Onesicritus, -crates, Onesikritos, -krates, van Aegina, leerling van

Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als

gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op

de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten

en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig

vertrouwen geschonken werd.

Onochonus, Onochonos, rivier in het gewest Thessaliotis in Thessalia,

zijrivier van den Peneus, tusschen den Pamisus en den Enipeus. V. a. =

Onchestus no. 2.

Onomacles, Onomakles, een van de atheensche strategen, die in 412

bij Miletus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.

Onomacritus, Onomakritos, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een

van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij

verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door

interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij

verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door

zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland

te bewegen.

Onomarchus, Onomarchos, na den dood van Philomelus (354) aanvoerder

der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen

tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog

over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in

Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.

Onosander, Onosandros, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C.,

schrijver van eenige werken over krijgskunde.

Onuphis, Onouphis, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den

nomus Onuphitis.

Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.

Opellius Macrinus (M.), zie Macrinus (M. Opellius).

Ophelion, Ophelion, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk

uit het middelste tijdperk der comedie.--2) grieksch schrijver

over geneeskunde en natuurlijke historie.--3) zoon van Aristonidas,

beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook

een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.

Ophel(l)as, Ophel(l)as, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrene

(322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij

verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd

spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).

Opheltes, Opheltes, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).

Ophion, Ophion, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin

Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in

den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.--2) een van de Giganten.

Ophis, Ophis, riviertje in Arcadia bij Mantinea.

Ophiuchus, Ophiouchos, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een

sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt,

welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles,

Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyidus of nog anderen.

Ophiusa, Ophiousa = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis

(zee van Marmara).--2) een der Pityusae, ook Colubraria genoemd.--3)

oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius =

cyprisch.--4) oude naam van Tenus.

Ophryneum, Ophryneion, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij

Rhoeteum, met een aan Hector gewijd bosch.

Opici, Opikoi, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia.

Opiconsivia, -siva, feest, ter eere van Ops Consiva den 25sten Augustus

te Rome gevierd.

Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica

en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van

zijne werken is niets overgebleven.

Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor

in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed

toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op

C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In

120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en

was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij

zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te

Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar;

vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.--2) Q. Opimius

werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele

vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van

Sulla had overtreden.--3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius

(48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de

soldaten van Cn. Domitius Calvinus (Domitii no. 15).

Opis, Opis, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en

den Tigris.

Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verona

en Aquileia.

Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij

verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden

te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad

in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In

195 werd zij afgeschaft.

Oppianus, Oppianos, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius,

dichter van een didactisch epos, Halieutika, over het leven der

visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en

dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon

grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.--2) uit

Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over

de jacht, Kynegetika.

Oppidum Batavorum, z. Batavodurum.

Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld

worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die,

volgens het verhaal, met App. Claudius Crassinus zelfmoord pleegde.--2)

Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië

in handen van Mithradates Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne

vrijheid terug.--3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een

C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich

later bij Octavianus aansloot.--4) Oppius Sabinus, legaat van Moesia

onder keizer Domitianus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde

(± 86 n. C.).

Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma),

gelegen in het Z. van de regio Esquilina.

Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van

Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort

zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia,

blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als

godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consiva. Zij werd later

dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met

Rhea Cybele of Demeter.

Opson, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd

wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste

lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.

Opteria, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot,

bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na

het huwelijk zonder sluier vertoonde.

Optimates, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares,

de volkspartij. In engeren zin = nobiles.

Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio

of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later

ging de keus op de krijgstribunen over.

Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden

duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen

aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen

en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en

tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op

een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen,

waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral

veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het

opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken,

op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft

de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere

sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles

werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door

het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco,

gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt

men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het

opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe

kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine

lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan

volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een

baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de

Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze.

Opus, Opous, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea,

de geboorteplaats van Patroclus.

Orbelus, Orbelos, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon.

Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd

door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen,

waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren

ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de

aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen

beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en

onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen,

die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes

equestre en het aes hordearium (z. a.).

Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat,

ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school,

die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius

uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was

een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had.

Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond

tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch

niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld.

Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon

niet welsprekend, jurist geprezen.

Orbona, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die

kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij

had een altaar bij den tempel der Lares.

Orcades insulae, Orkades nesoi, de Orkney-eilanden ten N. van

Schotland.

Orchamus, Orchamos, vader van Leucothoë.

Orchestra, orchestra, in het algemeen een dansplaats, in het

bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van

Dionysus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte

tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij

tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even

hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het

koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen

ingenomen; hier zaten de senatoren.

Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij

beperkte het getal gasten bij maaltijden.

Orchomenus, Orchomenos, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk

Boeotia, bij Homerus Minyeios geheeten naar de Minyers en hun

koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in

den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen

oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later

kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs

verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen,

werd zij van geene beteekenis meer.--2) oude stad in Arcadia, bij

Homerus polymelos genoemd.

