van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden,
den draak Ladon en de nimfen Thoosa en Scylla.--2) aanvoerder der
Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.
Phorminx, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel
overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een
band of riem over den schouder.
Phormio, Phormion, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin
van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene
overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).--2) van Ephesus,
peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de
krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen
iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.
Phoroneus, Phoroneus, zoon van Inachus, koning van de Peloponnesus, die
den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun
het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar
hem werden de Argiven Phoronidae, en zijne zuster Io Phoronis genoemd.
Phosphorus, Lucifer, Eous, Phosphoros, Phaesph., Heosph., 1) de
morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.--2) bijnaam van de
lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.
Phraates, Phraates, naam van eenige parthische koningen uit het huis
der Arsaciden. Zie Arsaces.
Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.
Phraortes, Phraortes, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië
(647-625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in
een strijd tegen de Assyriërs.
Phrataphernes, Phrataphernes, satraap van Parthië onder Darius
Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamela, maar onderwierp
zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en
Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.
Phratria, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door
Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke
burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie
phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is
niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren
kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader
ingeschreven, terwijl de medeleden (phratores, phrateres) tegen de
inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden
moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man
over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke
godsdienstige plechtigheden.
Phrixa, Phrixa of -ai, stad in Elis ten Z. van den Alpheus.
Phrixus, Phrixos, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne
moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar
hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden
vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeetes.
Phrontis, Phrontis, zoon van Onetor, stuurman van Menelaus. Apollo
doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelaus op te houden.
Phrygia, Phrygia, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men
onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia),
waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd
alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs
waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon
bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus
lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder
hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een
machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij
noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte
de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia
waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen
van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is
dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius
zelfs = Romeinen.
Phrygia Mater = Rhea Cybele.
Phrygius of Phryx, Phrygios, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.
Phryne, Phryne, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde
van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model
diende voor de cnidische Aphrodite van Praxiteles en voor de Aphrodite
Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van
Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.
Phrynichus, Phrynichos, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van
de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in
511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en
v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën
vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der
lyrische partijen. Zijne Miletou alosis, waarin de inneming van
Miletus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo,
dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd
(496). In 476 werden zijne Phoinissai, ook een historisch stuk,
opgevoerd.--2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides,
tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.--3)
tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.--4) Athener,
zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene
zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van
Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet,
maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin
bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon
als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen;
bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybulus van Calydon
op straat vermoord (411).--5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C.,
schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen,
waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.
Phrynis, Phrynis, van Mitylene, beroemd dithyrambendichter tegen het
einde der 5de eeuw.
Phtha(s), Phtha, Phthas, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd,
door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld
als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.
Phthia, Phthia, 1) = Phthiotis.--2) stad in Phthiotis, de zetel
van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere
Thebae Phthiotides.
Phthiotis, Phthiotis, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van
Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der
Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.
Phyle, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden
oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke
afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking
tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd
vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is;
de zoog. indeeling van Theseus in Eupatridai, Geomoroi, Demiourgoi
berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de
gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Geleontes, Hopletes, Argadeis,
Aigikores), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers
naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten:
Pentakosiomedimnoi, Hippes, Zeugitai, Thetes, de oude ionische phylen
bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen
Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde,
waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren
geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie trittyes (z. a.),
dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld,
ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst
en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden
epimeletai. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een
gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd,
die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene
dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort
daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het
aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam
van Attalus kreeg (z. ook Phratria).--In de dorische staten is de
dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Hylles, Pamphyloi,
Dymanes, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van
Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel
aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos
en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (obai) verdeeld. Waarop hier de
verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae
plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta
ook eene plaatselijke indeeling in 5 komai bestond.
Phylobasileus, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes
of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis
behouden hadden, bleef de waardigheid van phylob. bestaan.
Phylace, Phylake, stadje in Phthiotis, ten O. van den Enipeus,
geboorteplaats van Protesilaus.
Phylacus, Phylakos, 1) zoon van Deïon en Diomede, vader van Iphicles
no. 3, stichter van Phylace.--2) heros, die den delphischen tempel
tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.
Phylarchus, Phylarchos, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot
van Aratus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272-220 in 28
boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan
opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld;
toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.
Phyle, Phyle, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling
van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30
te Athene (404-403) bezette Thrasybulus aan het hoofd der atheensche
ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus
meester.
Phyleus, Phyleus, zoon van Augias, een van de deelnemers aan de
calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor
Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk
rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en
ging naar Dulichium.
Phyllidas, Phyllidas, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische
gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der
polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en
noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een
feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.
Phyllis, Phyllis, z. Demophon no. 2.
Phyllis, Phyllis, landstreek aan den mons Pangaeus.
Phyllus, Phyllos, stad in Thessaliotis, bij den Enipeus, met een
Apollo-tempel. Dichterlijk: Philleius = thessalisch.
Physcon, Physkon, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.
Physcus, Physkos, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis
met den hoofdstroom vereenigt.--2) berg in Bruttii, bij Croton.--3)
haven op de Z. kust van Caria.
