Minucii, rom. geslacht, patricisch en plebejisch. 1) M. Minucius

Augurinus, consul in 497 en 491.--2) L. Minucius Esquilinus Augurinus,

consul in 458, werd door de Aequi ingesloten en door den dictator

L. Quinctius Cincinnatus ontzet. Hij werd vervolgens door den dictator

in zijn consulaat geschorst òf genoodzaakt het neer te leggen. In

450 was hij een der decemviri legibus scribundis. In 439 was hij het,

die Sp. Maelius aanklaagde.--3) M. Minucius Rufus, consul in 221, in

217 magister equitum van den dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus,

werd door de lex Metilia (z. a.) met den dictator in gezag gelijk

gesteld. In onberaden drift liet hij zich door Hannibal tot een slag

verleiden en zou verloren zijn geweest, zoo Fabius niet tijdig te hulp

ware geschoten. Toen echter zag Minucius zijn ongelijk in en stelde

zich vrijwillig weder onder het opperbevel van Fabius. Hij sneuvelde

in 216 bij Cannae.--4) Q. Minucius Rufus, consul in 197, zegevierde

over de Liguriërs en Bojers, maar niet te Rome, maar op den mons

Albanus.--5) M. Minucius Rufus, consul in 110, overwon als proconsul

in 109 de thracische Scordisci en bouwde de porticus Minucia.--6)

Q. Minucius Thermus, consul in 193, streed tegen de Liguriërs. In 189

sneuvelde hij onder den consul Cn. Manlius Vulso tegen de Galaten.--7)

Onder den praetor Minucius Thermus, die Mytilene belegerde en innam

(81-80), verrichtte Caesar zijn eersten krijgsdienst.--8) Minucius

Thermus, in 62 volkstribuun, later (51 en 50) propraetor van Asia,

behoorde onder de vrienden, met wie Cicero briefwisseling hield. In

den burgeroorlog was hij aan de zijde van Pompeius.--9) L. Minucius

Basilus was legaat van Caesar in Gallia; later was hij een van Caesars

moordenaars; in 43 werd hij door zijn eigen slaven vermoord.--10)

Minucius Felix, een beroemd advocaat te Rome, die in het einde der

2de (v.s. in het begin der 3de) eeuw n. Chr. een dialogus Octavius

geschreven heeft, waarin op zeer scherpzinnige wijze de vooroordeelen

tegen het Christendom worden te berde gebracht en weerlegd.

Minyades, Minyades, Leucippe, Arsippe en Alcathoë, dochters van Minyas,

weigerden aan den dienst van Dionysus deel te nemen. Tot straf maakte

de god haar waanzinnig, zoodat Leucippe haar eigen zoon doodde; daarna

bleven zij in razernij door de bergen zwerven, totdat zij door Hermes

in vleermuizen veranderd werden.

Minyae, Minyai, oud-grieksch volk, uit Thessalia onder aanvoering van

Minyas naar Boeotia verhuisd, waar Orchomenus hunne hoofdstad was. Zij

leverden het grootste aantal deelnemers aan den Argonautentocht. Ook

zonden zij eene kolonie naar Lemnus, die echter later weder naar het

eiland Thera en naar het Z. van Elis verhuisde.

Minyas, Minyas, koning van Orchomenus in Boeotië, mythisch stamvader

der Minyers. Hij was de eerste, die een schatkamer liet bouwen,

waarvan men nog overblijfsels meent te vinden.

Mirmillones, rom. zwaardvechters, die een gallischen helm droegen,

waarvan de kam met een visch van metaal was versierd.

Misenum, Misenon, kaap van Campania bij Cumae. Augustus liet hier

eene haven aanleggen als station voor de vloot der Tyrrheensche

zee. Hierdoor ontstond aan de kust een stadje, dat thans verdwenen

is. Zie Misenus.

Misenus, Misenos, 1) tochtgenoot van Odysseus.--2) vriend van Hector,

bekwaam trompetter, later tochtgenoot van Aeneas; hij daagde de

Tritonen tot een wedstrijd uit, en werd door een van hen gedood. Naar

hem is kaap Misenum genoemd.

