Memnon, Memnon, 1) zoon van Tithonus en Eos, kwam met de Aethiopiërs

van het Oosten (z. Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte

vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd

hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de

onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides),

die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd

houden.--Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke

Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijk

met elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den

Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale

gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van Susa

Memnonia, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte,

waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was,

en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen

werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van

de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den

oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.--2)

van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darius

Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor

Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te

snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het

leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag

bij den Granicus verdedigde hij Miletus en Halicarnassus, veroverde

hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich

in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over

te steken, toen hij bij het beleg van Mytilene ziek werd en stierf

(334).--3) schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclea,

waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.

Memphis, Memphis, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het

begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en

paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In

den omtrek vond men een aantal pyramiden.

Men, Men, 1) maangod bij de Phrygiërs.--2) = Menes.

Menae, Menai, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela,

geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs,

waarbij de inwoners zwoeren.

Menaechmus, Menaichmos, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks

500.--2) van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer

en geschiedschrijver.--3) wiskundige, van wiens werken een fragment

bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.

Menaenum, Menainon, stad der Siculi, ten W. van Syracusae, stichting

van Ducetius.

Menalippe = Melanippe.

Menander, Menandros, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen

oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij

Aegospotami.--2) zoon van Diopithes, geb. 342, vriend van Theophrastus,

Epicurus en Demetrius Phalereus. Hij is de voornaamste dichter

der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan

100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden

toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal

werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend,

dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te

komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad

verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in

het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door

lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten

van sommige stukken van hem gevonden.--3) van Ephesus, schrijver

eener geschiedenis van Phoenicië.--4) leerling van Diogenes no. 2.

Menapii, Menapioi, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van

den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen

en moerassen. Het castellum Menapiorum is òf het tegenw. Kessel op

den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii

later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat

ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in

hun land Turnacum, tgw. Doornik.

Menas, Menas = Menodorus.

Mende of Mendae, Mende, Mendai, kolonie van Eretria, op het

chalcidische schiereiland Pallene, aan de golf van Thermae.

Mendes, gen. -etis, Mendes, stad in de Nijldelta aan den mendesischen

rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als

zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een

bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.

Mendesium ostium, Mendesion stoma, een van de Nijlmonden, ten O. van

den Phatnitischen mond gelegen.

Mene, Mene = Selene.

Menecles, Menekles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten

Cicero hoorde.

Meneclidas, Menekleidas, thebaansch volksredenaar, vijand van

Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete

veroordeeld.

Menecrates, Menekrates, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van

Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.--2) van Syracuse,

geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne

ijdelheid belachelijk maakte.--3) verdienstelijk geneesheer onder

Tiberius.--4) vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van

Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en

hij stortte zich in zee.--5) citharoede, in groot aanzien bij Nero.

Menedemus, Menedemos, 1) veldheer van Alexander d. G.--2) van Eretria,

zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar

der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij

bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad

beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonatas. Zijne leefwijze was

eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig

met de studie van oude dichters.--3) van Lampsacus, cynisch wijsgeer

van de uiterste richting.--4) rhetor te Athene omstreeks 94.--5)

Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche

burgerrecht kreeg.

Menelai portus, Menelaios limen, havenstad in het O. van Cyrenaica,

in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelaus

gesticht. Hier stierf Agesilaus van Sparta in 358 op den terugweg

uit Aegypte.

Menelaium, Menelaion, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij

Therapne, met een heiligdom voor Menelaus.

Menelaus, Menelaos, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder

van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van

Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den

trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met

Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt

afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athena

en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht,

ofschoon Aphrodite zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met

Hector en Aeneas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich

met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij

kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft,

en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk

terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk,

eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin

werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel

was en spelen gevierd werden.--2) onechte zoon van Amyntas II; daar

Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij

de Atheners in dienst.--3) broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde

Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcetes, doch moest zich na eene

langdurige en dappere verdediging overgeven (306).--4) van Marathus,

onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.--5) beeldhouwer uit

den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en

Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te

Rome.--6) van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks

100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en

sphaerische astronomie.

