Nabataei, Nabataioi, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst

nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten,

Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook

over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een

handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op,

terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten

(Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der

Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64

een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als

vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware

bestraffing weder met Octavianus verbonden voor. Traianus vernietigde

hun rijk (105 n. C.).

Nabis, Nabis, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van

de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig

en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel

Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich

te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere

peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en

werd hem door Flamininus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort

daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog

tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee

behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop

door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192).

Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In

zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van

Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd.

Nabonedus = Labynetus no. 2.

Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625-604), viel van

Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de

bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden.

Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke

personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij

door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de

beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje.

Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte,

tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta)

gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over

den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in

zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en

de Scipio's waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning

op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig:

fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord

werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij

overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.--2) de andere

bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen,

zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe

afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero

verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio,

wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.--3)

Naevius Sertorius Macro, z. Macro.

Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua

(Oder).

Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen.

Naiades, Naïades, Naïdes, nimfen van rivieren (Potameides), bronnen

(Krenaiai, Pegaiai) en beken (Limnades). Zij bezitten de gave der

profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht

van het water menschen, dieren en planten (Kourotrophoi, Nomiai,

Karpotrophoi). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende

goden genoemd.

Naï(s)sus, Naïs(s)os, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa),

geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch.

Namatianus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer

Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu

suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome

naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis

valt, historisch belang heeft.

Namausus = Nemausus.

Namnetae of -tes, Namnetai, gallisch volk aan den mond van den

Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes).

Nanno, Nanno, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar

zijne liefde niet beantwoordde.

Nantuatae of -tes, Nantouatai, ligurisch of raetisch volk aan den

lacus Lemannus (meer van Genève).

Napaeae, Napaiai, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend.

Naparis, Naparis, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het

tegenw. Rumenië.

Napata, Napata, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het

rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De

stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius,

veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat

de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk,

van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd,

onder den naam Nubia Inferior.

Nar, Nar, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria,

die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt.

Naragara, ta Naragara, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór

den slag bij Zama een onderhoud hadden.

Narbo, Narbon, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae

Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als

rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia

Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners

Atacini werden genoemd.

Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpina,

naar de hoofdst. Narbo.

Narcissi fons, Narkissou pege, bron in Boeotia bij Thespiae, waar

narcissen in menigte groeiden.

Narcissus, Narkissos, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een

buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde

en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde,

wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld

in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van

ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in

een narcis.--2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer

Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij

dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een

zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalina, maar werd

later door Agrippina uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.--3)

gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iulianus

werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht.

Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het

tegenw. Beieren.

Narnia, Narnia, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op

eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequinum geheeten.

Narona, rom. kolonie in Dalmatia.

Narthacium, Narthakion, berg en stad in Thessalia, in het N. van

Phthiotis, niet ver van Pharsalus, waar in 394 Agesilaus, uit Azië

terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden.

Narthex, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel

veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus

daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden

veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een

doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander

d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren,

die vandaar he ek tou narthekos ekdosis genoemd wordt.

Narycus, -cium of Naryx, Narykos, Naryx, misschien het zelfde

als het latere Pharygae, Pharygai, stad der opuntische Locriërs,

geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oileus (Narycius heros). Zie

ook Locri Epizephyrii.

Nasamones, Nasamones, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte

(golf v. Sydra).

Nasica, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22-25.

Nasidienus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende.

Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers

der pompejaansche partij voorkomen.

Naso, familienaam der Ovidii.

Nasus, 1) Nesos, eilandje met kasteel in de rivier Achelous in

Acarnania.--2) Nasos = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae.

Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een

badhuis.

Nauclides, Naukleidas, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2

naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der

democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven

aangeklaagd.

Naucrates, Naukrates, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten

van Mausolus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar

van den overledene.

Naucratis, Naukratis, milesische volkplanting uit de 2de helft van

de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de

aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten

vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm.

Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium.

Naucydes, Naukydes, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van

Polycletus (± 420).

Naukraria. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 naukrariai,

verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere naukraria de verplichting

een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen

worden zij dikwijls met de latere demoi vergeleken. De hoofden der

naucrariën, naukraroi, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de

instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun

bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere

phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden

voor de vloot.

Naulochus, Naulochos, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier

versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag.

Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht,

maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen

en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop

vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke

vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er

een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius

liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het

strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te

Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook

naumachia genoemd.

Naumachius, Naumachios, grieksch dichter van later tijd; van zijn

gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard.

Naupactus, Naupaktos, versterkte havenstad in Locris aan de

Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar

de Peloponnesus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in

het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad

wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder

locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans

Lepanto of Epacto.

Nauplia, Nauplia, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf.

Naupliades, Naupliades, Proetus of Palamedes, zonen van Nauplius.

Nauplius, Nauplios, 1) zoon van Poseidon en Amymone, stichter

van Nauplia.--2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman

en sterrenkundige, Argonaut.--3) koning van Euboea, bij Clymene

no. 5 vader van Palamedes en Oeax. Vertoornd over de behandeling,

die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de

vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te

beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de

Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op

kaap Caphareus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen

op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de

zijnen gedood.