Missio, ontslag, b.v. uit den krijgsdienst, honesta, eervol, wegens

volbrachten diensttijd, causaria, wegens ziekte of lichaamsgebreken,

ignominiosa, wanneer men werd weggejaagd. Ook van zwaardvechters,

die door de gunst van het volk of door de keizerlijke genade ontslagen

en in vrijheid gesteld werden, wordt missio gebruikt, vandaar in het

latere Latijn sine missione pugnare = op leven en dood vechten, geen

kwartier geven.--In bona missio, lastgeving van den praetor om zich

in het bezit te stellen van eens anders goed, dus inbeslagneming,

executie.

Missus, zie Circus.

Mithradates (aldus volgens de pontische munten, bij de oude

schrijvers Mithridates, Mithridates, een dikwijls voorkomende naam

in het O. Vooral in het pontische koningshuis is deze naam beroemd

geworden. Als stichter van het groote pontische rijk wordt Mithradates

I genoemd, 337-302. Hij onderwierp zich aan Alexander d. G., doch

werd door Antigonus gedood. Zijn zoon en opvolger, M. II, Ktistes

bijgenaamd, hield zich tegen Alexanders opvolgers staande en vergrootte

zijn gebied (282-266). M. V (IV) Euergetes (150-120) was bondgenoot der

Rom. en ondersteunde hen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamum

en kreeg daarvoor Groot-Phrygia. Zie echter Aquillii no. 1. Hij

sneuvelde bij Sinope. Op hem volgde in 120 zijn zoon Mithradates

VI (V) Eupator, de verbitterde vijand van Rome. Uit vrees voor de

aanslagen zijner moeder brachten trouwe vrienden den 10-jarigen knaap

na zijns vaders dood in het gebergte in veiligheid. Toen hij 20 jaar

oud was, stelde hij zich aan het hoofd van het rijk, strafte zijne

moeder en allen, die tegen hem hadden saamgespannen, en begon toen

zijne veelomvattende plannen voor te bereiden. Hij was een man van

ongemeene geestkracht, van een ijzersterk gestel, onvermoeibaar,

bestand tegen ontberingen en uitspattingen, een goed redenaar, die

22 talen sprak, geslepen van aard, een man, die geen middelen en geen

menschenlevens ontzag. Hij schiep zich een machtig leger en eene vloot,

maakte rondom veroveringen en vermeesterde Cappadocia en Bithynia. Den

Rom., die gedurende zijne minderjarigheid hem Groot-Phrygia hadden

afgenomen, droeg hij een doodelijken haat toe. Toch waagde hij niet

terstond den strijd, doch gaf bij herhaling toe aan de eischen van

Rome, om Capp. en Bith. te ontruimen. Terwijl echter de proconsul

M'. Aquillius (Aquillii no. 2) op trotschen toon het verzoek van

Mithradates om zich tegen Bithynia te mogen verdedigen, afsloeg,

stookte de rom. staatkunde Nicomedes III van Bith. heimelijk op,

invallen in Pontus te doen. Eindelijk, in 88, barstte de bom. Met een

ontzaglijk leger, versterkt door de hulptroepen van zijn schoonzoon

Tigranes van Armenia, veroverde hij in korten tijd de rom. provincie

Asia. Op een bevel des konings, van Ephesus uit gegeven, werden op

één dag 80000 Rom. en Italianen, mannen, vrouwen en kinderen, door de

verbitterde Aziaten gedood. Slechts Magnesia, Cos en Rhodus bleven aan

Rome getrouw, terwijl daarentegen Athene en andere grieksche steden in

Europa de zijde van M. kozen. De veldheer Archelaus scheepte zich naar

Griekenland in, waar hij echter door Sulla bij Chaeronea en daarna bij

Orchomenus in Boeotia werd verslagen (86), terwijl C. Flavius Fimbria

den koning uit Asia grootendeels verdreef. De tijdsomstandigheden

beletten Sulla zijn verblijf in Asia te rekken, hij sloot dus vrede

met M. op deze voorwaarden: het gebied des konings werd tot Pontus

beperkt, de krijgsgevangenen werden door hem vrijgelaten, de vloot

uitgeleverd en 3000 talenten betaald (voorjaar van 85). Daar M. echter

niet rustig bleef, hernieuwde de proconsul L. Licinius Murena in 83

den oorlog, dien hij echter op Sulla's bevel moest staken (81). In

74 achtte M. zich weder strijdvaardig en de oorlog ontbrandde ten

derden male. M. knoopte betrekkingen aan met Sertorius in Hispania

en met de zeeroovers, doch te vergeefs; Sertorius werd vermoord,

en M. door L. Licinius Lucullus niet slechts uit de prov. Asia, maar

zelfs uit Pontus verdreven, zoodat hij naar Armenia vluchtte. Daar

Tigranes zijne uitlevering weigerde, rukte Lucullus Armenia binnen,

doch moest door een oproer van zijn leger alle veroveringen prijs geven

(zie Licinii no. 24). De lex Manilia (z. a.) droeg het voleindigen

van den oorlog aan Pompeius op en deze bracht aan Mithradates den

genadeslag toe, zoodat de koning, toen vergif niet werken wilde,

waaraan hij zijn lichaam uit voorzorg van jongs af had gewend, zich

door een slaaf liet doodsteken (voorjaar van 63). Zijne grenzenlooze

wreedheid, die met zijne tegenspoeden nog toenam, had zijn eigen volk,

zelfs zijn eigen zoon Pharnaces, van hem vervreemd.

Mithras, Mithras, perzische god van de zon en van het goede, die

sedert het einde der romeinsche republiek ook in het Westen vereerd

werd. Zijn dienst werd door Domitianus en Traianus officieel te Rome

ingevoerd en was later zeer algemeen. Hij wordt gewoonlijk afgebeeld

als een jongeling in oostersche kleederdracht, geknield op een stier,

wien hij een mes in de keel stoot.

Mithridates = Mithradates.

Mithrines, -renes, Mithrines, -renes bevelhebber van Sardes, die

deze stad na den slag bij den Granicus aan Alexander d. G. overgaf

en daarvoor satraap van Armenië werd.

Mitra, een vrouwenkap van dichte stof, in eene punt uitloopende,

die dan als een zak naar achteren hing.

Mitylene, Mitylene = Mytilene.

Mnasalcas, Mnasalkas, van Sicyon, een van de epigrammendichters der

grieksche anthologie; hij leefde omstreeks het midden der 3de eeuw.

Mnaseas, Mnaseas, van Patrae, leerling van Eratosthenes, schrijver

van een geschied- en aardrijkskundig werk.

Mnasippus, Mnasippos, werd in 373 met een spartaansche vloot naar

Corcyra gezonden om er de aristocratische partij te ondersteunen. Hij

had de stad reeds bijna door honger tot de overgave gedwongen,

maar zijn hebzucht veroorzaakte ontevredenheid in zijn eigen leger,

en toen de Coryraeërs dit bemerkten, deden zij een uitval, waarbij

Mn. sneuvelde.

Mneme, Mneme, geheugen, eene van de boeotische Muzen, dikwijls voor

dezelfde gehouden als Mnemosyne.

Mnemonides, de Muzen, dochters van Mnemosyne.

Mnemosyne, Mnemosyne, dochter van Uranus, godin van het geheugen,

bij Zeus moeder van de Muzen.

Mnesarchus, Mnesarchos, leerling van Panaetius, hoofd der stoicijnsche

school (110-90).

Mnesicles, Mnesikles, bouwmeester van de propylaeën op de acropolis

van Athene.

Mnesilochus, Mnesilochos, 1) een van de 30 te Athene.--2) zoon van

Euripides, tooneelspeler.

Mnesimachus, Mnesimachos, geestig blijspeldichter uit het middelste

tijdperk der attische comoedie.

Mnestheus, tochtgenoot van Aeneas, de mythische stamvader van de

Memmii.

Mnevis, Mneuis, een heilige stier der Aegyptenaars, te Heliopolis op

dezelfde wijze vereerd als Apis te Memphis.

Mnoitai, Mnotai, lijfeigenen van den staat op Creta.

Moabitis, Moabitis, het land van Moab, ten O. der Doode zee.

Modius, rom. maat, ongeveer = 1/12 hectol.

Moenus, rivier in Germania, thans Main.

