Philippus, Philippos, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië

621-588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.--2) zoon

van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door

Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had,

als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize

van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn

ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen

zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere

pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door

toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne

tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der

regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs

en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot

koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en

beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder

macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk

te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der

binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde,

de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan

strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door

de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog

met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij

voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de

verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid

zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook

ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam

krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij

en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea,

en Methone nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen

van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in

den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij

na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen,

maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot

naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde

hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen

veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnesus,

op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij

Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund,

door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij

nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het

omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te

misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren

het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog

gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte,

ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en

ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich

in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen

(346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen

de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij

zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op

Euboea, viel de steden op de Chersonesus aan en bedreigde Perinthus

en Byzantium. Phocion en Diopithes beletten hem wel eenig belangrijk

voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk

verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot

bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van

dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar

Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende

zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar

bezette tevens Elatea in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde

(herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide

staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne

troepen bij Chaeronea een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde

de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van

afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog

tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl

hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij

op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van

zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van

zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander

opgevolgd.--3) z. Arrhidaeus.--4) zoon van Cassander, regeerde na den

dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.--5) Ph. III (of V),

zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg

den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met

bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een

oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht

werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van

Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot

eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door

zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij,

zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor

het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt,

dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden

punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats

van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen

door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië

e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.'s vijanden tot

stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de

Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde

(205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren,

hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte,

enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet,

verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het

achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent

en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flamininus

den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij

de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag

bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche

steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen,

enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die

hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan

weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen

krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus

tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij

streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds

toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen,

en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind

ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen

van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn

onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts

ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg

tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij

(178).--6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.--7) van Opus, leerling van Plato,

bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.--8)

zoon van Herodes den Groote z. a.

Philiscus, Philiskos, 1) van Abydus, werd door den satraap Ariobarzanes

naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende

staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven,

ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen

de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij

stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht

vermoord werd.--2) van Miletus, leerling van Isocrates, schrijver van

redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en

Neanthes.--3) van Aegina, leerling van Diogenes, v.s. leermeester

van Alexander d. G.--4) van Corcyra, treurspeldichter, door de

Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder

Ptolemaeus II.

Philistaei, Philistaioi, de Philistijnen, z. Palaestina.

Philistides, Philistides, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran

van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen

aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een

atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood.

Philistion, Philistion, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder

Augustus.--2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door

Galenus aangehaald.

Philistus, Philistos, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden

Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later

ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran

opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen

(366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt

hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel

over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen

en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef

hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië

(Sikelika), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven

der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor

Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides

wordt hij een Thucydides in 't klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit

zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over.

Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii

no. 7 en 8).

Philo, Philon, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te

Oropus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid

van den raad verkozen werd.--2) van Amphipolis, door Philippus van

Macedonië verbannen (358).--3) zwager van Aeschines, in 347 lid

van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.--4)

bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus

bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend,

schreef.--5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van

een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen

daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven

is.--6) van Larisa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn

opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie

genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradates vluchtte hij naar Rome,

waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.--7)

geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke,

deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft

hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche

wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij

daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de

academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar

Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner

geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en

van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften:

eis Phlakkon en Presbeia pros Gaion.--8) Herennius Ph., van Byblus,

beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een

over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw

n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3.

Philochorus, Philochoros, Athener, die in zijne talrijke werken,

waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van

Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door

latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als

tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonatas

gedood (261).

Philocles, Philokles, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als

een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens

den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.--2)

atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche

vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen

en door Lysander ter dood gebracht.

Philocrates, Philokrates, 1) atheensch veldheer, veroverde in

den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).--2) Athener,

aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door

de Lacedaemoniërs genomen werd (390).--3) Athener, een van de

onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor

Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en

wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperides aangeklaagd,

nam hij de vlucht (343).

Philoctetes, Philoktetes, zoon van Poeas en Demonassa, koning van

Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken

niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke

gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken

op het eiland Chryse geland waren om aan Athena te offeren, werd hij

door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door

de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad

van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij

eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog,

toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles

kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem

te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde

hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door

Asclepius of Machaon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris

en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis

naar Italië, waar hij Petelia stichtte.

Philocyprus, Philokypros, koning van Soli op Cyprus, die door Solon

bezocht en in zijne gedichten geprezen werd.

Philodemus, Philodemos, van Gadara, epigrammendichter en geleerd

epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal

epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke

fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn.

Philoetius, Philoitios, de herder der runderen van Odysseus, die hem

behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope.

Philolaus, Philolaos, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.--2) van

Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer,

de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige

fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde

dat de aarde zich om hare as beweegt.

Philomela, Philomele, z. Procne.

Philomelus, Philomelos, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer

aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd

hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch

bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn

kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde

hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de

Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich

in een afgrond stortte (354).

Philometor, Philometor, bijnaam van Ptolemaeus VI.

Philonides, Philonides, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam

het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te

jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler

trad hij in de stukken van Aristophanes op.

Philonoë, Philonoe, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst

van Artemis onsterfelijk gemaakt.--2) dochter van Iobates, gemalin

van Bellerophon.

Philopappus (Antiochus), Philopappos, afstammeling der koningen van

Commagene, liet ten tijde van Traianus een marmeren gedenkteeken te

Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan.

Philopator, Philopator, bijnaam van Ptolemaeus IV.

Philopoemen, Philopoimen, van Megalopolis, geb. 253, om zijn

heldenmoed en liefde voor de vrijheid "de laatste der Grieken"

genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad

door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij

Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een

burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in

208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke

betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij

gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs

een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij

behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinea (207);

Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had

vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een

zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te

land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe

te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door

hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen

zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische

partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en

toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het

eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en

hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en

reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183).