Orcini, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard

en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus

de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars

aanteekeningen, in den senaat werden gebracht.

Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de

onderwereld zelf.

Ordessus, Ordessos, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in

het tegenw. Walachije.

Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales.

Oreades, Oreiades, Orodemniades, bergnimfen, komen vooral dikwijls

als gezellinnen van Artemis voor.

Orestae, Orestai, volk in Epirus, in het gewest Orestis, later bij

Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot

dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam.

Orestea, Oresteia, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris

naar Griekenland had overgebracht.

Orestes, Orestes, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het

vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn

leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar

Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van

Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn

verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met

hem kwam hij na acht jaren naar Mycenae terug, nadat hij eerst zelf

het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was,

en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon

O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de

Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde

langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op

raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athena

in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte

rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor

deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo

verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor

vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een

wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken

was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides

een heiligdom in Attica.--V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen

te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar

Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden

zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden,

maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres,

die het offer zou verrichten, Iphigenia (z. a.), de zuster van O.,

was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te

ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te

voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.--V. a. had Orestes

gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en

niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ake) met een

heiligdom der Eumeniden.--Naar Mycenae teruggekeerd, doodde hij Aletes

(z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met

Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den

eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf

hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar

Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.--2)

zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450

verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsalus om

hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren.

Oresthasium, Orestheum of Oresteum, Oresthasion, Orestheion, -steion,

stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis.

Orestheus, Orestheus, 1) zoon van Lyeaon, stichter van Oresthasium,

het latere Oresteum.--2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en

der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld,

dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit

een wijnstok, naar welks ranken (ozoi) de Locriërs zich Ozolai noemden.

Oretani, Oretanoi, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den

Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis

(Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo.

Oreüs, Oreos, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea,

door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna

het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt

speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol.

Orgeones, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere

offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van

staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later

verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een thiasos

(z.a.) (thiasotai) of eranos (z.a.) (eranistai).

Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot

de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de

alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan,

een einde aan zijn leven maakte.

Orgia, Orgia, werden de mysteriën genoemd met het oog op

enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de

deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionysus

(z.a.).

Oribasius, Oreibasios, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer,

lijfarts en raadsman van keizer Iulianus. Door Valens en Valentinianus

verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot

aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen

verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen

vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde

geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling

bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel

gemaakt heeft. Ook heeft hij een Hypomnema, memoires, geschreven,

waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te

boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later

wederom Zosimus geput heeft.

Oricum, -us, Orikon, -os, grieksche zeestad in het Noorden van Epirus

nabij de Ceraunische bergen.

Origenes, Origenes, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185

na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens

Alexandrinus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en

wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van

Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken

(z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche

wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem

den naam van adamantinos.--2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van

Ammonius Saccas, leermeester van Longinus.

Orion, Orion, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde

geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo

groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door

het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar,

totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd

hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken

en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich

toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg;

hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze

hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd,

zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel

ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.--V. a. doodde

Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde,

of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan

zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien

Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het

wild van de aarde zou uitroeien.--Hij werd in volle wapenrusting aan

den sterrenhemel geplaatst.--2) van Thebe in Aegypte, schrijver van

een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude

grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de

eeuw na C.

Oritae, Oreitai, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de

Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig.

Orithyia, Oreithuia, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas

geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van

Calais, Zetes en Cleopatra.

Ormenis, Ormenis, Astydamea, kleindochter van Ormenus.

Ormenium, Armenium, Orminium, Ormenion, Armenion, Orminion, stadje

in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus.

Ormenus, Ormenos, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in

Thessalië.

Orneae, Orneai, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia.

Orneatae, Orneatai, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de

gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van

Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam

als de lacedaemonische perioikoi.

Oroanda, Oroanda, bergstad in Isauria.

Orobiae, Orobiai, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf.

Orobii, stam in Gallia Transpadana; in hun gebied ligt Bergomum.

Orodes, naam van twee parthische koningen. Orodes I of Arsaces XIV

(57-37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae

omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius

Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een

anderen zoon, Phraates, werd hij vermoord.--Orodes II of Araces XVII

(5-6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht.

Orontes, Orontes, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op

diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter

dood gebracht.--2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht

der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van

een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en

Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den

koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af,

en verbond zich toen met Athene.

Orontes, Orontes, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen

den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamea en

Antiochia naar zee.

Orontobates, Orontobates, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen

Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven

(333), z. Ada.

Oropus, Oropos, havenstad aan den Euripus, op de grenzen van Attica

en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij

voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte

bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiaraus

(z. a.).

Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania,

schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat:

Historiarum libri VII adversus paganos. Het werk kwam uit omstreeks

420 na C.

Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen

van den Tader (Segura).

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 99 / 150 段