door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid
was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor
zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne
macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de
belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude
halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door
de hulp van Hermes en Athena kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich,
terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem
den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden
verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van
de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van
Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met
deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van
den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medusa het hoofd af, terwijl
hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den
spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen,
maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd
in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika
den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd
wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij
zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus
terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te
dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het
Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over
het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos
terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader
gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef
Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea
en Mycenae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke
o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus
en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de
sterren geplaatst.--2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde
reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen
zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In
178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk
regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap,
maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was,
rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger,
zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond
zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië,
Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit,
die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren
door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne
maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de
vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren,
van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door
zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van
zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over
het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen
hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende
overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrace, maar
gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den
triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige
jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door.
Persicus sinus, ho Persikos kolpos, tegenwoordig nog als de Perzische
golf bekend.
Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius
Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand
geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornutus en een vriend
van den dichter Lucanus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea
Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij
had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf
hij aan eene maagkwaal.
Persis, Persis, Persike, de bakermat van het groote perzische rijk,
ten Z. van Media. De Persae, Persai, waren in drie kasten verdeeld
de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media
kwam de priesterkaste der Magiërs.
Persona, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren
van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake
kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de
spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de
toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden,
waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo
waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel,
zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het
treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes,
7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel
worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers
met gesloten mond.
Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan
als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte
zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182)
bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen,
waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de
tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192
vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen,
doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de
krijgstucht poogde te verscherpen.
Perusia, Perousia, eene der 12 etruscische bondssteden, op een
heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen,
o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusinum in 41, toen Fulvia,
de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot
een oorlog tegen Octavianus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te
Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de
verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd;
thans Perugia.
Perzische oorlogen (492-449). Verbitterd door den opstand der ionische
Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en
Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig
om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen
kant door verovering uit te breiden, besloot Darius I een leger naar
Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het
bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar
keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk
geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf
echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van
100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die
op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon
tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd
door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe
toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn
opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen
opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk
gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door
Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een
brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos
had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van
800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen
naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene
en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en
de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae
werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271
schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist,
maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar
Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene,
dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs
verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de
landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten
einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot,
die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk
geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning
(September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot,
ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met
300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd
had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd
weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij
zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd
door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene
luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste
deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke
orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van
120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale,
en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in
het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te
werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te
land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd,
de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449
vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of
op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker,
z. Cimon.--De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte
der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en
worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent
het artikel taxis.
Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter.
Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen
oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood
van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij
was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger
Septimius Severus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194).
Pesseia, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men
speelde het met steenen (pessoi) op een bord (pessa), dat in 36 vakken
(chorai, poleis) verdeeld was.
Pesssinus, Pessinous, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld
van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener
uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome
overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd.
Petalismus, petalismos, instelling te Syracuse, gelijk aan het
ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (petala) van
een olijfboom geschreven, vandaar de naam.
Petasmata, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te
vervangen.
Petasus, petasos, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys
gedragen.
Petelia, Petelia, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even
ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctetes gesticht, en bekend
door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal.
Peteon, Peteon, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe.
Peteos, Peteos, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven,
stichtte Stiris in Phocis.
Petilia = Petelia.
Petilii = Petillii.
Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders
Scipio, Asiaticus en Africanus maior, tot instelling van een onderzoek
de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet,
maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en
Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De
eisch werd afgewezen.
Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurinus liet als
praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa
Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176
sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).--2)
L. Petillius, zie Perpernae no. 1.--3) Q. Petillius Cerealis, een
ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren
onder Civilis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij
als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren.
Petra, Petra, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van
Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltites lacus)
en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven
vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne
ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte,
Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad
van Arabia Petraea.--2) bergvesting in Sogdiana.--3) stad der Maedi
in Thracia.--4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.--5) stad in het
macedonische landschap Pieria.--6) stadje (demus) in Corinthia.--7)
vlek in het gebied van Elis.--8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna.
Petreii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul
C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilina bij Faesulae. Van
54-49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen
Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius' dood verzamelde hij
troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven.
Petrinum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania
in Latium.
Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het
tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux).
Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus,
veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace,
in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde
in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het
land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandria.--2)
P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia,
later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij
kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel
te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit
terug te komen (39 n. C.).--3) P. Petronius Turpilianus was onder
Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder
vorm van proces gedood (69).--4) C. Petronius Arbiter, proconsul van
Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66
na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende
hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde
hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter
elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken;
het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm
geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen
aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven
gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een
meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu
Trimalchio.--4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder
van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel
aan den moord op Domitianus, maar werd zelf het slachtoffer van de
verbittering der praetorianen.--5) M. Petronius Sura Mamertinus,
consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus
omgebracht.--6) Petronius Didius Severus, vader van keizer Didius
Iulianus.--7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius).