Phytalus, Phytalos, een heros van Eleusis, die Demeter op hare
zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het
kweeken van den vijgeboom.
Phyxius, Phyxios, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij
de Thessaliërs.
Picentes, Piceni, bewoners van Picenum.
Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentini, nabij de golf van
Paestum (golf van Salerno).
Picentini, een gedeelte der Picentes, dat uit Picenum naar het Z.O. van
Campania was verhuisd.
Picenum, Pikentine, kustland van Italia aan de Adriatische
zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Piceni,
Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de
Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania
overgebracht en zette zich aan den sinus Paestanus (golf v. Salerno)
neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentini
kregen.
Pictavi, zie Pictones.
Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van
een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van
de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden,
in Zuid-Schotland en Ierland wonen.
Pictones of Pictavi, machtig gallisch volk in het
tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limonum (Poitiers).
Pictor, zie Fabii no. 24 vv.
Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der
landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus
(z. a.).
Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg
verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomona of
van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde
van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij
wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een
jongeling met een specht op het hoofd.
Pieria, Pieria, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van
Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van
Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie
Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren
een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs
verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van
den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.--2)
landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en
den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amanus.--3)
(of Pierium, Pierion), berg in het W. van Thessalia.
Pierides, Pierides, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.
Pierus, Pieros, koning van Emathia, vader der Emathides.
Pierus, Pieros, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3.
Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet
nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde
partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te
nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen
nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander
het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.
Pigres, Pigres, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter
der Batrachomyomachie, zie ook Margites.
Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare.
Pilani, zie hastati.
Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen
(currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers
en spelen reden.
Pileus, pilos, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij
verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De
Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder
gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap
of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen;
vandaar dikwijls ius pilei = libertas.
Pilorus, Piloros, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia,
aan den sinus Singiticus.
Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter,
maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De
schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij
pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals
de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De
rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De
aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden
van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan
elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te
ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.
Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het
dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij
was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was,
werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed
gespreid, zie ook Deverra.--2) z. Danae.
Pimpleae, Pimpleides, Pimpleides, bijnaam der Muzen, naar de stad
Pimplea in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.
Pinara, ta Pinara, stad in Lycia aan den berg Cragus.
Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze
wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180.
Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius
Mamercinus Rufus, L. Furius Medullinus Fusus en Sp. Postumius Albus
Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de
toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.
Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii,
in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat
in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage
kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd
hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst
te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311
stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden
laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit
was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod
met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den
eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium
van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij
het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van
de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder
Cicero's vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook
een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle
van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der
goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek
ooit weder in Cicero's bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius,
met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging
later tot de partij van Octavianus over.
Pinarus, Pinaros, rivier in Cilicia, die op den Amanus ontspringt en
in de golf van Issus valt.
Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio,
heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aurelianus
grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.
Pindarus, Pindaros, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken,
geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame
toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs
van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en
bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu
en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote
nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde
hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van
zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45
zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan
hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten
uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van
gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken
(hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.
Pindenissus, Pindenissos, stad der Eleutherocilices in het Amanusgeb.,
door Cicero veroverd (51).
Pindus, Pindos, 1) grensgebergte tusschen Epirus en Thessalia, waarvan
de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.--2) eene der steden van
de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.
Pinna, hoofdstad der Vestini, die ten Z. van Picenum tusschen
de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene
heerlijke omgeving.
Pirae(e)us, Peiraieus, de havenstad van Athene, door Themistocles
aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles
een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van
Phaleron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het
schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren;
Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had
3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk
voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens
en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere,
de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en
Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete
aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond
er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs
(to deigma), een arsenaal (skeuotheke), een theater, enz. Een tijd
lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk
als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene
voerden, lagen tusschen de lange muren, ta makra teiche, ta skele,
besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van
den Piraeus, één naar Phaleron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur
bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.
Piraeus, Peiraios, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de
grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412
eene spartaansche vloot ingesloten.
Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf),
waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om
hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.
Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de
bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie
Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan
de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot
een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was
gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben,
slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat
van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het
oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen,
werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder
voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.
Pirene, Peirene, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van
haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en
bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl
het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van
Corinthus. Dichterlijk Peirenes asty en Pirenis Ephyre = Corinthus,
Peirenaios polos = Pegasus.
Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten
N. van Babylon.
Pirithous, Peirithoos, zoon van Zeus of Ixion en Dia. Op zijne
bruiloft met Hippodamea ontstond de geweldige strijd tusschen de
Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen
wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena,
hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in
de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan
alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.
Pirus, Peiros, Pieros, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van
Olenus in de golf van Patrae stortte.
Pirustae, Piroustai, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in
den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.
Pisa, Pisa, stad in Elis, even ten N. van den Alpheus nabij Olympia
gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over
het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag
leed en verwoest werd (572).
Pisae, Pisai, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus
(Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe
ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland,
en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te
kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en
Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid
zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa.