Palaephatus, Palaiphatos, 1) van Abydus, vriend van Aristoteles,

schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele

fragmenten na verloren gegaan zijn.--2) Aegyptenaar of Athener, wordt

geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische

werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje peri

apiston, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot

schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van

verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt.

Palaerus, Palairos, zeestad in het N.W. van Acarnania.

Palaescepsis, Palaiskepsis, zie Scepsis.

Palaeste, Palaiste, kustplaats in het N.W. van Epirus, bij de

Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius

optrok.

Palaestina, Palaistine = land der Philistijnen, Philistaei,

Philistaioi, die langs de kust der Middellandsche zee van de

aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later

werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het

transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele

uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen:

ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden

en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten;

het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land)

genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonitis; het

Z. deel heette Galaäditis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had

het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte

toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo's leven echter ging Syria

weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen;

het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd,

en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder

Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na

diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang

een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder

Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes,

om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te

doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64

vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der

Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobulus en Hyrcanus hadden de

inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herodes en Herodes Agrippa.

Palaestra, palaistra, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald

tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter

voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia

schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door

athleten van beroep bezocht werden.

Palaetyrus, Palaityros, zie Tyrus.

Palamedes, Palamedes, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper

en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en

gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen

Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel

te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om

hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde

waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel

gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde

den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed

over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid

slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn

ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen,

dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan

P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de

Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend

gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had,

waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar

verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter

dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomedes,

naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.--Hij had later

een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus.

Palatinus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatinus.

Palatinus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft

het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den

berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze

oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude

heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden

de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek

woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero,

Crassus, Hortensius, Catilina en Clodius. Uit iets lateren tijd is

nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de

eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele

berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het

woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de

domus Augustana, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek,

de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium,

door Domitianus of één der latere keizers in den berg uitgegraven,

en het Septizonium, door Septimius Severus gebouwd.

Pale, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen

bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den

grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve

slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en

bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem

opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond

geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter,

wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet,

totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen

moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand

bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt.

Palenses, Pales, inwoners der stad Pale, Pale, in het W. van het

eiland Cephallenia.

Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden

vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia.

Palibothra, Palibothra, groote en bijzonder sterke hoofdstad der

Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna.

Palice, Palike, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2),

ten N.W. van Syracusae, bij het heiligdom der Palici (z. a.).

Palici, Palikoi, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen

van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van

Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen,

maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door

het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracusae (zie Palice) waren

twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit

zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne

onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn

eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water

geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken,

zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd

onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht

beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door

hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden.

Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche

herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er

om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven

voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het

was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van

de stichting van Rome.

Palimbothra = Palibothra.

Palindikia, anadikia, tweede behandeling van een proces. Men konde

nl. vernietiging van een vonnis vragen (palindikein, anadikazesthai),

wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. diaitetes) was

uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. eremos dike) of op grond

van valsche getuigenissen (z. pseudomartyrion dike) veroordeeld was.

Palinodia, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger

gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger

gezegde. Beroemd is de pal. van Stesichorus (z.a.).

Palinurus, Palinouros, stuurman van Aeneas, viel bij de naar hem

genoemde kaap Palinurum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land,

maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij

later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld.

Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot

op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters

meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De

rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige

stola.--2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk

gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde

hun een rijziger gestalte te geven.

Pallacopas, Pallakopas of Pallacottas, Pallakottas, zijkanaal van

den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep.

Palladium, Palladion, een beeld van Pallas Athena of van Pallas,

de dochter van Triton, door de godin Athene zelve gemaakt en door

Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande

houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de

rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken

door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden,

zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en

Diomedes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene

(z. Diomedes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aeneas het

naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van

Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht.

Palladius (Rutilius Taurus Aemilianus), rom. schrijver van een

uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de

4de eeuw na C.

Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is

de Mons Palatinus genoemd.

Pallantia, Pallantia, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis,

thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius

(Douro).

Pallantias, -tis, Aurora, kleindochter van Pallas.

Pallantidae, Pallantidai, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus

van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood,

deels verjaagd werden.--Ook eene atheensche familie, die van dezen

Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo.

Pallantium, Pallantion, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea,

vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij

ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het

arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis.

Pallas, Pallas, gen. -ados, 1) P. Athena z. Athena.--2) eene gezellin

van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was

v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is

eigenlijk niemand anders dan de godin zelve.

Pallas, Pallas, gen. -antos 1) een van de Titanen, zoon van Crius en

Eurybia.--2) een van de Giganten, door Athena gedood en gevild; met

zijne huid bekleedde zij haar schild.--3) zoon van Lycaon, grootvader

van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.--4) zoon van Euander

(z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.--5) zoon van Pandion,

broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij

werd door Theseus gedood.--6) een vrijgelaten slaaf, broeder van

Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene

van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas),

die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en

zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a

rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippina en de adoptie

van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij

echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare

leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht.

Pallene, Pallene, 1) W. landtong van Chalcidice.--2) demus in Attica.

Palliata, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland

speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden.

Pallium, himation, pharos, lange wollen mantel, meestal wit, bij de

Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde

wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den

chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen

zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het

de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden

wilden worden.

Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Balearis maior.

Palmyra, Palmyra, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een

oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte

het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in

het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenathus er in 260 na C. een

zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia

over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in

272 werd Palmyra door keizer Aurelianus ingenomen en, na een opstand,

verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een

prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen

der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst

der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn.

Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der

rom. veldheeren. Paludatus = met den veldheersmantel bekleed.

Palumbinum, stadje in Samnium, ligging onbekend.

Pamisus, Pamisos, 1) zuidelijke zijtak van den Peneus in Thessalia.--2)

rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.--3)

oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van

Thalamae in de Messenische golf uitloopt.

Pammenes, Pammenes, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas,

onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een

leger in de Peloponnesus om de Arcadiërs gedurende de stichting van

Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche

hulptroepen van Artabazus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen

hij echter met de vijanden van Artabazus onderhandelingen aanknoopte,

liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende

zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.--2) leeraar

der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof

van hem spreekt.

Pammerope, Pammerope, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de

eleusinische mysteriën.

Pamphila, Pamphile, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij

leefde in het begin der vierde eeuw.--2) aegyptische of epidaurische

vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis,

wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die

gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man

en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had

opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero.

Pamphilus, Pamphilos, 1) atheensch veldheer, landde in den

corinthischen oorlog op Aegina en belegerde de stad (389), daar zijne

vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5

maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de

boete betaald had.--2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte

op Samus, waar Epicurus zijne voordrachten hoorde.--3) van Amphipolis,

beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook

werken van hem over schilderkunst worden genoemd.--4) uit Alexandria,

grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek.

Pamphos, Pamphos, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen

ter eere van verschillende goden werden toegeschreven.

Pamphyloi, naam van een der drie dorische phylae (z. phyle), zoo

genoemd naar Pamphylus.

Pamphylia, Pamphylia, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De

bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en

Grieken, hieraan was ook de naam Pamphyli, Pamphyloi, ontleend. Het

land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische,

pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn

Aspendus, Perge, Side en Attalea.

Pamphylus, Pamphylos, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar

de Peloponnesus en sneuvelde daar.

Pan, Pan, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en

Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna

geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren,

een staart en bokspooten (Aigipodes, Semicaper), bovendien was hij

geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Nomios), bosschen

en weiden, jacht (Agreus), visscherij en bijenteelt. Het liefst

zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Oressibates), waar hij jaagt,

de nimfen bij den dans aanvoert (Philochoros) of zich vermaakt met

het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx),

waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een

wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat

zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij

kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne

vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen;

van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige

reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen)

schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen

de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen

en verdere afstammelingen (Panes, Paniskoi, Panisci) sluit hij zich

gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionysus aan. De nimfen, die

hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem

gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.--In lateren

tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een

symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor,

zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.--Pan werd vooral

in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van

zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks

te zijner eer een wedloop met fakkels.--Men offerde hem bokken,

lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom

waren hem gewijd.--De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus.

Panacea, Panakeia, dochter van Asclepius.

Panachaicus (mons), Panachaïkon oros, berg in Achaia, ten Z. van de

invaart der Corinthische golf.

Panactum, Panakton, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten

N. van Eleusis.

Panaei, Panaioi, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis

woonachtig.

Panaenus, Panainos, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias,

medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in

de poikile stoa te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van

het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius.

Panaetius, Panaitios, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks

180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en

Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij

op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op

eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij

naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche

school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112

stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral

te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls

met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in

vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school

aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels

verloren, zijn voornaamste werk peri tou kathekontos werd door Cicero

in zijn werk de officiis nagevolgd.

Panaetolicus (mons), Panaitolikon oros, berg in het hart van Aetolia,

ten N. van den Trichonius lacus.

Panathenaea, Panathenaia, het voornaamste feest der Atheners in het

derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten,

tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athena Polias gevierd. De

invoering er van als een landelijk feest onder den naam Athenaia wordt

aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest

van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus

gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van

Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles

nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek,

gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie

van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden

de groote optocht (pompe), waarmede aan de godin een nieuw kleed

(peplos) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche

vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon

en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het

werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op

rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met

olijftakken in de handen (thallophoroi), dochters van edele burgers,

die mandjes met offergereedschap droegen (kanephoroi), terwijl stoelen

en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der

metoeci (diphrophoroi, skiadephoroi), verder volgde de ruiterij en

verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de

feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele

burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche

kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot

genoeg om het geheele volk te onthalen.--De fries van het Parthenon was

door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht

der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog

bewaard gebleven.--Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine

Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers.

Panchaea, Panchaia, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan

tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen

van verschillenden aard, z. Euhemerus.

Pancration, pankration, worsteling en vuistgevecht tusschen

athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus.

Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van

het Capitolium een tempel had.

Pandareüs, Pandareos, zoon van Merops, stal voor Tantalus een

gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem

terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië,

waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aedon; de andere twee

werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodite, Hera, Artemis

en Athena met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden

trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen

tot dienaressen gegeven.

Pandarus, Pandaros, 1) zoon van Lycaon, aanvoerder van de lycische

bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door

de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een

tweegevecht tusschen Menelaus en Paris beslist zoude worden, schond

P. op aansporing van Athena dit verdrag door op Menelaus een pijl

af te schieten. Hij werd door Diomedes gedood.--2) zoon van Alcanor,

tochtgenoot van Aeneas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood.

Pandataria, Pandataria, eiland op de kust van Campania, waarheen

Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippina de oude werd

hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den

hongerdood.

Pandektai, zie Digesta.

Pandemus, Pandemos, bijnaam van Aphrodite (z. a.).

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 101 / 150 段