en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij
nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als
man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was
hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij
te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.--Het leerdicht
van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn,
heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van
het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn,
dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat
in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf
gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning,
waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen,
het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door
denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich
richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de
goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde.
Parmenio, Parmenion, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste
generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs,
onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later
aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336
naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen
Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk,
dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid,
maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbela,
waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur
over Medië, na den dood van Philotas meende hij echter diens vader
niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den
weg ruimen.--2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen,
waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.--3) een bouwmeester, die door
Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd.
Parmeniscus, Parmeniskos, leerling van Aristarchus, schreef commentaren
op Homerus en de tragici.
Parnassides, Parnasides, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus.
Parnassus, Parna(s)sos, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionysus en
de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte
bergspitsen Lycorea of Hyampea en Tithorea (Lykoreia, Hyampeia,
Tithorea) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van
boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten,
laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien,
bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de
bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar
tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder
den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een
diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de
weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor
gevormden driesprong (schiste hodos) versloeg Oedipus zijn vader Laïus.
Parnes, gen. -ethis, Parnes, -ethos, een woest en ruw boschrijk
gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld
van Zeus Parnethius.
Parnon, Parnon, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria
of Thyreatis.
Parochos, naam, die soms aan den paranymphos gegeven wordt, omdat
hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat.
Parodia, parodia, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat
door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin
ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes
zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters,
voornamelijk van Euripides, geparodiëerd.
Parodos, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook
de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder
het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt.
Paropanisus, Paropanisos, soms Paropamisus, het hooggebergte aan
de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen
naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde
gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden
Paropanisadae genoemd.
Paropus, Paropos, stadje op Sicilia nabij Himera.
Paroreatae, Paroreatai, met de Caucones de oudste bewoners van het
triphylische bergland in Elis.
Parorea, -ia, Paroreia, streek in het N.O. van Epirus, in Molossis,
aan de grens van Macedonia.
Paros = Parus.
Parrhasia, Parrasia, stad en landstreek in het Z.W. van
Arcadia. Parrhasius = arcadisch.
Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto.
Parrhasius, Parrasios, 1) z. Parrhasia.--2) van Ephesus, een van de
beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te
Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken
zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch,
droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij
ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros
druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen,
bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat
deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond
het te willen wegschuiven.
Parthaon, Parthaon, zoon van Agenor en Epicaste, koning van Calydon
en Pleuron, vader van Oeneus.
Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthaon.
Partheni = Parthini.
Parthenia, parthenia, -neia, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen
met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich
op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van
Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a.
Partheniae, partheniai, zonen van spartaansche vrouwen en heloten,
geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten
messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven
werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van
Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum.
Parthenium, Parthenion, stad in de mysische landstreek Teuthrania,
ten Z. van den Caicus.
Parthenius, Parthenios, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide
afstammeling van Homerus.--2) van Nicaea in Bithynië, werd in den
mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd
spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome
wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde
bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben,
bewaard gebleven is een werk onder den titel Erotika pathemata,
bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde
heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die
met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.--3) grammaticus in
de 1ste eeuw na C.--4) gunsteling van Domitianus, nam deel aan de
samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij
bij een soldatenoproer gedood.
Parthenius mons, Parthenion oros, bergketen op de arcadisch-argolische
grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan.
Parthenius, Parthenios, rivier in het W. van Paphlagonia.
Parthenon, Parthenon, de beroemde tempel van Pallas Athena, de maagd
(parthenos). Zie Athenae.
Parthenopaeus, Parthenopaios, zoon van Ares, Milanion of Meleager
en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae
optrokken.
Parthenope, Parthenope, eene van de Sirenen.
Parthenope, Parthenope, oude naam voor Neapolis (Napels).
Parthenus, Parthenos, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athena,
waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd
was.--2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende
te herkennen.
Parthia, Parthia, Parthyaia, Parthyene, het land der Parthen
(Parthi, Parthoi), ten O. van Media gelegen, over het algemeen
woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch
nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke
boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op
hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden
vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische
rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch
tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en
stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs
door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde
(± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen,
evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving
aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog
dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon
tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden
van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van
Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische
rijk onder de dynastie der Sassaniden.
Parthini of Partheni, Parthinoi, Parthenoi, illyrisch volk bij
Dyrrachium. Stad: Parthus.
Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss).
Parthyaea, Parthyene = Parthia.
Parus, Paros, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd
door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg
Marpessus. Oudtijds heette het Minoa, ook Demetrias. De eerste
iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het
o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627
werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en
letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas
Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek
van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon
Parium, Arundelium of Oxoniense).
Paryadres, Paryadres, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens
van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus.
Parysatis, Parysatis, stiefzuster en gemalin van Darius Nothus, onder
wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde
politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar
werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij
geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij
aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door
de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld
schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statira, de gemalin
van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd.
Pasargada of -dae, Pasargada, -dai, oude hoofdstad van Persis, benoemd
naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis,
aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus.
