door Clisthenes verdeeld werd.
Oeneon, Oineon, havenstad der Locri Ozolae.
Oeneus, Oineus, zoon van Portheus of Porthaon, koning van Calydon
en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe
Dionysus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de
calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem
gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomedes doodt echter
na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen
en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan
zijn schoonzoon Andraemon afstaat.--Op eene reis in de Peloponnesus
werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomedes
begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.
Oeniadae, Oiniadai, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den
Achelous, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus,
Nesos (z. a.), lag op een eilandje in een meertje.
Oenides, Oineides, Meleager en Diomedes, zoon en kleinzoon van Oeneus.
Oenoanda, Oinoanda, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.
Oenoë, Oinoe, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche
phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.--2) attische demus der
phyle Aeantis, bij Marathon.--3) corinthische sterkte aan de golf van
Corinthus.--4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.--5) stadje in Elis
aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.
Oenomaüs, Oinomaos, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld
was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamea
trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene
zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon
paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen,
was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds
velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze
door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O.,
Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen
van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van
O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk
om.--V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van
Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.
Oenone, Oinone, 1) oude naam van Aegina.--2) dochter van den riviergod
Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus
(z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar
brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw,
weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart
op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.
Oenophyta, ta Oinophyta, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de
Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.
Oenopia, Oinopia, oude naam van het eil. Aegina.
Oenopion, Oinopion, zoon van Dionysus of Rhadamanthys en Ariadne, die
van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orion.
Oenotria, Oinotria = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en
dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners
dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten
vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later
op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenotrus.
Oenotropi, -pae, Oinotropoi, dochters van Anius, die van Dionysus het
vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in
wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze
gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige
voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje
te brengen, doch Dionysus veranderde ze in duiven.
Oenotrus, Oinotros, jongste zoon van Lycaon, verhuisde uit Arcadië
naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.
Oenus, Oinous, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurotas
valt.
Oenussae, Oinoussai, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de
aziatische kust (het Mimasgebergte).--2) eilandengroep ten Z. van
Messenia.
Oeonus, Oionos, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in
den oorlog tegen Augias, eerste overwinnaar in den wedloop bij de
olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön
gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.
Oëroë, Oeroa of Oeroe, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.
Oesyme, Oisyme, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen
den Nestus en den Strymon.
Oeta, Oite, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia
tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met
den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is
een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles
zich verbranden.
Oetaei, Oitaioi, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten
W. van Doris en Malis.
Oetylus, Oitylos, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met
een tempel van Serapis.
Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4).
Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero
en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van
Octavianus tegen S. Pompeius.
Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er
in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9
pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen
door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat
reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.
Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend;
zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan
woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten,
o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent
Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden
gezonden, zie Aesculapius.
Ogygia, Ogygia, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd,
waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van
ieder vastland verwijderd was.--2) oude naam van Thebe.
Ogyges, Ogygus, Ogyges, Ogygos, een attische of boeotische koning
uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote
overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette
de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad
droegen dien naam.--Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor
dezelfde gehouden worden als de Erinyen.
Oicles, -cleus, Oikles, -kleus, kleinzoon van Melampus, vader van
Amphiaraus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon
en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje
teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.
Oiclides, Oikleides, Amphiaraus, zoon van Oicles.
Oikia, Oikos, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de
Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften
der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch,
gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in
het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is
aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel
van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede,
dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar
ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene
afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke
zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen,
die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele
deuren gesloten gang (prothyron) op een open plaats (aule), omgeven
door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de
voordeur was eene zuilengalerij (aithousa aules) en aan de overzijde
eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij
(aithousa domatos), waarachter het eigenlijke woonhuis (doma, domos; de
aule met de galerijen, enz., heeten met elkander prodomos) lag. Achter
deze galerij ligt het mannenvertrek (megaron), vanwaar een kleine gang
(prothyron) naar de overige vertrekken (thalamoi) van het huis geleidt;
onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare
slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is,
ook een bovenverdieping (hyperoon) slaapkamers, voorraadkamers, enz.,
bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte
van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken
een uitgang hebben.--Van een atheensch huis uit den hellenistischen
tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is
a de voordeur (auleios thyra), b een gang (thyron, pylon, thyroreion),
met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c
de open plaats (aule) der mannenafdeeling (andronitis), aan alle vier
zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook peristylion), rondom
welke de mannenvertrekken (andrones, oikoi, 1-9) gelegen zijn. Uit
deze aule, leidt een gang d (mesaulos, metaulos z.a.) naar de aule,
e, van het vrouwenverblijf (gynaikeion, gynaikonitis, deze aule heeft
slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde
in het midden een vertrek f ligt, dat naar de aule geheel open is,
waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (parastas, prostas); naast dit
vertrek zijn twee slaapkamers (thalamos en amphithalamos, g); aan de
andere zijden van de aule zijn verschillende andere vrouwenvertrekken,
geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden,
en door de achterdeur i (kepaia thyra) komt men in den tuin of op
straat.--Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel
en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude
schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde
en moest ondergaan,--al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte
gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig
en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding
gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend
kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen
in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in
het geheel geen afzonderlijke aule had. Zeer groote afwijkingen toont
bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning,
op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van
bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen,
terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is
en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput,
de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat
dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol
met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.
Oikoumene (ge), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men
veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar
waren. In engeren zin beteekent oik. het aan de Grieken, later aan
de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde,
orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.
Oileus, Oileus, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij
Eriopis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.
Oionopoloi, Oionistai, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit
wonderteekenen (terata), voornamelijk uit het verschijnen van vogels,
de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin
zij vliegen, enz.