Menenia (lex) agraria, z. Maenia (Menenia) (lex) agraria.

Menenia of Maenia Duilia (lex), zie Fenus.

Menenia Sestia (lex) van de consuls T. Menenius Lanatus en P. Sestius

Capitolinus in 452, eene wet omtrent de multa suprema, zie Aternia

Tarpeia (lex); omtrent den inhoud is verder niets zekers bekend.

Menenii, patricisch geslacht, doch met een plebejischen tak. 1) Agrippa

Menenius, consul in 503, behaalde eene overwinning op de Sabijnen

en wist volgens de overlevering in 494 door zijne toespraak (fabel

van de maag en ledematen) de uitgeweken plebejers tot den terugkeer

naar Rome te bewegen. Het geheele verhaal omtrent de uitwijking is

onhistorisch, zie hieromtrent secessio plebis. Hij stierf arm en werd

op staatskosten begraven. Dikwijls wordt hij Menenius Agrippa genoemd,

doch Agrippa is hier vóórnaam.--2) T. Menenius Lanatus was consul in

477, in welk jaar de Fabii bij de Cremera werden verslagen. Ook hij

zelf streed niet voorspoedig tegen de Etruscers. Na zijn consulaat

klaagden twee volkstribunen hem aan wegens gebrek aan voorzorg, en

het volk veroordeelde hem tot eene geldboete. Menenius kon dit niet

verkroppen en liet zich doodhongeren.--3) T. Menenius Lanatus (ook

C. of L.), consul in 452, trok zich, naar men zegt, het veldwinnen

der plebejers tegenover de patriciërs zóó sterk aan, dat hij ernstig

ziek werd. Het was juist in het jaar, dat de lex Terentilla de legibus

scribendis werd uitgevoerd.

Menes, Menes, van Pella, onder Alexander d. G. satraap van Syrië,

Phoenicië en Cilicië.

Menes, Men, Menes, eerste koning van Aegypte, stichter van Memphis.

Menesaechmus, Menesaichmos, atheensch redenaar, tegenstander van

Demosthenes en Lycurgus.

Menestheus, 1) zoon van Peteos, stiet met de hulp der Tyndariden

Theseus van den troon en voerde de Atheners voor Troje aan, waar

hij sneuvelde.--2) zoon van Clytius, tochtgenoot van Aeneas.--3)

zoon van Iphicrates, atheensch veldheer.

Menesthius, Menesthios, twee strijders in het leger der Grieken voor

Troje; de eene was een zoon van Areïthous en Philomedusa, de andere

van den riviergod Spercheus en Polydora, zuster van Achilles.

Menestratus, Menestratos, 1) Athener, aangeklaagd van een samenzwering

tegen de oligarchische partij (404). Hij noemde zijne medeplichtigen

en werd daarom vrijgesproken, doch na de wederinvoering der democratie

werd hij met den dood gestraft.--2) beeldhouwer, van wien beroemde

standbeelden in den tempel van Artemis te Ephesus stonden.

Menexenus, Menexenos, 1) leerling van Socrates, naar wien een der

werken van Plato genoemd is.--2) vriend van Socrates, leerling van

den sophist Ctesippus.--3) zoon van Socrates.

Meninx, MEeninx = Lotophagitis, z. Lotophagi.

Menippe, Menippe, en Metioche, dochters van Orion, door Aphrodite met

schoonheid begaafd, door Athena in de kunst van weven onderwezen. Toen

haar vaderland Aonië door de pest ontvolkt werd, offerden zij

zich vrijwillig aan de onderaardsche goden om hen te verzoenen, en

doorstaken zij zich de keel met een weverspoel. Persephone en Hades

veranderden haar in kometen.

