Apollonia.--2) kaap in de taurische Chersonesus (Krim).--3) kaap van
het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.
Nympheum, nympheion, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met
zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven
door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte
kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea,
nymphaia, geschreven). Zulk een nympheum was ook het zoogenaamde
Septizonium (z. a.).
Nymphidius Sabinus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot
bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero's dood werd hij
door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig
zocht te maken.
Nymphis, Nymphis, van Heraclea in Pontus, geschiedschrijver ten
tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten
bewaard zijn.
Nymphodorus, Nymphodoros, van Syracuse, schrijver van twee
aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige
fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn
bewaard gebleven.
Nysa, Nys(s)a, de plek waar Dionysus door nimfen werd opgevoed. Deze
nimfen worden Nyseides, Nyseides, genoemd en de god zelf Nyseus,
Nyseus. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India,
Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos,
overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de
god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien
naam zijn:--1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles,
gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn
nog over.--2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3.
Nyseides, Nyseides, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionysus.
Nyseus, Nysius, Nysigena, Nyseus, Dionysus, naar zijne geboorteplaats
Nysa.
Nysiades = Nyseides.
O.
Oanis, Oanis, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarina.
Oaracta, ta Oarakta, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de
kust van Carmania.
Oarus, Oaros, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in
de Palus Maeotis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs
(Don). Bedoeld is de Rha (Wolga).
Oaxus, Oaxos, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier
Oaxes.
Obe, z. Phyle.
Obeliscus, obeliskos, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven
toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene
pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het
Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit
graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte
wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen
beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het
houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met
groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen,
Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de
tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk,
rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.
Obelus, obelos, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche
grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte
plaatsen aanduidden.
Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een
creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder
zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene
op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto
uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander,
waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent
het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris,
waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een
partijdig vonnis heeft geveld.
Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig
zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo.
Obolos, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de
deel van een drachme. Ob. nekrou, z. Charon.
Obrima, Obrimos, zijtak van den Maeander in Phrygia.
Obrimopatre, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athena.
Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen,
prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk
in de 4de eeuw na C.
Obucola, Oboukola, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).
Ocalea, Okaleia, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van
Acrisius en Proetus.
Ocalea, Okalee, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer
Copais.
Oceanides, -ninae, Okeanides, -ninai, -nitides, 3000 dochters van
Oceanus en Tethys, nimfen der zee.
Oceanus, Okeanos, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen,
die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door
hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de
regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen
der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden
en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan),
volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en
zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en
zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de
vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige
duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.--In latere tijden
onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur
gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis),
maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden
genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het
begrip van eb en vloed.
Occelus of Ocellus Lucanus, Okkelos of Okellos ho Leukanos,
pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk
peri tes tou pantos physeos is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw
voor C.
Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.
Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.
Ochus, Ochos, bijnaam van Artaxerxes III.
Ochus, Ochos, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.--2)
rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.
Ocnus, Oknos, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was
hij een zoon of broeder van Auletes, den stichter van Perusia, en
had hij Felsina, het latere Bononia, gesticht.
Ocriculum, Okrikola, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en
de via Flaminia, thans Otricoli.
Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en
gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5.
Octavianus, zie Iulii no. 14.
Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den
koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd
in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als
gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.--2)
Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning
Perseus, die zich op Samothrace aan hem moest overgeven. Van den buit
bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in
162 werd hij te Laodicea vermoord, terwijl hij met een staatkundigen
last in Azië vertoefde.--3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met
Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens
voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.--4) Cn. Octavius,
consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te
gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde,
werd Oct. vermoord.--5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als
volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia
(lex) frumentaria.--6) L. Octavius, consul in 75.--7) M. Octavius
was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars
legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen
(49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag
bij Pharsalus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten,
hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van
zijn vloot.--8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid,
praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina's benden
en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de
Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij
stierf in het begin van 58 te Nola.--9) C. Octavius, zoon van no. 8,
geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij
was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.--10) Octavia,
dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna
(40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel
en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting
tusschen haar man en haar broeder Octavianus te voorkomen. Doch
Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij
te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij
stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw
en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele
brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij
ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus
(Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de
eerste man van Augustus' dochter Julia.--11) Octavia, dochter van
keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalina, huwde
in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter
niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen
naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk,
en na Nero's dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia,
die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.
Octodurus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton
Wallis.
Octogesa, stad der Ilergetes aan den Iberus in Hispania.
Ocypete, Okypete, een van de Harpyiën.
