Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze
de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.--2) L. Mummius, een
goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul
in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op
den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens
reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de
achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht,
de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne
terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In
142 was hij censor met Scipio Africanus minor; hij geraakte echter met
hem in twist.--3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer
beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche
wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in
dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te
Corinthe verhaalde.
Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der
rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat
van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid,
die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch
voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit
eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de
vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In
44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later
Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul,
in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde;
vervolgens liep hij tot Octavianus over, voor wien hij later den titel
Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius
wijdde hem een ode.--2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1,
diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest
wegens ziekte naar huis terugkeeren.--3) T. Munatius Plancus Bursa,
broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius
en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij
werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den
Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.--4) L. Plautius
Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen,
kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap.
Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova),
bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en
van Caesar op de zonen van Pompeius (45).--2) stad der Celtiberi in
Tarraconensis.--3) rivier in Lusitania, thans Mondego.
Mundobriga = Medobriga.
Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met
de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten;
slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend;
men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen
hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de
naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma
quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de
eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór
den lateren Apollotempel op den Palatinus, en het altaar er bij
heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum,
n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks
geldstukjes geofferd.
Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers
het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig
gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De
inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en
belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide,
maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas
sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt,
die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden
behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand
kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den
volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben
de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de
verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen
echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel
Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van
Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden
verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den
regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri
dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In
den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren,
n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één
college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo
decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond;
aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf
jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria
potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus)
was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim
samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te
Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en
augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die
voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en
den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden
keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan
onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen
en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het
libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden,
vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium
geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome
(zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan
den naam.
Munimentum Corbulonis, versterking in het land der Friezen, door
Corbulo aangelegd.
Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores.
Munychia, Mounychia, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens
van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die
een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch.
Munychia, Mounychia, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene
den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes
bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd
tegelijk hiermede herdacht.
Munychion, Mounychion, 10de maand van het Attische jaar (April-Mei),
z. Annus.
Munychus, Mounychos, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs
uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.--2) = Munitus,
z. Laodice no. 2.
Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te
Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar
nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus.
Murena, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27-32).
Murgantia, 1) stad in Samnium.--2) = Morgantium.
Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van
gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als:
bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden
betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met
chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken
aan vloeispaath.
Mursa, Moursa, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij
de monding in den Donau. Tgw. Essek.
Mus, familienaam in de gens Decia.
Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14.
Musae, Mousai, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst
en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze,
later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst
door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk
neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde
werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalia,
Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij
zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn
geboren in Pieria (Pierides, Pimpleides). Inderdaad is de dienst der
Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar
geliefkoosde plaats bleef (Helikoniades) en waar zij meer dan elders
vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de
haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrene en werd door de Thespiërs
te harer eere het groote feest Mouseia gevierd. Niettemin verbreidde
zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen,
die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben
zij een groot aantal bijnamen.--Als godinnen van het gezang staan
zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie
tot Dionysus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met
Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen.
Musaeus, Mousaios, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger
in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne
voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus
verzameld en vervalscht.--2) van Ephesus, dichter van een episch
gedicht Perseis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.--3) dichter
van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den
romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw.
Musagetes, Mousagetes, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen.
Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar
den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn
moesten graven.
Museum, Mouseion, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw;
bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de
bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt
der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aurelianus
werd het verwoest.
Musicanus, Mousikanos, indisch vorst, die zich aan Alexander
d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd
werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood
gebracht.
Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand,
geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasianus,
toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde
en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de
samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar
na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictetus. Hij
schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over.
Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero's vrienden.
Musulani, dappere volksstam in Numidia.
Muta, z. Larunda.
Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de
verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha's gebied en dat
van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus
(Caecilii no. 13) Jugurtha in 108.
Mutina, Moutine, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia
Cisalpina, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense
wordt de oorlog genoemd van 44-43, toen na Caesars dood M. Antonius
D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde
ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6.
Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af
en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië
voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger,
en heet nu M. Valerius Mutines.
Mutinus, -tunus Tutunus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd
met Priapus.
Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2.
Mycale, Mykale, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het
eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder
Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden.
Mycalessus, Mykalessos, oude boeotische stad, tot het gebied van
Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben
(mykasthai), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad
verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst.
Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische
(z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de
Peloponnesus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt
ook wel cretensisch genoemd (2500-1500); hierop volgt dan 1500-1000
de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk
geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote
hoeveelheid gevonden te Mycenae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen
en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand
voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en
tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het
vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst
en nijverheid.
Mycenae, Mykenai, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en
destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs
in de Peloponnesus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden,
taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje
bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468
door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking
door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische
muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt
de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon,
Mycenis = Iphigenia.
Mycene, Mykene, dochter van Inachus.
Mycerinus, Mykerinos, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw,
bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne
voorgangers Cheops en Chephren.
Myci, Mykoi, volk in het perzische landschap Gedrosia.
Myconus, Mykonos, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van
Delus. Spreekwoordelijk mia Mykonos = allemaal één pot nat, hetzij
omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of
wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk
bekend als klaploopers.
Mygdon, Mygdon, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis
naar de Amazonen gedood.--2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning
der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar
hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch.