Pasargadae, Pasargadai, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de
Achaemeniden behoorden.
Pasicrates, Pasikrates, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan
Alexander d. G. onderwierp.
Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax.
Pasion, Pasion, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde
en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg;
zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf
in 370.
Pasiphaë, Pasiphae, 1) dochter van Helius en Perseis, gemalin van Minos
(z. a.), moeder van den Minotaurus.--2) eene godin, die te Thalamae
no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden.
Pasiphaeia, Phaedra, dochter van Pasiphaë.
Pasiteles, Pasiteles, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur
uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over
kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus.
Pasitelides, Pasitelides, spartaansch veldheer in den peloponnesischen
oorlog. In 422 werd hij harmost van Torone, maar het volgende jaar
namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt.
Pasithea, Pasithea, 1) eene van de Charites.--2) Nereïde.--3) Najade,
gemalin van Erichthonius, moeder van Pandion.
Pasitigris, Pasitigris = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van
den Tigris, door Susiane stroomende. De benedenloop heet Eulaeus.
Passaron, Passaron, oude molossische hoofdstad in Epirus, in 169 door
de Rom. vermeesterd.
Passieni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul
van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn
tijd.--2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van
Seneca. Hij was met Nero's tante Domitia gehuwd, doch liet zich van
haar scheiden om de tweede man van Agrippina te worden. Deze laatste
liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken.
Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten =
1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans.
Pataeci, Pataikoi, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische
schepen aan voor- of achtersteven versierd waren.
Patala = Pattala.
Patara, ta Patara, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van
Apollo Patareus (Patareus), die er vereerd werd.
Patavium, Pataouion, thans Padua, stad in het land der Veneti, in
Gallia Cisalpina aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte
zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens
Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is
de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den
Trojaan Antenor toe.
Paterculus, zie Velleii.
Pater patratus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.).
Patmus, Patmos, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend,
ten Z. van Samus.
Patrae, Patrai, Patreis, eene der 12 achaeische bondssteden, thans
Patras, aan de invaart der Corinthische golf.
Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den
koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres
conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden
toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde
(plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere
voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen
(z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het
recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia
te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der
comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's
lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn
twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat
de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas),
die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men
verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat
door intercessio getroffen was.
Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij
den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat
(zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een
zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en
jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie
stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek
zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en
Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers
hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den
adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat
aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder
erfelijk te zijn.
Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren
zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam
vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penates, enkele godheden,
van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl.
Patrimi matrimi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder
hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder
de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd
de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook
het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima
matrima zijn.
Patrocles, Patrokles, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over
diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor
belangrijke werken over de omliggende landen en volken.
Patroclus, Patroklos, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog
zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.),
en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken,
bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed,
werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en
werd daar door Hector gedood, z. Achilles.
Patronus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische
familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De
cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige
familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen
te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde,
bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de
patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De
patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen
en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus
si clienti fraudem fecerit, sacer esto.--2) Causarum patronus,
niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.--3) ook
steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni
onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten
behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit
patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling
der consulaten.
Pattala, Pattalene, Pattagla, Pattalene, het Delta-land van den Indus,
met de stad Pattala.
Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.).
Patumus, Patoumos, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet
graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis.
Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii.
Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8-10).
Paulus, Paulos, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in
Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus,
Saulos, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn
geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij
werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden,
en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de
Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook
daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd
(± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond,
waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen
ongeveer in de jaren 46-47, 48-51 (in Athene einde 49, te Corinthe
begin 50 tot Juli 51), en 52-57. Op aanklacht der Joden is hij te
Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en
heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarea gevangen gezeten. Toen hij zich bij
den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep,
is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome
gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in
custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en
prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men
meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn
brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven
wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar
ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van
de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk
de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus,
in de koine (z.a.).
Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2.
Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Severi. Met
Papinianus was hij lid van het consilium principis, met Ulpianus
praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in
wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus.
Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civilis, onder keizer Nero
ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio.
Pausanias, Pausanias, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta
als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten
roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij
Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld
had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij
weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam
de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte
zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche
bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene
aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne
dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland
te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer
als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon
hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen
gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van
daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met
Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom
waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde,
ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch
durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van
de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en
in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van
te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte
hij in den tempel van Athena Chalcioecus, daar werd hij ingesloten,
het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en
zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest
zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet
te bezoedelen (468).--De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt
spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat
reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben,
en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het
gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne
handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.--2)
kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende
de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444-426), en volgde hem na
zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van
den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30
tegen Thrasybulus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter,
hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander
tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene
moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en
toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat
op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag
bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld;
hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.--3) Macedoniër, die
Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).--4) koning van
Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).--5) Macedoniër, die
na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte;
hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor
zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.--6) een van
de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke
grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.--7)
ho periegetes, een Lydiër, die onder Hadrianus en de Antonijnen te
Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste
gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen
en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis;
daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige
bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die
hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen
zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers
als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.--8)
van Caesarea in Cappadocië, leerling van Herodes Atticus, leeraar
der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C.