Pausias, Pausias, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander

d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die

de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde.

Pausilypum, Pausilypon, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo)

heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus

vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans

de grot van Posilippo genaamd.

Pauson, Pauson, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van

Aristophanes.

Paxi, Paxoi, twee eilandjes tusschen Corcyra en Leucas, thans Paxo

en Antipaxo.

Peculatus, verduistering van staats- of tempeleigendom.

Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan

een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te

bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium

castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst

is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus

bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over

het peculium castrense.

Pedaneus, zie iudex pedaneus.

Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides

zie Dioscorides.

Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen

curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun

meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot

het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam;

vandaar hun naam.

Pedasa, ta Pedasa, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus.

Pedasus, Pedasos, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas,

aan den Satniois.--2) stad in Messenia, later Methone, thans Modon.

Pediaei, Pediaioi, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land

in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars;

in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk

de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij

als zoodanig gegeven.

Pedias, Pedias, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van

Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs,

Pediaioi, vormden in Solons tijd de aristocratische partij.

Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring

(aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars.

Pediea, Pedieia, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus.

Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek

opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia

en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na

Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octavianus af

en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds

in ditzelfde jaar.

Pednelissus, Pednelissos, stad in Pisidia.

Pedo Albinovanus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van

Ovidius. Hij schijnt eene Theseis te hebben geschreven, terwijl van een

gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving

van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen

hebben gedicht.

Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in

113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van

incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts

ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia,

vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd

door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg

dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden.

Peducaei, 1) zie Peducaea lex.--2) Sex. Peducaeus, stadhouder van

Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam

was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde

en achting verwierf.--3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd

man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd

gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en

van Octavianus.

Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicana.

Pegae = Pagae.

Pegasides, Pegasides, z. Pegasus.

Pegasus, Pegasos, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medusa

(z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op

en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het

aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het

werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirene

dronk, of hij kreeg het van Athena of Poseidon. Toen de Helicon,

in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht

P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed

met denzelfden slag de bron Hippocrene ontspringen, waaruit de Muzen

en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te

verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de

bronnen Hippocrene te Troezen en Pirene te Corinthe, vandaar worden

zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Pegasides) genoemd.

Pela, Pele, eil. op de ionische kust bij Clazomenae.

Pelagones, Pelagones, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst

aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het

W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia

werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische

tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande.

Pelargikon (teichos) = Pelasgikon (teichos).

Pelasgi, Pelasgoi. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de

eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral

in de Peloponnesus, in Thessalië en Epirus, en ook aan de Westkust van

Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In

werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Peneus gewoond,

waar het gewest Pelasgiotis naar hen genoemd is.

Pelasgia, Pelasgia, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnesus

en voor Lesbus.

Pelasgikon, Pelargikon (teichos), een oude versterking aan den westkant

van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene.

Pelasgiotis, Pelasgiotis, gewest van Thessalia ten Z. van den Peneus,

met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen.

Pelasgis, Pelasgis, bijnaam van Hera en Demeter als oude pelasgische

godinnen.

Pelasgus, Pelasgos, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne

afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden

genoemd Zeus, Poseidon, Phoroneus, Arestor e. a., als zijne moeder

Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon

beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnesus of in

Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben,

enz.--2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een

toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd

overwonnen en verliet het land.

Peletai = Hektemoroi.

Peleus, Peleus, zoon van Aeacus en Endeis. Hij of zijn broeder

Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus

en Psamathe, Phocus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegina te

vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen,

werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die

hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw

gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd

gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had

zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf

zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar

Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven,

en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden,

leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen

als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op

de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris,

z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij

Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te

maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van

Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd,

later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens

dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan

en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus

en Achilles geplaatst.--V. a. verzoende Thetis zich met hem na den

dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee,

waar hij aan hare zijde voortleeft.

Peliades, Peliades, de dochters van Pelias (z. a.).

Pelias, Pelias, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood

van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus

meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders

Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iason uit om het gulden

vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medea

de dochters van P., Pisidice, Pelopea en Hippothoë, te overreden

haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij

bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar

bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was,

weigerde Medea hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar

Mantinea in Arcadië.

Pelides, Peleides, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van

Peleus.

Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium

(z. a.). Met de Vestini en Marrucini hadden zij gemeenschappelijk de

havenstad Aternum.

Pelinna of -naeum, Pelinna, -naion, versterkte stad ten N. van den

Peneus, in het thessalische landschap Hestiaeotis.--Ook de naam van

een gebergte in het Noorden van Chius.

Pelion, Pelion, woest en boschrijk gebergte in het thessalische

landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld

werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel

wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met

de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid.

Pelium, stad der Dassaretae in zuidelijk Illyria.

Pella, Pella, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea,

nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus

van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd

er geboren.--2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan,

tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door

Pompeius herbouwd.

Pellana, ta Pellana, stad aan den Eurotas in Laconica, ten N. van

Sparta.

Pellene, Pellene, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia,

met de haven Aristonautae.

Pelopea, Pelopeia, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd

van Aegisthus.

Pelopidae, Pelopidai, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes,

Agamemnon e. a.

