Neokoros, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar

van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de

tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den

keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich

neokoroi, van den tempel des keizers te mogen noemen.

Neon, Neon, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes

verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea

genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen

oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd.

Neontichus, Neon teichos, 1) aeolische stad op de kust van Mysia,

aan den Hermus.--2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis,

nabij de Chersonesus.

Neophron, Neophron, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan

slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne

Medea een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in

werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten,

die onlangs van zijne Medea teruggevonden zijn.

Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw

na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den

ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten

indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer

van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en

nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van

Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een

deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de

bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden

zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en

Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke

(alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling

Plotinus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van

de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus,

van de atheensche Proclus.

Neoptolemus, Neoptolemos, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon

van Achilles en Deidamea, werd bij zijn grootvader Lycomedes opgevoed,

en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was,

dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst

wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is

even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten

paard komt hij in de stad, doodt Polites voor de oogen van diens

vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus,

hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van

zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache

(z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had

zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia

meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epirus en vestigde

zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus

de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epirus aan Helenus

overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te

Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd;

zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen

waren om den tempel te plunderen.--2) een van de schuldigen aan den

dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging

van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van

Halicarnassus tegen Alexander.--3) werd koning van Epirus, toen Pyrrhus

door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus

Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was,

wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam

hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296).

Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van

Veii latijnsche kolonie, later municipium.

Nephele, Nephele, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.),

later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.--2) z. Ixion.

Nepheleis, Helle, dochter van Nephele.

Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16).

Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58.

Neptunine, Thetis, kleindochter van Neptunus.

Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrodes montes op Sicilia,

bij Messana.

Neptunus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem,

later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door

griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu

met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en

ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in

den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli

te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken

tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, skiades. Zie ook Consus.

Nequinum, oude naam van Narnia.

Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de

regeering van Traianus en Hadrianus als mannen van invloed voorkomen.

Nereides, Nereides, Nereïdes, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris

(vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee,

op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en

waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige

zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze

af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met

dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd.

Nereine, Nereine, Thetis, dochter van Nereus.

Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus.

Nereus, Nereus, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het

bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden,

woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan

aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd

geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in

den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der

Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam

van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en

gewoonlijk met zeewier in plaats van haar.

Nericus, Nerikos, oude hoofdst. v. Leucadia.

Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk

aan de Westkust van Schotland.

Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk.

Nerio, -ria, -riene, gezellin van Mars, later als zijn gemalin

beschouwd.

Neritum, -us, Neriton, -os, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius

dux = Ulysses.

Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22-27, 29).

Nero, rom. keizer 54-68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus

en Agrippina, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk

L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius

huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde),

werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero

Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius

deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon

den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In

de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester

L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als

een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust,

bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht,

evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder

(59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabina, die

hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den

brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde

hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te

beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte

door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven

(65), ook Seneca en de dichter Lucanus werden er in betrokken. De

prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak

(domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen

verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het

slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en

zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland

(66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius

Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen

verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij

geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene

vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood.

Neronia, zie Artaxata.

Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd

werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de

nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini,

Eudoses, Suardones en Nuithones.

Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia.

Nerva, familienaam in de gentes Cocceia, Licinia (Licinii no. 33),

Silia (Silii no. 2 en 4).

Nerva (M. Cocceius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96-98 na C.,

leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder

Domitianus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van

D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won

hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die

zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft

of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel

van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan

zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij

den voortreffelijken M. Ulpius Traianus, die toen legatus van Germania

superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering

van anderhalf jaar (Jan. 98).

Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen

en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden

in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden

in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden,

misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen.

Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder

den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest,

later herbouwd.

Nesiotes, Nesiotes, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot

van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw

gedenkteeken voor Harmodius en Aristogiton, nadat het oude door Xerxes

medegenomen was.

Nesis, Nesis, bekoorlijk eilandje bij Pausilypum (Posilippo), op de

kust van Campania.

Nessonis, Nessonis, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa.

Nessus, Nessos, z. Heracles.

Nessus, Nessos = Nestus.

Nestor, Nestor, zoon van Neleus en Chloris, koning van Pylus. Hij

onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen

Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij

zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs,

hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan

de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd,

toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij

mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral

invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne

innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig

naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht.

Nestus, Nestos, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte

ontspringt en bij Abdera in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus

de grens tusschen Macedonië en Thracië.

Netum, Neeton, stad in het gebied van Syracusae en ten Z.W. daarvan

gelegen.

Neuri, Neuroi, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den

Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen.

Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in

engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de

schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten

gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden

toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door

den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco;

hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum

werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt

de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd.

Nicaea, Nikaia, dochter van Antipater no. 1, na Alexander's dood

eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus.

Nicaea, Nikaia, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan

het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van

het vroegere Ancore, en Antigonea genoemd; Lysimachus vergrootte ze

en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de

residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In

325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden,

waarop de leer van Arius veroordeeld werd.--2) stad op de indische

grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner

overwinning op Porus.--3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh)

= Cabura.--4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae

beheerschte.--5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust,

thans Nizza.