Mygdonia, Mygdonia, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius
(Vardar) en ten N. van Chalcidice.--2) streek ten Z. der Propontis
in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie
Mygdon no. 2.--3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia,
Anthemousia, bloemengaard, genoemd.
Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt
in den Chaboras (z.a.).
Myia, Muia, 1) dochter van Pythagoras en Theano, gehuwd met den
worstelaar Milo.--2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als
Corinna.--3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en
Artemis vermeld worden.
Mylae, Mylai, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad
op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de
overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius.
Myla(s)sa, ta Mylassa, welvarende stad in het binnenland van Caria,
oude koningsresidentie.
Mylitta, Mylitta, babylonische godin van bevruchting en voortplanting,
moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als
Aphrodite Urania.
Myndus, Myndos, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De
stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf
hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er
niet uit zou loopen.
Myon, Myonia, Myon, Myonia, stad der ozolische Locriërs, ten N. van
Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia
voerde.
Myonnesus, Myonnesos (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de
golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van
Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd.
Myoparo, myoparon, een licht, zeer snel loopend kaperschip.
Myos Hormus, myos hormos (= mosselhaven), belangrijke koopstad in
Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van
Petraea.
Myra, ta Myra, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad
van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace.
Myrcinus, Myrkinos of Myrkinos, versterkte stad in Thracië, in het
land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht
door Histiaeus van Miletus, doch werd spoedig door de Edoniërs
veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te
herwinnen, in 497.
Myriandus, Myriandrus, Myriandos, Myriandros, phoenicische volkplanting
in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats.
Myrina, Myrina, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust
van Mysia, nabij Cyme.--2) stad op Lemnus.
Myrlea, Myrleia, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus
sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (±
200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamea verdoopt.
Myrmecides, Myrmekides, van Miletus, leefde ten tijde van Pericles
te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal.
Myrmidones, Myrmidones, het volk van Achilles. Volgens de sage was
het eiland Aegina door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede
van Aeacus de mieren (myrmekes) in menschen. Onder Aeacus' zoon Peleus
zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiotis.
Myro, Myro = Moero.
Myron, Myron, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes
no. 1.--2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de
eerste helft der 5de eeuw, leerling van Ageladas. Hij werkte bij
voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit
door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep;
zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.--3) van Priene, beschreef
de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in
de 2de eeuw.
Myronides, Myronides, zoon van Callias, een van de veldheeren der
Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de
Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de
democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest
hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat
streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan
als zeemacht.
Myrrha, Myrra, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adonis.
Myrrhina, Myrrine, ook Byrsine geheeten, dochter van Callias, gemalin
van Hippias no. 1.
Myrsilus, Myrtilus, Myrsilos, Myrtilos, 1) zoon van Hermes, wagenmenner
van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot
loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar
om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes
werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.--2) = Candaules.--3)
tyran van Mytilene, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten
aanvalt.--4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw.
Myrsinus, Myrsinos, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later
Myrtuntium geheeten.
Myrtea, z. Murcia.
Myrtis, Myrtis, van Anthedon, lyrische dichteres, leermeesteres van
Corinna en Pindarus genoemd.
Myrtoum (mare), Myrtoon pelagos, dat gedeelte der Aegaeïsche zee,
dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam
schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Myrtos of Myrto ten Z. van
Euboea, dicht bij Geraestus.
Myrtuntium, Myrtontion = Myrsinus.
Myrtus, Myrtos, of Myrto, eiland, zie Myrtoum mare.
Mys, Mys, bekwaam graveur, toreutes, te Athene ten tijde van Pericles;
hij maakte o. a. het schild bij de Athena Promachus van Phidias.
Myscellus, Myskellos, van Argos, zoude volgens een orakel eerst
kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats,
waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen,
begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter
te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende,
stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij
aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had,
maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem
ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte,
zoodat hij vrijgesproken werd.
Myscon, Myskon, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene.
Mysia, Mysia, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den
thracischen stam der Mysi, Mysoi. Mysia heeft nooit een afzonderlijken
staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de
grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de
Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, he mikra, ook Phrygia
ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia
stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, he megale. Het
oude trojaansche gebied werd Troas, Troas, genoemd. Langs de W.-kust
strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania,
Teuthrania, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux
= Telephus.
Myson, Myson, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven
wijzen van Griekenland gerekend.
Mistagogus, mystagogos, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen
rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen.
Mysteria, mysteria, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden
toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor
niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten
niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden,
enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen
van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis
van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen,
gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware
den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de
geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin
zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor
zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën
dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma,
dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen
zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der
ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden
hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste
mysteriën waren die van Demeter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder
heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabiri, ook Dionysus,
Sabazius, Aphrodite, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op
deze wijze vereerd.--De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd
als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de
helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden
zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der
7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het
ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen
vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat,
groote populariteit verwierven.
Mystes, mystes, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën,
z. Eleusinia.
Mystrum, mystron, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte
van een cyathus.
Mytilene, Mytilene, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland
Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus,
Sappho, Alcaeus, Hellanicus, thans Metelin. De stad kreeg een
gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche
zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander
den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In
80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii
no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met
Mithradates. De stad had twee havens.
Myus, gen. -untis, Myous, stad in Caria aan de monding van den
Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie
steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden
toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van
de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar
Miletus verhuisden.
N.
N. Zie Nefasti (dies).
Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen.
Nabalia = Navalia.