Peuce, Peuke, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden
en bewoond door de Peucini, een bastarnischen stam.
Peucestes, Peukestes, -tas, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de
bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het
leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door
het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich
bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der
Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot
van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan
Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam.
Peucetia, Peuketia, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii,
Peuketioi.
Peucetius, Peuketios, broeder van Oenotrus, dien hij naar Italië
volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd.
Peucini, Peukenoi, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie
Peuce.
Pezetairoi, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij
waren ingedeeld in zes of meer taxeis, die weder verdeeld waren
in lochoi.
Phacium, Phakion, stad in Pelasgiotis in Thessalia, ten O. van Crannon.
Phacusa, Phakousa, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm.
Phaea, Phaia, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus
gedood werd.
Phaeaces, Phaiakes, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperea
gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden
had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van
zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn
vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk
en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcyra
gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt.
Phaeax, Phaiax, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië,
om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen,
maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was
hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de
verbanning van Hyperbolus te bewerken.--2) bouwmeester te Agrigentum
op het einde der 4de eeuw.
Phaeca = Pheca.
Phaedo, Phaidon, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens
dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en
stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting
niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak
over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle
verloren gegaan.
Phaedra, Phaidra, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus,
moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood
van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven.
Phaedriades, Phaidriades, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi,
behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de
nabijheid vindt men de bron Castalia.
Phaedrus, Phaidros, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias
en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.--2) hoofd der
epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome
(90), later te Athene (79/78).--3) van Pieria, kwam als slaaf naar
Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche
bewerking van de fabels van Aesopus in iambische verzen. Bovendien
heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of
ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij
onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te
zijn gekomen.
Phaënna, Phaenna, eene van de Charites bij de Spartanen.
Phaesana, Phaisana, stad in Z. Arcadia.
Phaestus, Phaistos, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortyna. De
opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnosus,
belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht,
zie Cnosus en Creta.--2) stad in het N. van Thessaliotis.--3) stad
der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel.
Phaëthon, Phaethon, 1) bijnaam van Helius.--2) zoon van Helius en
Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te
nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken,
waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god
zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg
nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen,
en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen
wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de
jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de
geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen,
zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij
uit den wagen in den Eridanus viel.--3) zoon van Eos en Cephalus,
door Aphrodite ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld.
Phaëthontiades = Heliades.
Phaëthusa, Phaethousa, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare
zuster Lampetië de kudden van haar vader.
Phagres, Phagres, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon
en den mons Pangaeus.
Phaininda, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan
den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen
dan om het hardst om den bal te halen.
Phalaecus, Phalaikos, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als
aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis
onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnesus
en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd.
Phalanthus, Phalanthos, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf
te Brundisium en werd als halfgod vereerd.
Phalanx, phalanx, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij
de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter
elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch
werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx
was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne
troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man
kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen,
waar de koning stond, kon doorbreken.
Phalara, ta Phalara, haven van Lamia aan de Malische golf.
Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit
een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien
van een drie voet lange ijzeren punt.
Phalaris, Phalaris, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen
en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien
kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen
verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen,
en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij
onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed
(z. Perilaus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand
gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst
uit den tijd der Antonijnen.
Phalasarna, ta Phalasarna, havenstad op de W.kust van Creta, met
een Artemistempel.
Phalces, Phalkes, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over
Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de
regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had.
Phalera (plur.) en phalerae, ta phalara, lederen, met metalen
schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij
de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning
uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig
der paarden.
Phalerum, of -us, Phaleron, -os, de oudste en meest oostelijke der
havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar
beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen.
Phalinus, Phalinos, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige
in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de
Grieken zond om met hen te onderhandelen.
Phaloria, Phaloria, vesting geheel in het W. van Hestiaeotis in
Thessalia, aan den Peneus.
Phanae, Phanai, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een
Apollotempel.
Phanagoria, Phanagoreia en -ria, grieksche stad op den aziatischen
oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad
van het bosporaansche rijk.
Phanes, Phanes, bij de Orphici = Eros.
Pha(e)nias, Pha(i)nias, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles,
vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis,
wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten
bewaard zijn.--2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in
den corinthischen oorlog.
Phanocles, Phanokles, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in
den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Erotes, zijn slechts
kleine fragmenten bewaard gebleven.
Phanodemus, Phanodemos, schrijver eener Atthis, waarvan eenige
onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk
een Athener.