Moera, Moira, het den mensch beschoren deel of levenslot. Soms blijft

de Moera volkomen een afgetrokken begrip en is dit levenslot eenvoudig

door den wil der goden bepaald, dikwijls wordt zij echter als persoon

gedacht, bekleed met eene geheimzinnige macht, waaraan ook de goden

onderworpen zijn; hare beschikkingen zijn in hoofdzaak onherroepelijk,

toch kunnen zij door goden en menschen, die met de uitvoering er

van belast zijn, in sommige opzichten gewijzigd worden of kan men de

vervulling er van eenigen tijd tegenhouden. In lateren tijd nam men

aan dat er drie Moerae waren: Clotho, Lachesis en Atropus, dochters

van Nyx of van Zeus en Themis, soms met een gemeenschappelijken

naam Kataklothes, spinsters, genoemd, omdat zij den levensdraad van

den mensch afspinnen, den tijd van zijne geboorte en van zijn dood

bepalen en hem zijn lot toedeelen, waarbij zij dikwijls schijnbaar

met wreedheid te werk gaan, maar ten slotte toch altijd de eeuwige

wereldorde handhaven en beschermen. Zij worden meestal beschreven

als leelijke oude vrouwen, maar afgebeeld als eerwaardige jonkvrouwen

met ernstige gelaatstrekken. Eene soortgelijke personificatie van het

noodlot is Aisa, die echter meer dan de Moerae altijd een afgetrokken

begrip gebleven is.

Moeris, Moiris, gwl. Atticista genoemd, grieksch grammaticus onder

Hadrianus, schrijver van een woordenboek, waarin atticismen (Lexeis

Attikai) door later gebruikelijke uitdrukkingen verklaard worden.

Moeris, Moirios limne, meer in Aegypte, eigenlijk een laagliggend dal,

tgw. Fajûm geheeten, dat met behulp van een kanaal en zware dijken

in een ontzaggelijk waterbekken herschapen werd door koning Amenemha

III. In het midden stonden twee reuzenbeelden van den koning en diens

gemalin, en aan den ingang het reusachtige paleis Lo-pe-ro-hunt (zie

Labyrinthus). Onder Ptolemaeus Philadelphus werd het meer grootendeels

drooggelegd en met Grieksche kolonisten bevolkt. Hier zijn in den

laatsten tijd tallooze papyri gevonden. In de middeleeuwen zijn de

dammen bezweken en heeft het water een nieuw bekken gevormd.

Moero, Moiro, dichteres uit Byzantium op het einde der 4de eeuw;

van hare talrijke werken zijn twee epigrammen bewaard gebleven.

Moesia, het land tusschen den Ister (Donau) en den Haemus (Balkan),

sedert Tiberius rom. provincie. De inwoners heetten Moesi, Mysoi. Het

gewest werd verdeeld in Moesia superior en inferior. Onder Aurelianus

werd er eene nieuwe prov. tusschen gevoegd, Dacia Aureliani (z. a.).

Mogontiacum, thans Mainz, reeds onder de Rom. eene belangrijke vesting,

hoofdstad van Germania Superior.

Moliones, -onidae, z. Actoriones.

Molo, Molon, z. Apollonius no. 3.

Molois, gen. -entis, Moloeis, beekje nabij Plataeae in Boeotia,

dat in den Asopus valt. Daaraan stond een tempel van Demeter.

Molorchus, Molorchos, tuinier bij Nemea, die Heracles vriendelijk

ontving en hem goeden raad gaf, toen hij den nemeïschen leeuw ging

bestrijden.

Molossi, Molossoi, aanzienlijk volk in Epirus; eerst alleen in het

O., aan de bronnen van den Arachthus, ten N. O. van Dodona gevestigd,

breidden zij onder het huis der Aeaciden hun gezag over geheel Epirus

uit. De naamheros van dit volk was Molossus, door Pyrrhus, den zoon

van Achilles, bij Andromache verwekt (zie Helenus). De hoofdstad

was eerst Passaron; later, onder Pyrrhus, sedert 294, Ambracia

(z. a.). Bekend waren de groote molossische doggen.

Molossus, Molossos, zie Molossi.

Molus, Molos, zoon van Deucalion, vader van Meriones.

Molycreum, -cria, Molykreion, -kria, stad in Aetolia aan de invaart

der Corinthische golf, kolonie van Corinthus.

Momus, Momos, zoon van Nyx, personificatie van spotternij en

vitzucht. Toen hij in Aphrodite eene schoonheid vond, waarop hij geen

aanmerking konde maken, barstte hij van spijt.

Mona, naam van twee eilanden tusschen Ivernia (Ierland) en

Britannia. 1) Anglesey, dat eerst door Suetonius Paulinus, en later

wederom door Agricola veroverd werd; het was de hoofdzetel van den

Druidendienst.--2) het tegenwoordige Man, dat bij latere schrijvers

Monapia heet.

