geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de
tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en
Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen
van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk
ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie
Mespila), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest,
zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad
van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van
maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in
den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843
na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot
'47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel,
Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht
brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor
de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd
is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie
steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het
Mespila van Xenophon; 2º. Kalach--het Larissa door Xenophon genoemd,
tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten.
Ninyas, Ninyas, zoon van Ninus, z. Semiramis.
Niobe, Niobe, 1) dochter van Phoroneus en Laodice, bij Zeus moeder
van Argus en Pelasgus.--2) dochter van Tantalus en Taygete of Dione,
gemalin van Amphion. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost--zij
had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door
schoonheid uitmuntend--durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam
dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om
haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis
al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart
of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots
veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds
tranen vergietend over het ondervonden leed.--De rots, die door de
ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij
Magnesia gevonden te hebben.
Niphates, Niphates = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van
de meren Thospitis en Arsissa.
Nireus, Nireus, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste
der Grieken voor Troje.
Nisaea, Nisaia, haven van Megara, door lange muren, die door de
Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.
Nisaei campi, Nisaion pedion, vruchtbare hoogvlakte in Media,
bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote
koninklijke stoeterijen.
Nisibis, Nisibis, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in
het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor
den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochia Mygdonia
genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de
oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.
Nisus, Nisos, 1) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, koning van
Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken,
verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde
Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den
belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of
purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop
stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij
werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne
dochter (z. Scylla) onophoudelijk.--2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot
van Aeneas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden
ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden
na er een geduchte slachting aangericht te hebben.
Nisyrus, Nisyros, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van
Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.
Nitiobriges, Nitiobriges, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum
(Agen) aan den Garumna.
Nitocris, Nitokris, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele
bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar
uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen
gehouden.--2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij,
om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was,
te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal
noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak
van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.
Nitrariae of Nitriae, Nitriai, groote sodameren in eene vallei
(vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.
Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en
wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.
Nobiles of optimates heetten bij de Rom. die familiën, die het ius
imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden
bekleed.
Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10-13).
Nola, Nola, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den
Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op
Hannibal. Hier is Augustus gestorven.
Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het
kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het
eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des
vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij
voegde, b. v. Demosthenes Demosthenous Paianieus, Theophrastos
Theodorou. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of
geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De
verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich
door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla,
Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of
agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als:
Africanus, Nasica. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het
nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van
zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe,
aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus
Mucianus, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. Gebeurde
dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook
dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en
geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen
hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter,
vrijgelatene van P. Terentius Lucanus. Vrijgelatenen van steden
vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles
(v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen
door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er
den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero's dochter Tullia
Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee
dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden
zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in
ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia,
Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het
in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij
beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella,
hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van
zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextina, hetzij aan andere
familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippina, Iulia Drusilla, Iulia
Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie
of vier namen, als: Livia Medullina Camilla, Lucia Baebia Sallustia
Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen
gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door
elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het
signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral
tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken
naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche
en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius
van aster. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde
vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen.
Nomenclator, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke
en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te
kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het
forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid
vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de
nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de
bezoekers aandienen.
Nomentanus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatius. Een andere
Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.
Nomentum, Nomenton, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en
de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana.
Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien
men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.
Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.
Nomius, Nomios, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als
herdersgoden.
Nomophylakes, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes
ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den
Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en
eerst door Demetrius Phalereus weder in het leven geroepen.--Ook
verscheiden dorische staten hadden nom., die vooral moesten toezien
dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen
werd. Op Corcyra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der
magistraten, evenals de atheensche logisten.
Nomothetai, z. epicheirotonia no. 1.
Nonacris, Nonakris, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier
ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo =
Callisto, Nonacria = Atalanta.
Nonae, zie annus.
Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar,
die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat
van Caesar in Africa en Hispania.
Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen
het midden der 3de eeuw na C.
Nonnus, Nonnos, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in
een episch gedicht de daden van Dionysus; later ging hij tot het
Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase
van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.
Nora, 1) Nora, oude stad op de Z.kust van Sardinia.--2) ta Nora,
bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.
Norba, Norba, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in
492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den
tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In
den burgeroorlog werd het door Sulla's troepen verwoest.--2) Norba
Caesarea, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara,
met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traianus staat.
Norbani, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus,
volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio
(consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd
wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia
maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus
seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88,
en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in
den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus,
waar hij zich zelf van kant maakte.--2) C. Norbanus Flaccus was
legaat van Antonius en Octavianus in den strijd tegen Brutus en
Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over
de Hispaniërs.--3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus,
consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.--4) onder
Domitianus en Traianus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor.
Noreia, Noreia, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius
(Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul
Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.