Philostratus, Philostratos, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C.,

schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is

niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Neron, die

onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.--2)

Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te

Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke

werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van

Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in

den rom. keizertijd en andere van minder belang.--3) de jonge Ph.,

schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op

Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving

van eene verzameling schilderijen.--4) kleinzoon van no. 3, schrijver

van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk.

Philotas, Philotas, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend

van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne

vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had

van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore

gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood

veroordeeld en gesteenigd (330).--2) bevelhebber der macedonische

bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem

Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen

geraakte hij in gevangenschap.

Philoxenus, Philoxenos, 1) van Cythera, beroemd dithyrambendichter,

vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij

reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te

Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten

van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis

doorgebracht.--2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de

westelijke provinciën, later opvolger van Philotas no. 2 als satraap

van Cilicië.--3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde

der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij

Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit

Pompei.--4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste

eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te

danken had.

Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2).

Philyra, Philyra, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart

over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.

Philyrides, Philyrides, Chiron, zoon van Philyra.

Phineus, Phineus, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het

Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen

afstand wilde doen.--2) zoon van Agenor, koning van Salmydessus,

had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede

gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door

de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden,

totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en

Calaïs verjaagd werden.--Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen

geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door

Zeus van het gezicht beroofd werd.

Phintias, Phintias, 1) zie Damon.--2) tyran van Agrigentum.

Phintias, Phintias, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias,

tyran van Agrigentum, gesticht.

Phla, Phla, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der

groote Syrte.

Phlegethon, Phlegethon = Pyriphlegeton.

Phlegon, Phlegon, van Tralles, vrijgelatene van Hadrianus, schrijver

van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat

bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte

aanhalingen van oudere schrijvers.

Phlegra, Phlegra, oude naam van het schiereiland Pallene op Chalcidice,

waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.

Phlegraei campi, zie campi Phlegraei.

Phlegyae, Phlegyai, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde

plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.

Phlegyas, Phlegyas, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der

Phlegyers. Toen zijne dochter Coronis bij Apollo moeder geworden

was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in

brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in

de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem

te vallen.

Phliasia, Phliasia, gebied van Phlius.

Phlius, gen. -untis, Phlious, stad in de Peloponnesus, ten Z. van

Sicyon. Het had slechts een klein gebied.

Phlyax, Phlyakes. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia,

is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische

element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm

hiervan is de phlyax, terwijl de spelers ook phlyakes heeten. In

deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen

geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in

Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder

hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton.

Phobetor, Phobetor, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phocaea, Phokaia, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene

belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje

Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners

(Phocaei, Phokaes, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Phokes,

genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten,

o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus' veldheer Harpagus de grieksche

steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar

Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of

Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel

uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door

de Rom. geplunderd (190).

Phoceae, Phokeai, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontini.

Phocion, Phokion, Athener van geringe afkomst, leerling van

Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot

strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij

de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in

(341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de

Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene

tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk

van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur

tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij,

in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den

slag bij Chaeronea tot het aannemen der voorwaarden van Philippus,

en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene

tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen

twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten

aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel

bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering

hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch

gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met

alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er

van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken

was afgeloopen, ging hij met Demades naar Antipater om over den vrede

te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede,

stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen

Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden

beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk

ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat

de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de

nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen

genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering

ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna

werd voor hem een standbeeld opgericht.

Phocis, Phokis, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van

Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de

zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd

verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De

tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der

crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij

niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten

meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig

werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen,

drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de

Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden

uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan

Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den

delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet

toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de

stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomela

en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Phokes, genoemd

(zie Phocaea).

Phocus, Phokos, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar

het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.--2) zoon van Aeacus en

Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.

Phocylides, Phokylides, van Miletus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw;

de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn,

zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt,

is van veel lateren tijd.

Phoebe, Phoibe, 1) bijnaam van Artemis.--2) dochter van Uranus en Gaea,

bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het

orakel van Delphi.--3) eene van de Leucippides.--4) dochter van Leda.

Phoebeum, Phoibeion, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.

Phoebidas, Phoibidas, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met

troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe

overhalen om de Cadmea te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen

en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had,

doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke

betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).

Phoebus, Phoibos, bijn. van Apollo en Helius.

Phoenice, Phoinike, handelsstad in Chaonia in Epirus, ten N. van

Buthrotum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus.

Phoenice of -cia, Phoinike, het smalle kustland ten N. van Palaestina,

tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende

door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie,

de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken

waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet

geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den

weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een

bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De

Phoeniciërs (Phoenices, Phoinikes) strekten hunne tochten uit tot

ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis,

op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met

hen verloren.

Phoenicus, gen. -untis, Phoinikous, naam van verschillende steden,

o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland

Chius.--2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in

78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de

O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.--3) op de Zuidkust van Messenia.--4)

op het eiland Cythera.

Phoenix, Phoinix, 1) vader of broeder van Europa, mythisch

stamvader der Phoeniciërs.--2) zoon van Amyntor en Cleobule, een

van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte

hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind

werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte

naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met

hem naar Troje.--3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der

4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben,

in een papyrus teruggevonden.--4) fabelachtige heilige vogel der

Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende

verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500

(of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel

den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.

Phoenodamas, Phoinodamas, Trojaan, wiens dochter door Laomedon

(z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster

en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter

moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.

Pholoë, Pholoe, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van

den Erymanthus.

Pholus, Pholos, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere

Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij

ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.

Phorbas, Phorbas, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge

een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland

van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros

vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor

een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen

werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en

werd door Apollo zelf gewond.

Phorcides, Phorcynides, Phorkides, de Gorgonen en Graeën, dochters

van Phorcys.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 108 / 150 段