het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Herakleia werd
Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone
lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend,
zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd
hij na Homerus en Hesiodus genoemd.--2) Athener, de grootste ijveraar
voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering
der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te
Decelea.--3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Severus. Er
zijn nog fragmenten over.
Pisatis of Pisaea, Pisatis, Pisaia, het land van Pisa (z. a.), het
middengedeelte van Elis.
Pisaurum, Pisauron, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan
den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.
Pisces, Ichthyes, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat
het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in
zee gevallen was.
Pisidia, Pisidia, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië,
ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De
inwoners, Pisidae, Pisidai, waren een dapper volk, dat, in zijn
bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en
slechts noode het hoofd boog voor Rome.
Pisidice, Peisidike, eene van de dochters van Pelias.
Pisistratus, Peisistratos, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde
Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.--2) Athener, zoon
van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant
van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het
openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en
door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van
erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de
gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij
ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil
van Solon's tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven
werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij
meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere
partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den
Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef
vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en
Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter
verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder
in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette,
door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd
voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in
onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria,
en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met
Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in
Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood
(528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna
onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste
periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van
drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon
in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en
beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering
voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.
Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1-13).
Pissuthnes, Pissouthnes, satraap van Lydië, betoonde zich voor en
gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414
kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes
gevangen genomen en ter dood gebracht.
Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige
verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium
aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten,
dat zij overvloed van spijs hadden.
Pistoria, Pistoria, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid
sneuvelde Catilina (62).
Pitane, Pitane, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van
Artemis.--2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.
Pithecusa, Pithekousa, oude naam voor Aenaria, z. a.
Pithoigia, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).
Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende
verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch
met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius
eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij
beschimpte in zijn liederen Caesar.
Pithon of Python, Pithon, Peith., Pyth. 1) zoon van Agenor, bevelhebber
van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als
stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten
van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).--2) zoon van
Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling
van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar
Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge
had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder
benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater
afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk
te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij
het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus
aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen,
liet deze hem dooden (316).
Pittacus, Pittakos, van Mytilene, een van de 7 wijzen van Griekenland,
wiens spreuk was: kairon gnothi, let op het juiste oogenblik, voerde
zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om
het bezit van Sigeum voerden, en behaalde door list eene overwinning
op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane
burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn
vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnetes gekozen
(omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid
en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig
nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven
teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.
Pittheis, Aethra, dochter van Pittheus.
Pittheus, Pittheus, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader
van Theseus, die bij hem werd opgevoed.
Pityocamptes, Pityokamptes, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).
Pitys, Pitys, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem
niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom
werd veranderd.
Pityus, g. -untis, Pityous, pijnboomstad, belangrijke grensstad in
Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxinus, aan den voet van
den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.
Pityusa, Pityoussa = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus,
van Salamis en van Chius.
Pityusae insulae, Pityoussai, pijnboomeilanden, op de kust van
Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza)
en Ophiusa = slangeneiland (Formentera).
Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antoninus Pius.
Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia
Cispadana aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In
219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de
Rom. te Placentia en te Cremona lat. koloniën. In 200 werd Plac. door
de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd,
en in 190 evenals Cremona met vele nieuwe kolonisten versterkt. In
90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.
Placia, Plakia, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis,
ten O. van Cyzicus.
Placus, Plakos, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den
voet daarvan lag Thebe.
Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk
in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee
lictoren mocht hebben.
Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden
beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele
gesteld werden. Zie curatio.
Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestianus, was in
66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van
Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.--2) Plaetorius Rustianus
kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op
de vlucht om.--3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer
Hadrianus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door
hem vervolgd.
Planasia, Planasia, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen
Augustus' kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.
Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atina, verdedigde als een
der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering
van pacht (59).--2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder
Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote
diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in
een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In
46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcyra.
Planctae, Planktai, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen
welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken,
te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid
van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang
der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische
eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegades verward.
Plancus, familienaam in de gens Munatia.
Plataeae, ook -taea, Plataiai, -taia, beroemde stad in Boeotia, aan de
Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae
en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich
aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490)
1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in
480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag
plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe
de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de
Grieken ontslagen van Thebe's hegemonie. Na een vruchtelooze poging
der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin
van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene
wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche
pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt
(427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Scione op
het schiereiland Pallene. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch
in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur
herrees het weder.
Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurotas, met
plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en
door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.
Platea, Platea, eiland op de kust van Cyrenaïca.
Plato, Platon, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione,
geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn
gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de
breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters
onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne
krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels
van Heraclitus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar
leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen
weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates
was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en
eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst
met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging
hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrene,
Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen
van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden
Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne
vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen
(z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd
(388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de
volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen
hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracusae te
komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op
te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende,
eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd
vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De
zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade
en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae
onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een
latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening
tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het
wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen
aan den invloed van Archytas te danken. Het overige van zijn leven
wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat
hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom
van 80 jaar overleed.--Te midden van de veelheid en afwisseling der
zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke
in de idee (idea, eidos); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf
staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof,
tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen,
toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te
bereiken door de dialektiek (dialektike), de kunst, die leert van het
bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het
bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën
of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en
dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede
spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig,
maar door den schepper (demiourgos) uit ongeordende stof (apeiron)
tot een goed geordend geheel (kosmos) gemaakt. De menschelijke ziel
is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (logistikon,
nous), moed (thymoeides), begeerte (epithymetikon). Het hoogste goed
bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede,
en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben,
resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander
vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en
hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft
P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels
in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende
voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn,
naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder
die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn
geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste
dialogoi zijn: Apologia, Kriton, Ion, Protagoras, Menon, Gorgias,
Euthydemos, Symposion (385), Phaidon, Politeia (ongeveer 380-370),
Phaidros, Timaios. Zijn laatste werk zijn de Nomoi. Hij werd in
de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer,
hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste
tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustinianus in
529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger
als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.--2)
Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes;
van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.
Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3.
Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul
Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in
78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke
rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van
opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen
van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat.
Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen
van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te
keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.
Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en
C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates
foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen,
bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.
Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius
Silvanus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als
rechters zouden gekozen worden.--2) lex Plautia agraria, zie Agrariae
(leges).
Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met
succes tegen de Hernici.--2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347
en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar
moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken
was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen
zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.--3)
C. Plautius Decianus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de
Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.--4)
C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae)
voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor
in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde
Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie,
om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en
de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat
Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.--5)
M. Plautius Silvanus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.--6)
P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens
ambitus veroordeeld.--7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius
en in 56 volkstribuun.--8) M. Plautius Silvanus, met Augustus consul
in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia
en Dalmatia (6-9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta
triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens
geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de
aderen opende (24 n. C.).--9) Plautius Lateranus, onder Nero, werd in
de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid
den dood.--10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasianus, van
wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.--11)
A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en
volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde
in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel,
zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.--12)
L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4.
Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee
en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij
zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers
verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen
door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost
verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal
overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan
werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn,
zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De
meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus,
Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval
en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius
Andronicus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus
is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof
op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn
taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen,
terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de
lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184.
Plebiscitum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling
van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de
lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia
(287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges).
Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn
vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den
staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457
uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat
deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie
bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich
uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het
aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken
gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige
opzichten (b.v. plebiscita, consulaat, censuur) voorrechten boven
den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de
plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding
der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445).
Plectrum, plektron, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede
men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde.
Pleiades, Pliades, Pleiades, Pleiades, dochters van Atlas en Pleïone
of Aethra, die door den reus Orion vervolgd werden, totdat zij
op haar bidden door Zeus eerst in duiven (peleiades) veranderd en
later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als
het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de
gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang
(26 October) de winterstormen aankondigt.--V. a. waren zij onder de
sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit
smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van
haar vader.
Pleias, Pleias, een groep van 7 treurspeldichters, die in den
alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden.
Pleïone, Pleione, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder
van de Pleiades.
Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich
in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking
(zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd,
werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij
een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te
laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd
verraden en Pleminius gedood.
Plemmyrium, Plemmyrion, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven
van Syracusae, tegenover Ortygia.
Plemochon, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische
mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van
eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de
andere naar het Westen.
Plethrum, plethron, het zesde deel van een stadium.
Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie
Westvlaanderen.
Pleuron, Pleuron, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door
Demetrius Poliorcetes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker
een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn.
Plexippus, Plexippos, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus,
uitvinder van het worstelen.--2) oom van Meleager, die hem bij de
calydonische jacht doodde.