van vrede, half op voet van oorlog. Bij de verdeeling
van het rijk tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus eischte
Sextus Pompeius ook zijn aandeel en bedreigde met zijne machtige
vloot den rom. korenaanvoer. Daar met zulk een tegenstander rekening
moest worden gehouden, werden hem Sicilia, Sardinia, Corsica en de
Peloponnesus afgestaan (39). Doch de goede verstandhouding kon niet
duurzaam zijn; van de eilanden uit kon P. met zijne machtige vloot
Italië met hongersnood bedreigen, terwijl het den driemannen er om te
doen moest zijn, elken mededinger onschadelijk te maken. Eindelijk
barstte de bom voor goed; aan Agrippa, den admiraal van Augustus,
gelukte het, de vloot van Pompeius bij Naulochus te vernietigen
(36). Deze laatste vluchtte naar Azië. Toen hij daar echter plannen
tegen Antonius op touw zette, werd hij te Miletus omgebracht.--14)
Sex. Pompeius, consul in 14 na C. en later stadhouder van Asia,
was een vriend van Ovidius, die verscheiden brieven aan hem gericht
heeft.--15) Pompeius Varus was een oud krijgsmakker van Horatius in
den slag bij Philippi.--16) Pompeius Grosphus, rijk grondbezitter op
Sicilia, behoorde tot de vrienden van Horatius.--17) Pompeius Festus,
zie Festus.--18) Pompeius Trogus, zie Trogus.
Pompeii, Pompeioi, Pompeia, oude stad van Campania, bloeiend
rom. municipium, aan den mond van den Sarnus. Evenals de overige
plaatsen aan den sinus Cumanus, was ook Pompeii een geliefkoosd
zomerverblijf voor rijke Rom. In 63 na C. had het veel te lijden door
eene aardbeving, doch het verrees uit zijne puinhoopen schooner dan
te voren. In 79 echter, bij de uitbarsting van den Vesuvius werd het
bedolven onder een regen van asch, zand en puimsteen. In 1689 werd
de stad toevallig ontdekt. In het begin der 18de eeuw is men met de
uitgravingen begonnen, doch met weinig kracht en zonder geregeld
plan. Eerst in de 19de eeuw is de opdelving van regeeringswege
met nadruk ter hand genomen en de kleinste helft der stad bloot
gelegd. Behalve houtwerk en daken zijn openbare en bijzondere gebouwen
vrij goed bewaard gebleven. Ten gevolge van deze opgravingen kunnen
we nu duidelijk de volgende perioden in de geschiedenis der stad
onderscheiden. De stad is gesticht door Osci (zie Campania), die
onder den invloed staan der Grieken van Cumae, Dicaearchia (Puteoli)
en Parthenope (Napels); uit deze periode zijn de overblijfselen van
den griekschen tempel (6de eeuw). Vervolgens is de stad verwoest en
weer opnieuw opgebouwd door de Etrusci, die weer later wijken moeten
voor de Samnieten, onder wie de stad een tijdperk van grooten bloei
beleeft (200-80). In 80 wordt de stad romeinsch municipium, gaat eerst
achteruit, en begint eerst weder tot bloei te komen sedert den tijd
van Augustus. Bij de uitbarsting had ze ongeveer 25.000 inwoners.
Pompeiopolis, latere naam van Soli.
Pompelo, Pompelon, hoofdstad der Vascones in Hispania Tarraconensis,
thans Pampeluna.
Pompilii, een weinig bekend geslacht. Over koning Numa Pompilius zie
Numa. Onder de Catilinarii komt ook een Pompilius voor.--M. Pompilius
Andronicus, een Syriër van geboorte, grammaticus uit den tijd van
Sulla en Cicero, trok zich uit Rome terug naar Cumae, omdat hij bij
anderen achtergesteld werd, en schreef daar een werk over de Annalen
van Ennius (Annalium Enni Elenchi), dat door Orbilius werd uitgegeven.
