Orpheus, Orpheus, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope,

broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat

hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat

hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde

zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde

natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood

zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug

te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone

te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen,

maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde

bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen,

hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn

droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook

in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische

stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog

den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de

macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een

troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice

als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den

Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen

werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libethra begraven; de lier

werd onder de sterren geplaatst.--Aan O. werd ook de instelling

van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de

eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof

afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken

toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een

ascetisch leven (bios Orphikos) daartoe kan terugkeeren; zoolang

dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke

omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep

om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionysus-Zagreus,

wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden

dronken.--De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Orphika),

zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke

waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds

vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles,

betwijfelden of O. wel ooit bestaan had.

Orrhoene = Osroene.

Orsilochia, z. Iphigenia.

Orta = Horta.

Orthagoras, Orthagoras, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de

hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd

regeerde.

Orthagorea = Maronea.

Orthia, Orthia, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta.

Orthrus, Orthros, de hond van Geryones (z. a.).

Ortona, Orton, 1) havenstad der Frentani in Samnium.--2) stad

in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het

Albaansch gebergte.

Ortygia, Ortygia = kwartelland, 1) deel van Syracusae (z. a.).--2)

oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diana, Ortygiae boves,

de runderen van Apollo.--3) heilig bosch bij Ephesus.

Orxines, Orsines, Orxines, perzisch veldheer, die bij Gaugamela

streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was,

regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning

werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en

knevelarij opgehangen.

Osca, Oska, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca

in Arragon.

Oschophoria, Oschophoria, oschophoria, feest ter eere van Athena,

Dionysus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst

van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig

epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien

overwinnaars kregen een schaal met een drank, pentaploa, uit wijn,

honing, kaas, meel en olie gemengd.

Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de

Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania

en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als

plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang

in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke

kluchtspelen.

Oscines, zie Auguria.

Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië

wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten.

Osiris, Osiris, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en

echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in

een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de

kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in

14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken

weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abydus. O. verscheen

daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan,

waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd.

Osismii, Osismioi, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne.

Osroene, Osroene, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chaboras,

met de hoofdstad Osroë of Edessa.

Ossa, Ossa, Pheme, Fama, personificatie van het los gerucht, bode

van Zeus.

Ossa, Ossa, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia,

5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was

hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe.

Ostentum, zie auguria.

Osteodes, Osteodes = Ustica no. 2.

Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus

Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen,

salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan

te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond

eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had,

verplaatste zich Ostia's handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen

de genoemde riviermonden lag de insula sacra.

Ostippo, Astapa, Astapa, stad in Baetica, niet ver van Munda.

Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus

pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus

die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen,

hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.--2)

M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn

vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero's bedreigingen,

zichzelf het leven.

Ostracismus, Ostrakismos, verbanning door stemming met scherven, door

Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de

wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of

het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die

vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering,

waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist,

wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf,

en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar

Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie

tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door

het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies

van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en

invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan

als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich

gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald

door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te

zijn.--Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus

door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet

meer toegepast.

Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263,

dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16),

den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.--2) T. Otacilius

Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.--3)

T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216,

streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht

naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed

opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal

te vergeefs consul te worden.--4) Otacilius Crassus, aanhanger van

Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze

gevangenen uit de tegenpartij (48).--5) L. Otacilius Pilitus, zie

L. Voltacilius Pilutus.

Otanes, Otanes, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische

edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.--2) opvolger

van Magabazus no. 1, als veldheer van Darius, veroverde verscheidene

Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus.

Otho, familienaam in de gens Salvia.

Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32,

behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen

hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin

Poppaea Sabina overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10

jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero's dood omhelsde hij

de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht

in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de

legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho

leed bij Bedriacum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te

Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen

eindigen.

Othryades, Othryades, -das, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.--2) de eenig

overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een

beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van

de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die

naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef

als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht

en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen

overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en

bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de

buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de

Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht.

Othryoneus, Othryoneus, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en

daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus

gedood.

Othrys, Othrys, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het

gewest Phthiotis.

Otrera, Otrera, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilea

en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis

te Ephesus.

Otus, Otos, een van de Aloaden.

Otys, Otys, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilaus tegen

den perzischen koning.

Ovatio, een kleine triumftocht, elatton thriambos, die somtijds aan een

veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg

schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op

een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-,

maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta,

hij offerde geen stier, maar slechts een schaap.

Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie

geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de

dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den

weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en

staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker

dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts

ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van

decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de

dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch

waarvan de Medea algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes,

Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn

groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door

Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van

den Pontus Euxinus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt

een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig)

verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus' kleindochter

Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia,

Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze

laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst

na Augustus' dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere

gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi,

waar hij ook begraven is.

Ovile of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de

stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te

zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond

waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had

zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan

het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus,

z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens

weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta

liet bouwen.

Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores

ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de

lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan

de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten

doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren

bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis

toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen

(z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde)

de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat

indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich

bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere,

legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats

patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch,

daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde.

Oxathres, Oxathres, broeder van Darius Codomannus, streed roemrijk

bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs.

Oxines, Oxines, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus

Euxinus stort.

Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens

andere lezing heeten ze Etiones.