Pelopidas, Pelopidas, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan,

moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der

Cadmea door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene

(382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder

zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen

verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij

tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij

twee spartaansche morae bij Tegyra (375) en nam hij deel aan den slag

bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in

de Peloponnesus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de

wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden,

maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden

de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met

een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden

aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in

de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar

mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals

tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon

hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar

Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368)

en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa

werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door

den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg

hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om

Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag,

waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval

op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364).

Peloponnesische oorlog (431-404) wordt de oorlog genoemd, dien de

Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten,

tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de

perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien

staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs,

die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners

als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin

zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die

in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene

bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidamus

tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen

door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog

besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze

eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten

eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche

staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad

van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De

eerste periode wordt de archidamische oorlog (431-421) genoemd,

naar koning Archidamus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica

viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners

de kusten van de Peloponnesus. Athene heeft in het tweede en derde

jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest,

de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilene valt af,

het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft

(428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk:

Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon,

van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422)

zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de

vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles

ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met

dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede

tijdperk van den oorlog (421-413). De bondgenooten der Spartanen,

ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen

de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten

van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus

zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met

Argos, Elis en Mantinea, en in 417 verloor dit bondgenootschap

bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I;

mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij

Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke

verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder

Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende

nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog

weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht

naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die

ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413-404), een

belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelea, stellen zich

in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels

naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen

(Abydus, 411, Cyzicus, 410, Arginusae, 406), maar de Spartanen, door

Pharnabazus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen

telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij

Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen

der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier

maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger

gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht,

de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden

gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen.

Peloponnesus, Peloponnesos, thans Morea, het bekende groote

schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de

corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de

landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis,

Corinthia, Sicyonia en Phliasia.

Pelops, Pelops, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden

op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den

goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter

ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demeter

had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij

zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger

van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning

Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa

gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamea, de dochter van Oenomaüs

(z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij

regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger

Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnesus genoemd werd; aan de

olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de

stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne

misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog

verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder

de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van

P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door

Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne

talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel,

waar hem jaarlijks offers gebracht werden.

Pelor, Pelor, Peloros, een van de vijf Sparten, z. Cadmus.

Peloris, -rus, -rum, -rias, Peloris, Peloros, Peloron akron, thans

kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia.

Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia.

Peltae, Peltai, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander.

Peltastai, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht

halvemaanvormig schild (pelte); verder droegen zij een linnen harnas,

een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne

wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen,

vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde

daardoor hunne bruikbaarheid zeer.

Pelusiacum ostium, Pelousiakon stoma, oostelijkste monding van

den Nijl.

Pelusium, Pelousion = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te

midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een

der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de

oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later

eene belangrijke rol speelt.

Penates, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer

(penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden

van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er

van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw

samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den

huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden,

die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de

personificatie van het intiem huiselijk leven.--Ook de staat had zijne

penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de

andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals

men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aeneas uit Troje

naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen,

en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden

in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden

zij een tempel op de Velia.

Peneis, Daphne, dochter van den riviergod Peneus.

Peneleos, Peneleos, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de

Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij

werd door Eurypylus no. 4 gedood.

Penelope, Penelope, -peia, dochter van Icarius en Periboea, gemalin

van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het

gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de

omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef

echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus

geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij

een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde

namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed

zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit

kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door

hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene

beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde

de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna

huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk

werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.--V. a. had

zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door

Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinea begeven,

waar men haar graf toonde.

Penestae, Penestai, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van

de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in

denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet

het eigendom van den staat, maar van particulieren.--2) illyrische

stam ten N. van den Lychnitis lacus, onderdeel van de Dassaretae;

hoofdstad Uscana.

Peneus, Peneios, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus

ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal

Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae

stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door

dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en

Tethys en de vader van Daphne en Cyrene.--2) rivier in Elis.

Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) valt.

Pentaëteris, pentaeteris, de helft van eene ennaëteris.

Pentakosiomedimnoi, atheensche burgers der eerste klasse volgens

de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom

jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst,

die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent

vertegenwoordigt.

Pentapolis, Pentapolis, 1) in het aziatische Doris de bond der 5

steden Ialysus, Camirus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding

van Halicarnassus eene hexapolis werd.--2) in Cyrenaica de steden

Cyrene, Berenice, Arsinoë, Ptolemais en Apollonia.--3) in het land

der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azotus, Jamnia.

Pentathlum, Pentathlon, Quinquertium, een wedstrijd in vijf

afdeelingen: springen (halma, saltus), loopen (dromos, cursus),

worstelen (pale, lucta), werpen met de schijf (diskos, discus),

vuistgevecht (pygme, pugilatus); later voegde men er werpen met de

speer (akontisis, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men

in iedere afdeeling overwonnen hebben.

Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk

tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog.

Penteleum, Penteleion, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg

Penteleia, Penteleus mons.

Pentelicus, Pentelikon oros, berg in Attica, beroemd om zijn marmer

(pentelesios lithos), ook Brilessus, Brilessos, geheeten.

Penthesilea, Penthesileia, dochter van Ares en Otrera, koningin der

Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij

werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht

van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 104 / 150 段