Pomponii, een plebejisch gesl. 1) Q. Pomponius, volkstribuun in
395, verzette zich tegen de verhuizing der plebs naar Veji en
beliep daarvoor eene geldboete.--2) M. Pomponius, een vriend van
C. Gracchus, kwam met dezen om.--3) L. Pomponius Bononiensis, ± 90,
beroemd atellanendichter.--4) Cn. Pomponius, beroemd als redenaar,
kwam in den burgeroorlog van 82 om het leven.--5) T. Pomponius Atticus,
Cicero's vriend, een merkwaardige figuur in zijn tijd, omdat hij geheel
vrij wist te blijven van partijschap en om zijn beminnelijk karakter,
zijne ongemeene beschaving en zijne milddadigheid bij alle partijen
gezien was, bij Sulla en bij den jongen Marius, bij Cicero en bij
Antonius. Hij heeft nooit naar eenig ambt gedongen. Te Athene, waar hij
een tijd lang verblijf hield, richtte men standbeelden voor hem op. Hij
stierf in 33, 77 jaar oud. Van zijne werken is niets overgebleven. Hij
schreef o. a. annalen in het Latijn en eene geschiedenis van Cicero's
consulaat in het Grieksch. Zijne levensbeschrijving vindt men bij
Cornelius Nepos, terwijl er ook eene rijke verzameling brieven van
Cicero aan hem bestaat.--6) Pomponius Graecinus was een vriend van
Ovidius.--7) L. Pomponius Flaccus, broeder van no. 6, bekleedde onder
Tiberius verschillende hooge posten. Hij was consul in 17 n. C.,
daarna stadhouder van Moesia, en later van Syria, waar hij in 33
of 35 gestorven is.--8) P. Pomp. Secundus, handlanger van Seianus,
ontkwam in 31 n. C. den dood, doordat zijn broeder hem gevangen
liet zetten. Gaius liet hem vrij (37); onder Claudius streed hij
(in 50) als legatus p. p. Germaniae Superioris tegen de Chatten,
en verkreeg de insignia triumphalia. Zijn vriend, Plinius de oude,
heeft zijn leven beschreven. Onder de keizers worden nog genoemd:
Q. Pomp. Secundus, onder Caligula, Pomponius Labeo, Pomp. Bassus,
e. a.--9) Sex. Pomponius, beroemd jurist onder Hadrianus en Antoninus
Pius.--10) Pomponius Mela, geograaf, zie Mela.--11) Pomponius
Porphyrio, zie Porphyrio.--12) Pomponia Graecina, vrouw van A. Plautius
(Plautii no. 11), werd in 57 n. C. aangeklaagd van het deelnemen aan
vreemde eerediensten, waaronder v. s. het Christendom te verstaan
is. De behandeling van de zaak werd aan haar man overgelaten, die
haar vrijsprak.
Pomptinae Paludes, moerasstreek van Latium, die langs de Volscerbergen
zich uitstrekt tot aan Anxur en Circeii. Het is oorspronkelijk zeebodem
geweest. Duinen beletten de afwatering der riviertjes Amasenus en
Ufens, die de streek langzaam gevuld hebben. In de vroege oudheid
waren de moerassen nog tamelijk beperkt van omvang; later zijn ze
langzamerhand, niettegenstaande alle pogingen om het water te doen
wegstroomen, grooter geworden, zoodat in de middeleeuwen de via Appia,
die er in 312 in rechte lijn doorheen gevoerd is, onbegaanbaar was
geworden.
Pomptinus (C.) hielp als praetor in 63 Cicero bij het ontdekken der
Catilinarische samenzwering, voerde later (62/61) als propraetor den
oorlog tegen de Allobroges, verkreeg slechts met groote moeite de eer
van een triumf (54), en ging in 51 met Cicero als legaat naar Cilicia.
Pontes, smalle bruggetjes met leuningen, waarover slechts één
persoon tegelijk kon gaan, ten einde gedrang bij de stembus of bij
het uitreiken der stemtafeltjes te voorkomen. Z. ovile, en Maria
(lex) de suffragiis ferendis.
Pontia, Pontia, bijnaam van Aphrodite, Thetis, de Nereïden
e. a. zeegodinnen.
Pontia, het grootste der insulae Pontiae op de kust van Latium
tegenover Formiae; oorspronkelijk volscisch gebied, sedert 313
lat. kol., onder de rom. keizers een verbanningsoord.
Ponticus, rom. episch dichter en vriend van Ovidius.
Pontifices, rom. priestercollege, belast met het toezicht over den
godsdienst. Aan hun hoofd stond de pontifex maximus, aan wien de
geheele priesterschap ondergeschikt was, al stonden ook in rang de rex
sacrorum en de drie flamines maiores boven hem. Hij was lid van den
senaat en woonde in de Regia, het oude koningshuis. Als deskundigen
werden de pontifices geraadpleegd in alle zaken, het ius divinum
betreffende. Onder hunne gewone godsdienstige verplichtingen behoorden
het opmaken en afkondigen van den kalender, het verrichten van zekere
offers (zie Argei), het onderhoud van de paalbrug (pons sublicius)
over den Tiber, de wijding der hooge priesters en der vestaalsche
maagden. Als teekenen hunner waardigheid droegen zij den apex en
de infula. Vóór de lex Ogulnia (300) waren er eerst drie, later 6
pontifices, allen patriciërs, doch deze wet bepaalde het aantal op 9,
waarvan er 5 plebejers moesten zijn. De p. maximus werd reeds in de
3de eeuw uit den boezem van het college gekozen door eene gedeeltelijke
volksvergadering, n.l. door 17 van de 35 tribus, hiertoe door het lot
aangewezen. De verkiezing van nieuwe leden had plaats door cooptatio,
totdat de lex Domitia (104) voorschreef, dat ook deze verkiezing door
17 tribus zou plaats hebben en dan voor den vorm de aldus voorgedragen
persoon door het college zou worden gecoöpteerd. Sulla herstelde de
cooptatio, en bracht het aantal pontifices op 15. De lex Attia (of
Labiena) van 63 voerde de lex Domitia weder in, zie Attia lex. Sedert
Augustus behoorde de waardigheid van pontifex maximus tot de attributen
des keizers; in den regel werd zij hem bij senaatsbesluit opgedragen.