Phanote, vesting in Chaonia in Epirus, ten N. van Phoenice.

Phantasus, Phantasos, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phaon, Phaon, z. Sappho.

Pharae, Pharai, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland,

ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners

werden Pharaes genoemd.--2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de

inw. Pharitai heetten, ten Z. van Sparta.--3) (Pherae), stad in het

Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon;

inw. Pharaitai.

Pharax, Pharax, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als

vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd

wordt.

Pharis, Pharis = Pharae no. 2.

Pharmacusa, Pharmakoussa, 1) eilandje bij Miletus, waar Caesar in

handen der zeeroovers viel.--2) Pharmacusae, twee eilandjes bij

Salamis.

Pharnabazus, Pharnabazos, satraap van Phrygië aan den Hellespont,

ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners,

maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de

Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van

de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilaus te lijden. Daarom

zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel

van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de

grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnesus en

droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter

weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het

hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een

krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen,

kwam hij onverrichter zake terug.

Pharnaces, Pharnakes, 1) koning van Pontus (183-157), zoon van

Mithradates IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste

van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie

te Sinope. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen

weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.--2) zoon

van Mithradates VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid

zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn

vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door

Mithradates veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxinus

erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporanum (63). In den strijd evenwel

tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te

heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg

hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug

in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze

beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces

sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen

(47).--3) perzisch satraap, omstreeks 430.

Pharnacia, Pharnakeia, stad op de kust van Pontus, door koning

Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder

Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt.

Pharos, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door

vrouwen gedragen.

Pharsalus, Pharsalos, stad in het N. van Phthiotis, aan den Apidanus,

ten Z. van den Enipeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke

acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen

Caesar en Pompeius.

Pharus, Pharos, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelaus bij

zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander

verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste

kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet

Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder

de zeven wonderen der wereld werd gerekend.--2) eiland op de kust

van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam,

door Aemilius Paullus verwoest.

Pharygae, Pharygai, z. Tarphe en Narycus.

Phaselis, Phaselis, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met

drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der

zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest.

Phaselus, phaselos, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo

genoemd, omdat zij het eerst te Phaselis gebouwd werden, v. a. omdat

zij den vorm van een snijboon (phaselus) hadden.

Phasiani, Phasianoi, volksstam in Colchis aan den Phasis.

Phasis, Phasis, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte

ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee)

valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is

moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis

moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of

Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van

den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Miletus. Naar

deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasianae.

Phasis, een soort van graphe, aangewend tegen hen, die de wetten op

den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van

staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel

van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest.

Phatniticum, Phatneticum ostium, Phatnitikon stoma, een der Nijlmonden,

tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen.

Phayllus, Phayllos, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een

op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.--2)

opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in

den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een

groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs

en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en

stierf reeds in 351.

Phazania, Phazania, z. Garamantes. Tgw. Fezzan.

Phea, Phea, Pheia, landtong met haven en vlek in Elis.

Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia.

Phegea, Phegeia, z. Psophis.

Phegeis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus.

Phegeus, Phegeus, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door

de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.--2) Trojaan, priester van

Hephaestus, door Diomedes gedood.--3) tochtgenoot van Aeneas.

Pheiditia, bij de Spartanen = syssitia.

Phelleus, Phelleus, bergstreek in Attica.

Phellus, Phellos, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische

muren.

Pheme, Pheme = Ossa.

Phemius, Phemios, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook

bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe

gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van

Telemachus.--V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus

als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde.

Phemonoë, Phemonoe, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms

algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden.

Pheneüs, Pheneos, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door

herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllene.

Pherae, Pherai, 1) = Pharae no. 3.--2) thessalische stad in het

Z.O. van Pelasgiotis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen

tijd was zij de zetel van koning Admetus, later van de tyrannen Iason

en Alexander.

Phereclus, Phereklos, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athena,

bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde.

Pherecrates, Pherekrates, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter

der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van

zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het

metrum Pherecrateum is naar hem genoemd.

Pherecydes, Pherekydes, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche

wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk

(Heptamychos, v. a. Pentemychos, peri physeos kai theon) en een van de

eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes

en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig

van hem bekend.--2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf

in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het

bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts

enkele fragmenten bewaard gebleven zijn.

Pherenicus, Pherenikos, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus

vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had,

werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de

Spartanen uit Thebae wijken moest.

Pheres, Pheres, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van

Pherae in Thessalië.

Pheres, Pheres, naam door Homerus aan de Centauren gegeven.

Pheretiades, Pheretiades, Admetus, zoon van Pheres.

Pherinium, kasteel in Thessalia.

Pherne = proix.

Pherrephassa, Pherrephassa = Persephone.

Pherusa, Pherousa, eene Nereïde.

Phidias, Pheidias, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias

en Ageladas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles,

wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing

van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf

maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin

hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te

doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athena Promachus,

staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men

van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athena

Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het

beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op

een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel,

die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met

ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd

had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij

een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor

gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend

zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en

Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit

en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of

onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard

gebleven.--Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles'

vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij

van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben,

maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis

liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia

(432).

Phidippides, Pheidippides, de atheensche renbode, die bij den eersten

inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp

te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde.

Phidon, Pheidon, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig

en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele

Peloponnesus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig

weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren

zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten

onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt

geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten

en gewichten.

Phigalia, Phigalia, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar

roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius,

door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictinus, den schepper van

het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van

dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte

van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en

der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum

te zien; zie blz. 159.

Philadelphia, Philadelpheia, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet

van den Tmolus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.--2) stad

in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon,

naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.--3) stad in het binnenland

van W. Cilicia.

Philadelphus, Philadelphos, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II.

Philae, Philai, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte,

met prachtige tempels en de graven van Isis en Osiris.

Philaeni, zie arae Philaenorum.

Philaeus, Philaios, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de

heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch

burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades

behoorde.

Philammon, Philammon, mythisch zanger uit Thracië, zoon van

Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en

Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en

sneuvelde daarbij.

Phileas, Phileas, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver

van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten

bewaard zijn.

Philemon, Philemon, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met

zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen

deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een

schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor

werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut

van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd,

terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop

verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld

te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd

hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.--2)

van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als

dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die

uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral

de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging

van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde

hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf

(262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan

zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.--3) zoon

van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken.

Philetaerus, Philetairos, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels

tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie

behooren.--2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus

en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van

Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen

der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te

handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn

neef Eumenes I achter.

Philetas, Philetas, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en

Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus

Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de

erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius,

dikwijls nagevolgd.

Philinus, Philinos, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van

Demosthenes.--2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid

voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.--3)

van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken,

stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240.

Philippi, Philippoi, stad in het macedonische gewest Edonis, aan den

berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de

thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus

en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht.

Philippides, Philippides, beroemd dichter der nieuwe comedie,

gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts

onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin

nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan.

Philippopolis, Philippopolis, stad in Thracia aan den Hebrus

(Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het

vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie

Thracia. Thans Philippopoli.

Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14-16).

Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch

Bedoeinenhoofd; door Gordianus III werd hij in 243 na den dood van

Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in

244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot

Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248

met grooten luister het feest van Rome's 1000-jarig bestaan. In 249

verloor hij bij Verona het leven tegen Decius, die door de pannonische

legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 107 / 150 段