Ocyrhoe, Okyroe, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes;
zij werd in een paard veranderd.
Odenathus, Odenathos, aanzienlijk burger van Palmyra, die zich in
het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261
na C.), den perzischen koning Sapores uit Syrië verjoeg, en door
den rom. keizer Gallienus als mederegent erkend werd. In 267 werd
hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en
begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels
van het bewind in handen.
Odessus, Odessos, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxinus
(Zwarte zee), thans Varna.
Odeum, odeion, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze
van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste
odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde
het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes,
Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herodes Atticus gaf aan
Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld;
het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er
een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het
eerste odeum te Rome was dat van Domitianus.
Odoacer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan
hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus
Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In
493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.
Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbelus, tusschen den
Strymon en den Nestus.
Odrysae, Odrysai, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters
met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder
de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners
in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes
I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met
Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den
staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch
bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk
in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.
Odysseus, Odysseus, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en
Anticlea, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar
de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden
raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn
voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw
begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede
op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht
zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door
Palamedes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje
en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral
onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest
en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar
deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder,
en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den
oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen,
hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus
verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt
hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor
eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal
is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis
bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssea van
Homerus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen,
eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea
gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar
sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht
bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven
moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde
hij den woesten menscheneter Polyphemus (z.a.) van het gezicht,
waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd
werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn
vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren
behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar
in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de
winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar
het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen
(z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan
zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over
zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen,
tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia,
waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven,
zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van
Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O.,
zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle
schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het
eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.),
en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar;
als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan,
vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd
vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm
wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt
hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland
Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden
door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning
der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije
ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen
verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar
zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van
verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader
zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer
dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in
afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn
vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten
tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks
voor hunne lagen veilig is. Door Athena, zijne trouwe beschermster,
als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn
zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer
Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend,
tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft,
zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat
zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen,
en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als
bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra
hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus
en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt
hij zich bekend, terwijl Athena een oproer stilt, dat door den moord
der vrijers dreigde te ontstaan.--Over zijne verdere lotgevallen zijn
de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus
(z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had
daar verscheiden steden gesticht.
Oea, Oia, 1) vlek op het eiland Thera.--2) stad op de kust van Africa,
tusschen de beide Syrten.
Oeager, Oiagros, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en
Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch.
Oeagrides, Oiagrides, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon
van Oeager.
Oeanthe, -ea, Oianthe, Oiantheia, stad der Locri Ozolae aan de westkust
van de golf van Crisa.
Oeax, Oiax, zoon van Nauplius no. 2.
Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus.
Oebalides, Oibalides, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres),
afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.
Oebalus, Oibalos, 1) zoon van Cynortas of Perieres, koning van Sparta,
vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum
Oebalia arx genoemd.--2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae,
waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw
rijk in Campanië.
Oechalia, Oichalia, naam van verschillende steden, als: 1) in
Thessalia aan den Peneus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van
den door Heracles gedooden Eurytus.--2) in het N. van Messenia.--3)
in Trachis.--4) nabij Eretria op Euboea.--5) in Aetolia.
Oeclides, Oikleides, zoon van Oecleus, Amphiaraus.
Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de
zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of
het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende
als pronkzaal (z. domus) of als triclinium.
Oedipus, Oidipous, Oidipodes, zoon van Laius en Iocaste. Wegens
een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na
zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron
te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last
echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam
naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus,
gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was,
maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest
toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch
gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om
inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij
het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier
kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde
tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden,
met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken,
dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of
hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote
was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren,
en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg
naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet,
die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd;
wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en
zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna
kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de
koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien
werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke
slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder
der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend,
dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van
Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost
het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar
tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder;
dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de
eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft,
beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze
wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid,
maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot
heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles,
Polynices, Antigone en Ismene. Na vele jaren wordt het land echter
door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood
zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te
vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal
blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood
gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te
vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij
den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind
op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd
wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten,
deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had
overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende
verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude
orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl
Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens
het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem
tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad
te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden,
behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij
hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich
alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij,
oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone
trouw vergezelt en ook Ismene hem nu en dan diensten bewijst. Wel
verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich
zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te
overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynices hem te
bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen
bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets
weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het
woud der Eumeniden op den heuvel Colonus bij Athene, zijn graf is
alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van
heil voor hun land.--Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne
moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden,
hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over
Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganea tot
vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij
haar verstooten en Astymedusa tot vrouw genomen hebben.