Nauportus, Nauportos, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus,

en stad (Ober-Laybach) in Pannonia.

Nausicaa, Nausikaa, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na

het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij

ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader.

Nausicles, Nausikles, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen,

die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk

met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der

macedonische partij.

Nausinous, Nausinoos, zoon van Odysseus en Calypso.

Nausiphanes, Nausiphanes, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer

uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van

Epicurus.

Nausithous, Nausithoos, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der

Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd

werd, van Hyperea naar Scheria.--2) zoon van Odysseus en Calypso.--3)

stuurman van Theseus.

Nautaca, Nautaka, stad in het perzische gewest Sogdiana.

Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen

Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader

gold Aeneas' tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar

Italië overbracht.

Nautodikai, te Athene rechters in handelszaken (dikai emporon),

tevens belast met de instructie bij de graphe xenias. Kort na 403

werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen.

Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt.

Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus

Martius.--2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land,

misschien aan den mond van de Fossa Drusiana.

Navius, zie Attii.

Naxus, Naxos, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne

vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer

en zijn wijn en aan Dionysus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere

namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners

komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica

uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te

vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het

atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten,

verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376

werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus

verslagen.--2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door

euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracusae

verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in

de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina.

Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van

hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De

panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is

van Eumenius.

Nazianzus, Nazianzos of Nazianzos, stad in Cappadocia. Z. Gregorius

no. 2.

Neaera, Neaira, nimf, bij Helius moeder van Phaëthusa en Lampetia.

Neaethus, Neaithos, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene

trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken

hebben.

Neandria, Neandria, Neandreia, aeolische stad in Troas. Hier is in

de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen

vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is

voor de kunstgeschiedenis.

Neanthes, Neanthes, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I,

schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken

over geschiedenis.

Neapolis, Neapolis, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl

bovendien een gedeelte van Syracusae dezen naam droeg. Het beroemdst

is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond

uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis,

en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie

bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit

genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om

zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte

Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek

met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk

bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer

van het westrom. rijk, overleed hier.

Nearchus, Nearchos, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië

gezonden.--2) zoon van Androtimus, door Philippus uit Macedonië

verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien

hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar

Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den

koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg

van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving

van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen

tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door

den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over

de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord

te nebben.--3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum

vriend en leermeester van den ouden Cato.

Nebrodes montes, Neurode ore, bergketen op Sicilia, die zich langs

de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het

eiland voortzet.

Nebucadrezar, Nabokodrosoros, zoon en opvolger van Nabopolassar,

koning van Babylonië (605-562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die

onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna

uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel

en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon.

Necho, Nekos, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte

(610-595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van

Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche

zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië,

Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië

werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde

land in Azië weder verloor.

Nectanabis, Nektanabis, -tanebos, 1) de vierde koning van Aegypte,

nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië

onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen

het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabazus en

Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.--2) N. II,

stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen,

en maakte zich met behulp van Agesilaus van de regeering meester

(360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië,

maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te

kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet

bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië

(344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte.

Nectar, nektar, godendrank, z. Ambrosia.

Neda, Neda, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia.

Nedon, Nedon, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de

Messeensche golf uit.

Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn

dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de

zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies).

Neïon, Neïon, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca.

Neïth, Neith, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de

Grieken met Athena geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie

der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden,

v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene

giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder

huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld.

Nekromanteion, Nekyom., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer

en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende

dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde

orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode

ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier

de Acheron in Epirus, bij Heraclea Pontica, te Cumae in Italië,

bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia.

Nekysia, Nemeseia, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de

Boëdromion, dus = Genesia.

Neleïades, Neleiades, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van

Neleus.

Neleus, Neleus, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn

tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders

opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later

vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus

geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat

N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over

Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met

het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit;

daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne

zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een

gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.--2) zoon van Codrus,

door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Miletus

e. a. ionische steden.

Nelides, Neleides = Neleïades.

Nemausus, Nemausos, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici,

in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van

rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison

carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding

op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een

gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst

eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie.

Nemea, Nemea, 1) dal in Argolis tusschen Cleonae en Phlius, waar

Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden

gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.--2) rivier op de

grens van Sicyon en Corinthia.

Nemea, Nemea, Nemeia, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis

van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee

jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea,

later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in

loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der

overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal

feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis.

Nemesianus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C.,

geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht,

Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is.

Nemesis, Nemesis, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan

ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die

trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan

de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk

afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en

met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal

beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt.

Nemetacum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras.

Nemetae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de

hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden

reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd

als hulptroepen van Ariovistus.

Nemetocenna = Nemetacum.

Nemetum, Nemossos, z. Augustonemetum.

Nemorensis lacus, zie Aricia.

Nemossus, Nemossos, z. Augustonemetum.

Neniae = naeniae.

Neobule, Neoboule, z. Archilochus.

Neocaesarea, Neokaisareia, groote en prachtige hoofdstad van Pontus

Polemoniacus, aan den Lycus.

Neocles, Neokles, vader van Epicurus, ging met atheensche cleruchen

naar Samus, waar hij eene school hield.

Neodamodeis, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den

krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral

voor krijgstochten naar Azië gebruikt.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 94 / 150 段