Moneta, 1) latijnsche naam voor Mnemosyne.--2) de waarschuwende,

bijnaam van Juno. In den oorlog tegen Pyrrhus had zij namelijk de

Romeinen, die geldgebrek hadden, gewaarschuwd den strijd rechtvaardig

te voeren, in welk geval het hun aan geld niet ontbreken zou. Naar

aanleiding hiervan werd een tempel voor Juno M. gesticht, waar sedert

dien tijd het geld gemunt werd. In werkelijkheid is de tempel reeds

in 344 gewijd, op de plaats waar vroeger het huis van M. Manlius

Capitolinus gestaan had. Het verhaal is dan later ontstaan, ter

verklaring van het feit, dat de tempel van Juno Moneta voor het slaan

van munt gebruikt werd.

Monoeci portus, zie Herculis mon. p.

Monoecus, Monoikos, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië,

in het tegenwoordige Monaco.

Monopterus, monopteros, tempeltje in den vorm van een open koepel,

dus zonder cella.

Mons Sacer = Sacer Mons.

Monstrum, zie Auguria.

Mopsium, Mopsion, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en

Larissa.

Mopsopia, Mopsopia, oude naam voor Attica naar een overouden koning

Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch.

Mopsucrene, Mopsou krene, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus.

Mopsuestia, Mopsou hestia, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de

aleïsche vlakte, aleion pedion.

Mopsus, Mopsos, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chloris, Lapithe,

nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als

waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij

werd als heros vereerd.--2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto,

beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon

en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden.

Mora, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene

afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man

tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes morai vormden

het hoplietenleger.

Morbus comitialis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer

iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten

worden.

Morgantium, Morgantia, Morgantion of -tine, oude stad in het binnenland

van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia

verdreven stam der Morgetes, Morgetes.

Morgetes, Morgetes, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie

Morgantium.

Morini, Morinoi, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit

hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst.

Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen

en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren

werden gehouden.

Mormo, Mormo, Mormolyke, spook in vrouwengestalte, waarmede men

kinderen bang maakte.

Morpheus, Morpheus, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in

den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante

aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met

vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobetor verschijnen

in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp.

Morsimus, Morsimos, Athener, zoon van Philocles, arts en

treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door

Aristophanes gehekeld.

Morychus, Morychos, atheensch treurspeldichter, wegens zijne

middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp

gehekeld.

Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier

vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens

Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem,

want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar

tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar

zee, en vormde het Helium ostium.

Moschi, Moschoi, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den

Caucasus den naam draagt van Moschicus mons.

Moschion, Moschion, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot

van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te

hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters

bespot.--2) geneesheer, dikwijls door Galenus aangehaald.--3) atheensch

beeldhouwer in het midden der 2de eeuw.

Moschus, Moschos, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot

van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn.

Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius

bezongen.

Mosynoeci, Mosynoikoi ( = torenbewoners), volksstam op de kust

van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche

schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun

hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn

waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger

sterven.

Mothakes, Modones, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit

den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht,

ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij

het burgerrecht en sommige mothakes, bijv. Lysander en Callicratidas,

bekleedden hooge waardigheden.

Mothone = Methone.

Mutuca, stad in het Zuiden van Sicilia.

Motye, Motye, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje,

dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was

afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom

carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht.

Moxoene, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospites.

Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot

gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich

had laten omkoopen.

Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een

aanslag gewaagd op koning Porsena, die Rome belegerde, doch in plaats

van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien,

hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in

de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het

lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen

hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het

verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch),

benevens een stuk land, de Mucia prata.--2) P. Mucius Scaevola was

in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de

Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.--3) P. Mucius Scaevola,

zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert

131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen,

was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door

redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk

de annales maximi uitgegeven, z. annales.--4) P. Licinius Crassus

Mucianus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.--5)

Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95

en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den

redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man,

en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te

zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan

wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten,

maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In

82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een

uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.--6) Q. Mucius Scaevola,

bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden

Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van

geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla's

verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen

tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid,

met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne

uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden,

o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te

mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker

in.--7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een

groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59

naar Asia.--8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5,

halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde

vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar

door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij

trachtte in den burgeroorlog Octavianus met haren zoon S. Pompeius

te verzoenen.--9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare

sierlijke taal.

Mugillanus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10).

Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcanus.

Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig.

Mulucha, Molochath, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk

van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.;

in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitana ten W. en

M. Caesariensis ten O.

Mulvius pons = Milvius pons.

Mulus Marianus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de

bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk

met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank

bevestigd was om er den last op vast te binden.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 92 / 150 段