Nicander, Nikandros, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer,

van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn

voornaamste werk, de Heteroioumena, is door Ovidius in zijne

Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw.

Nicanor, Nikanor, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander

d. G., streed aan het hoofd der hypaspistai bij den Granicus, bij

Issus en Gaugamela; hij stierf in 330.--2) stadhouder van Alexander in

Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van

Antigonus.--3) van Stagira, bevelhebber der vloot onder Alexander; na

diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren,

eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.--4)

van Alexandria, grieksch grammaticus ten tijde van Hadrianus, die

vooral over de leer der interpunctie (stigme) schreef, waarom men

hem schertsend stigmatias (gebrandmerkte) noemde.

Nicarchus, Nikarchos, naam van twee grieksche epigrammendichters.

Nicephorium, Nikephorion, sterke vesting in Mesopotamia aan den

Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus

I aangelegd.

Nicephorius, zijtak van den Chaboras, stroomde dicht langs

Tigranocerta.

Nicephorus, Nikephoros, bijnaam van Zeus als god der overwinning.

Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar.

Niceratus, Nikeratos, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk

Athener, werd door de 30 gedood.--2) zoon van Euctemon, van Athene,

beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral

te Pergamum werkzaam was.

Nicias, Nikias, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend

als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der

oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met

Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk

en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk,

maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem

eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en

liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In

het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met

geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming

van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon's dood werd

vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks

voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle

vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming

naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het

hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen

werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de

zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem

misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde

te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid

te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij

partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek

uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij

zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees

voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor

den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de

geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te

trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst

en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij

zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide

veldheeren werden ter dood gebracht.--2) rhetor te Thurii, leeraar

van Lysias.--3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders,

tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste

marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek

(z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.--4)

lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor

geld te vergiftigen.--5) van Miletus, geneesheer en epigrammendichter,

vriend van Theocritus.--6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend

van Cicero, Dolabella en Pompeius.

Nicochares, Nikochares, atheensch blijspeldichter uit het

overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes.

Nicocles, Nikokles, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde

over Salamis op Cyprus 374-360.--2) koning van Salamis ten tijde

van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.--3) vorst van Paphus,

die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen

een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310).

Nicocreon, Nikokreon, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus.

Nicolaus, Nikolaos, van Damascus, grieksch geschiedschrijver,

vriend van Herodes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius

en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een

zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig

bewaard gebleven is.

Nicomachus, Nikomachos, 1) zoon van Machaon en Anticlea, regeerde

met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame

geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar

zij als heroën vereerd werden.--2) schrijver (grammateus) te Athene,

wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen

een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te

maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later

aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.--3)

van Stagira, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een

zoon van Aristoteles heette N.--4) treurspeldichter, die eens in den

tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.--5)

van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en

leerling van Aristodemus. Sommige van zijne werken werden later naar

Rome overgebracht.--6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C.,

van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij

hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der

nieuw-pythagoreïsche school.

Nicomedea, Nikomedeia, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus,

in 264 door Nicomedes I gesticht op de plaats van het oude Astacus

(z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletianus en van

Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om

het leven; de geschiedschrijver Arrianus werd er ± 90 na C. geboren.

Nicomedes, Nikomedes, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der

Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte

en stichtte Nicomedea; hij regeerde 281-246.--2) Nic. II Epiphanes

(149-128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was

geheel van de Rom. afhankelijk.--3) Nic. III Euergetes, opvolger van

den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates

afstaan en stierf kort daarna.--4) Nic. IV Philopator, werd door

zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91),

maar door M.' Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet

zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74).

Nicon, Nikon, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal

overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper

strijdend (209).

Niconia, Nikonia, -nion, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr).

Nicophemus, Nikophemos, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en

gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over

de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld.

Nicopolis, Nikopolis, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad

in het Z. van Epirus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus

gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de

spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.--2) stad in

Thracia aan den Nestus.--3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van

den Haemus, door Traianus gesticht ter herinnering aan een overwinning

op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.--4) stad

in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van

zijne overwinning op Mithradates (65).--5) stad in de Nijldelta nabij

Alexandria, door Augustus aangelegd.

Nicosthenes, Nikosthenes, fabrikant en schilder van vazen in

zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de

6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek

of van zijne hand bewaard gebleven.

Nicostratus, Nikostratos, 1) zoon van Menelaus en Piëris.--2)

atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcyra

en in Argolis.--3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen

onder Artaxerxes Ochus.

Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.).

Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een

beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en

divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis,

de diis e.a. Caesar verbande hem (46).

Nilus, Neilos, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne

vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam

Aegyptus (ho Aigyptos). Hij had zeven mondingen of ostia (stomata):

Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum,

Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum

of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen

verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen.

Niniveh, stad = Ninus.

Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun

L. Ninnius Quadratus voor als hevig tegenstander van P. Clodius

Pulcher, den vijand van Cicero.

Ninus, Ninos, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de

verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting

van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van

52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot

vrouw genomen had.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 95 / 150 段