Noricum, Norikon, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen
den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius
(Wienerwald) bij Vindobona (Weenen). De inwoners, Taurisci, van
celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een
niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen;
het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den
Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van
bestaan. In de jaren 15-13 werden al de gewesten tusschen Alpen en
Donau tot rom. provinciën gemaakt.
Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii
vereerd.
Nossis, Nossis, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige
epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.
Nostoi, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende
grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.
Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing
door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de
lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het
overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana
of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig
bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der
censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.
Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.
Nothoi, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee
verschillende staten zonder epigamia behoorden. De laatstgenoemden
kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat
in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een
atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten
huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij
konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald
deel (notheia) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.
Notium, Notion, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de
aeolisch-mysische kust.
Notus, Notos, de Zuidenwind, zie Windstreken.
Novaesium = Novesium.
Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadana. Sedert
89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium.
Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden
dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena
novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen,
dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen.
Novempopulana (provincia), zie Aquitania.
Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides.
Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen,
thans Neuss tegenover Dusseldorf.
Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een
blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.),
evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.
Noviodunum, keltische naam van verschillende steden in Gallia
Transalpina. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en
Avaricum (Bourges).--2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.--3)
stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.--4) stad
der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.
Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpina. 1) bij de
Bituriges Vibisci in Aquitania.--2) bij de Leuci in Belgica aan
de Mosa (Maas).--3) bij de Nemetes aan den Rhenus (Rijn), thans
Spiers.--4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traianus gesticht,
bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk
ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten
Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.
Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt
gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft.
NP. Zie fasti (dies).
Nuceria, Noukeria, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van
Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later
herbouwd.--2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria,
aan de via Flaminia.--3) stad in Apulia = Luceria.
Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe),
behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
Numa Pompilius, Noumas, tweede koning van Rome (± 715-679), een
Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe
zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde
overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie
hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen
ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.
Numantia, Noumantia, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius
(Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der
Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile,
slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren
ontberen kon. In 143 bewerkte Viriathus, de aanvoerder der Lusitaniërs,
dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche
oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in
het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij
vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem
in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken
wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet
de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken
en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de
Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door
den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul
M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancinus het
onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede
had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africanus
minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden
viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende
kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad
had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.
Numenius, Noumenios, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.--2) van Apamea
in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn
werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel,
dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds
bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers
der neo-platonici, Plotinus heeft van zijne werken dikwijls gebruik
gemaakt.
Numerianus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus,
vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus
omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carinus volgde hij
zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader,
den praefectus praetorio Arrius Aper.
Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius
Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero,
doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne
oratio pro Sestio.
Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en
samnietische oorlogen voorkomen.
Numicius of Numicus, Noumikios, kustriviertje van Latium, valt bij
Ardea in zee.
Numidia, Nomadia, Noumidia, het afrikaansche kustland, van de
rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de
bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Nomades,
zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust
was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van
Carthago overgingen. Na Carthago's val kreeg koning Masinissa van
de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne
Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren
trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot
aan den Ampsaga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder
den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het
westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37
n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania
Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van
een uitmuntend ras.
Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.
Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van
Zuid-Samnium.
Numitor, Nometor, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door
zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne
kleinzonen Romulus en Remus hersteld.
Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.
Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de
sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100
sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld.
Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala.
Nymphagogos, z. Paranymphos.
Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en
ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch
uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan
eener verbintenis ten overstaan van getuigen.
Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum
heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere
dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus
volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae.
Nuntiatio, zie augures.
Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de
sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde
de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden
in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels
(hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en
zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar
zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis;
aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.
Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.
Nurtia = Nortia.
Nycteis, Nykteis, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook
Antiope, als dochter van Nycteus.
Nyctelius, Nyktelios, bijnaam van Dionysus naar de nachtfeesten,
Nyktelia, die te zijner eer gevierd werden.
Nycteus, Nykteus, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus,
Labdacus en Antiope.
Nyctimene, Nyktimene, dochter van Epopeus, koning van Lesbus; uit
schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar
vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der
wouden. Athena veranderde haar in een nachtuil.
Nyctimus, Nyktimos, zoon en opvolger van Lycaon no. 1. Onder zijne
regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.
Nymphae, Nymphai, dochters van Zeus, godheden van minderen rang,
personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende
uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere
nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een
eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn
zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de
menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij
de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals
Artemis en Dionysus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der
goden op den Olympus.--Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides,
Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades),
dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades,
Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden:
Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.--Zij genoten
goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en
bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen,
nympheia. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij
werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed,
gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk
maakt.--Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn
en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon
zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso,
Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten,
als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een
tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.