Oxus, Oxos, beter Oxos, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in

Midden-Azië, die op den Paropanisus ontspringt en zich in het meer

Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar

de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken

Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan,

tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de

Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander

den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over

deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt,

trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid

als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus

naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee),

vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar

de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes.

Oxyartes, Oxyartes, 1) = Oxathres.--2) bactrisch edelman, die zich lang

tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander

hem satraap van de landen aan den Paropanisus, waar hij zich ook na

Alexander's dood staande hield. Hij was de vader van Roxane.

Oxydracae, Oxydrakai, dapper indisch volk aan beide oevers van den

Acesines.

Oxylus, Oxylos, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De

Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in

de Peloponnesus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien

gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was,

toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg

hij Elis tot belooning.

Ozolae, Ozolai, zie Locris.

P.

Paches, Paches, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilene tot

overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene

teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor

het gerecht.

Pachynum of -us, Pachynos, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap

Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd.

Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden

voorkomen.

Pacorus, Pakoros, parthische koningsnaam in de dynastie der

Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn

vader Orodes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door

C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen

werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenice, Palaestina en Cilicia met

behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labienus, doch P. Ventidius

Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en

Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus' dood.--2)

een koning Pacorus regeerde tijdens Domitianus en Traianus.

Pactolus, Paktolos, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus,

stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel

goudstof mede, weshalve het chrysorroas werd genoemd. Hier behoort

de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan

de bron van den P. moest afspoelen.

Pactye, Paktye, stad aan de O. kust der thracische Chersonesus,

verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea.

Pactyes, Paktyes, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus

beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder,

maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een

poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen

uitgeleverd werd.

Pactyica, Paktyïke, land der Pactyes, oostelijk gewest van het

perzische rijk, ten Z. van den Paropanisus, een onderdeel van het

latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen.

Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen

oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal

binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om

Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan

afbrengen.--2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220

geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche

modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia,

doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld,

waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won,

de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum,

waar hij in 132 stierf.--Later komen er nog andere Pacuvii voor,

o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld,

die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus

van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius

dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om

zijn losbandige levenswijze.

Padaei, Padaioi, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw

vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat.

Padus, rivier in Gallia Cisalpina, thans de Po. Hij stortte zich in zee

door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven:

Padusa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae

Philistinae. Zie ook Eridanus.

Padusa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie

Padus.

Paean, Paian, Paion, Paieon, 1) de geneesheer der goden. Verder

bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van

ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius,

Dionysus, Thanatus e. a.--2) een lied, waarin Apollo onder den naam

Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof-

en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het

bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de

overwinning zong.

Paeania, Paiania, demus van Attica, ten O. van den Hymettus,

geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Paianieus).

Paeanius, Paianios, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het

Grieksch vertaalde (380 n. C.).

Paedagogus, paidagogos, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen

zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven,

maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe

te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner

kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren

tijd en slechts bij enkelen ingang.

Paeligni = Peligni.

Paemani, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het

tegenw. Luik.

Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door

te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien.

Paeon, Paion, Paieon, z. Paean.

Paeon, Paion, zoon van Endymion, broeder van Epeus (z. a.); v.s. was

Paeonië naar hem genoemd.

Paeones, Paiones, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius.

Paeonia, Paionia, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia

(z. a.).

Paeonia, Paionia, of Paeonidae, Paionidai, demus van Attica, ten

N. van Acharnae.

Paeonius, Paionios, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw,

werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus

(± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Miletus.--2) van

Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld,

voorstellend de godin der overwinning (Nike), hoewel niet ongeschonden,

te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de

(eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den

tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze

beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft.

Paeoplae, Paioplai, paeonische stam aan de macedonische kust, aan

den Strymon en den mons Pangaeus.

Paestum, Paiston, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan

den sinus Paestanus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524

gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette

voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen

heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de

overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der

grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een

afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel.

Paesus, Paisos, stad en rivier in Troas, aan het begin van de

Propontis. De stad is door Milete gesticht.

Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als

adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.--2)

echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecinae.--3) vriend van Cicero,

zie Papirii no. 14.--4) senator onder Nero, zie Thrasea.

Pagae, Pegae, Pagai, Pegai, versterkte havenstad in Megaris aan de

Corinthische golf.

Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners

van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae,

zie feriae.

Pagani, zie pagus.

Pagasae, Pagasai, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap

Pelasgiotis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus

(golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch.

Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi

tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet,

somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij

een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton

of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagani. De dorpen,

vlekken en gehuchten in zoo'n distrikt heetten vici (zie vicus

no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook

pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de

keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij

de kerkelijke schrijvers = heidenen.

Paiderastia, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man

en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders

gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een

gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte

uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man

trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten,

in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het

huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd,

maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms

de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog,

ontstond.--De man heette op Creta philetor, te Sparta eispnelas

(inblazer), de knaap op Creta kleinos (geroemde), te Sparta aitas

(toehoorder).--Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik

gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn,

dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met

den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige

feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en

al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en

door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen,

vooral in den keizertijd, ingang vond.

Paidonomos, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht

op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de

bidyoi, en onder hem stonden de mastigophoroi, om door hem opgelegde

straffen te voltrekken.

Paistike, landstreek in het N. van Thracia.

Palaegambrium, Palaigambreion, stad in Aeolis aan den Caicus.

Palaemon, Palaimon, z. Melicertes.

Palaepolis, Palaipolis, zie Neapolis.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 100 / 150 段