Olba, Olbe, stad in het binnenland van Cilicia Trachea, ten N. van
Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der
Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Zeus Olbios,
waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.
Olbia, Olbia, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone
landingsplaats der Rom.--2) kuststad in Gallia Narbonensis, door
Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.--3) vesting in Pamphylia,
in den hoek der Pamphylische golf.--4) stad in Bithynia, ook Astacus
genoemd, z. a.--5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de
monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).
Olcades, Olkades, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der
Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).
Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den
oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.
Olearas = Oliarus.
Olen, Olen, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der
Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo
verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden
oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk
gehouden werd.
Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilani of triarii,
onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de
schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne
hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna
uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden
leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.
Olenus, Olenos, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich
beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed
werden beiden in steenen veranderd.
Olenus, Olenos, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van
Patrae (Patras).--2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus,
zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.--Dichterlijk Olenius =
achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthea.
Oliarus, Oliaros, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus,
thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en
schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.
Oligyrtus, Oligyrtos, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van
Stymphalus.
Olisipo, Olisipon, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4.
Olizon, Olizon, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia,
tegenover het eil. Euboea.
Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina,
Nero's tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seianus en werd in
diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar
eigen vader, maar van haar moeders vader.
Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn
loop den lacus Sebinus (lago d'Isea) vormt.
Oloösson, Oloosson, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.
Olophyxus, Olophyxos, stad aan den berg Athos met eene gemengde
bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).
Olpae, Olpai, Olpe, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust
der Ambracische golf gelegen.
Oltis, rechter zijtak van den Garumna.
Olurus, Olouros, 1) vesting in Achaia bij Pallene op de sicyonische
grenzen.--2) ook Oluris en Dorium geheeten, stad in het N. van
Messenia.
Olympia, he Olympia, was niet zoozeer eene stad, als wel eene
verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en
renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de
rivier Alpheus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van
plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (he Altis),
gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude
tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote
altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor
Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (thesauroi) en
vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het
Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk
is Olympia in 1875-1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde
dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa
verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige
gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis.
Olympia, ta Olympia, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest
ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten
ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd,
en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed
geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan
sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië
deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd
waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop,
waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: diaulos, dolichos, worstelen
en pentathlon, rijden met vierspan, paardrijden en pankration,
wedloop in wapenrusting (hoplites dromos), rijden met tweespan. Wegens
het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot
het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen
van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere
personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden
om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds--men zegt tot
472--liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit
naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in
alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest
door drie aanzienlijke Eleërs, spondophoroi bekend gemaakt, en op deze
bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche
staten (ekecheiria); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen,
de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze
toeschouwers toestroomen. De kamprechters, hellanodikai, hadden streng
toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat
men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk
levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium
geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze
bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in
de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met
een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg
zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men
aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar
(Olympionikes) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel;
in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten
vrijgesteld en had hij een eereplaats (proedria) bij alle feesten, de
voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.--Sedert 776 begon men te
Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus
voor het eerste der eerste olympiade (Olympias) en is het begin van
de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de
meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van
de renbaan van Olympia.--Hoewel de olympische feesten met het einde
van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis
verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd;
in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.
Olympiades, Olympiades, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.
Olympias, Olympias, 1) dochter van Neoptolemus van Epirus, huwde met
Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar
hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden,
dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem,
ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking
op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot
medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij
wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na
Alexander's dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus
te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen
Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van
Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen
Cassander uit de Peloponnesus terugkwam en haar in Pydna belegerde,
moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven,
en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter
dood gebracht (315).--2) z. Olympia.
Olymp(i)eni, Olymp(i)enoi, bewoners van het gewest Olympene in Mysia.
Olympieum, Olympieion, ook -pieion, 1) tempel van Zeus Olympius,
zooals er in verschillende steden vermeld worden.--2) stadje op
Sicilia vlak bij Syracusae, ten Z. van de monding van den Anapus,
naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten.
Olympiodorus, Olympiodoros, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der
Atheners in den perzischen oorlog.--2) atheensch archont, veldheer
tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcetes (287).--3) van
Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus,
leermeester van Proclus.--4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van
Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.--5)
van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na
C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel
bewaard is gebleven.
Olympius, -pia, Olympios, -pia, bijnaam van verscheiden goden en
godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.
Olympus, Olympos, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van
Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.--2) beroemd
fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw.
Olympus, Olympos, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen
van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste
goden, 6-7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.--2) in
Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).--3) in Galatia, ten Noorden van
Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso
(Manlii no. 4) de Galaten in 189.--4) vulkaan met gelijknamige stad aan
de Oostkust van Lycia.--5) op den staart van het eiland Cyprus.--6)
in het Z. van hetzelfde eiland.--7) in Laconica bij Sellasia.--8)
op Euboea, ten N. van Eretria.--9) in het Z. van het eiland Lesbus.
Olynthus, Olynthos, grieksche kolonie op Chalcidice aan den
sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan
de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de
inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon
hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379
aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen
door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in
zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van
tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat
was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd
werd, en verkocht de inwoners als slaven.
Olysipo = Olisipo.
Ombrius, Ombrios, bijnaam van Zeus als regengod.
Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses.
Omen, zie auguria.
Omphale, Omphale, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij
wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus
en Agelaus.
Onatas, Onatas, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder,
uit de eerste helft van de 5de eeuw.
Onca, Onka, bijnaam van Athena, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.
Onchesmus, Onchesmos, haven in Chaonia (Epirus), tegenover het
eil. Corcyra (Corfu).
Onchestus, Onchestos, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van
Haliartus.--2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt,
en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebeis.
Oneus mons, Oneion oros, Oneia ore, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der
landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnesus
en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.