Menippus, Menippos, 1) tyran van Oreüs, werkte in het belang

van Philippus van Macedonië tegen de Atheners.--2) veldheer van

Philippus III (V) in zijn oorlog tegen de Rom.--3) dienaar van

Antiochus d. G., die als gezant te Rome kwam en de Aetoliërs tegen de

Rom. ophitste.--4) van Gadara, vroeger slaaf, later cynisch wijsgeer,

een befaamd woekeraar, die zich na een belangrijk geldverlies van

het leven beroofde (± 270). Zijne eigenaardige hekelschriften, in

proza met verzen doormengd, vonden veel bijval en werden door Varro

in het Latijn nagevolgd (Satyrae Menippeae, z. Terentii no. 1).--5)

van Stratonicea, volgens het oordeel van zijn vriend Cicero de beste

aziatische redenaar van zijn tijd.--6) van Pergamus, schrijver van

een grieksch werk over aardrijkskunde, onder Augustus.

Menodorus, Menodoros, ook Menas, Menas, genoemd, vrijgelatene van

Cn. of diens zoon S. Pompeius en admiraal van den laatste. Hij

liep in 38 tot Octavianus over, aan wien hij zijne schepen

uitleverde. Octavianus verhief hem tot den ridderstand en stelde

hem tot legaat op zijne vloot aan. Inmiddels verhief S. Pompeius

een ander vrijgelatene, Menecrates, tot vlootvoogd en zond dezen op

Menodorus af. Bij Cumae raakten de beide vloten slaags, het schip van

Menecrates werd genomen en deze sprong in zee en verdronk. Later ging

Menodorus weder tot Pompeius over en vervolgens opnieuw tot Octavianus.

Menoeceus, 1) Menoikeus, vader van Creon, Iocaste en Hipponome.--2)

z. Megareus.

Menoetiades, Menoitiades, Patroclus, zoon van Menoetius no. 2.

Menoetius, Menoitios, 1) zoon van Iapetus en Asia, om zijn overmoed

door Zeus met den bliksem gedood en in den Tartarus geworpen.--2)

zoon van Actor en Aegina, vader van Patroclus, Argonaut, vriend van

Heracles, wien hij v. s. het eerst een offer bracht.--3) weidde de

kudden van Hades op het eiland Erythea en verried aan Geryones, dat

Heracles zijne runderen geroofd had. Daarom viel Heracles hem aan,

toen hij hem in de onderwereld ontmoette; Persephone kwam echter

tusschenbeide, zoodat M. er met een wond afkwam.

Menon, Menon, 1) vorst van Pharsalus, in den peloponnesischen oorlog

bondgenoot der Atheners.--2) Thessaliër, een van de veldheeren van

den jongeren Cyrus. Op den terugtocht na den slag bij Cunaxa, werd

hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en gedood. Hij

wordt door Xenophon als heerschzuchtig en gewetenloos beschreven. Een

der gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--3) bevelhebber

der thessalische ruiterij in den lamischen oorlog, grootvader van

Pyrrhus.--4) geneesheer, leerling van Aristoteles.

Menophanes, Menophanes, veldheer van Mithradates, die in den eersten

mithradatischen oorlog Delus plunderde en verwoestte.

Mentes, Mentes, 1) aanvoerder der Ciconen in den trojaanschen

oorlog.--2) aanvoerder der Taphiërs, gastvriend van Odysseus. Onder

zijne gedaante kwam Athena Telemachus bezoeken.

Mentor, Mentor, 1) van Ithaca, zoon van Alcimus, vertrouwd vriend

van Odysseus, die hem bij zijn vertrek naar Troje de zorg voor zijn

huis opdroeg. Athene nam dikwijls zijne gedaante aan, wanneer zij

als beschermster van het huis van Odysseus optrad.--2) van Rhodus,

broeder van Memnon no. 2, bevelhebber der grieksche troepen bij

den opstand van Sidon tegen Perzië; door zijn verraad moest de stad

zich aan Artaxerxes Ochus overgeven (351). Daarna was hij satraap in

Klein-Azië en droeg hij veel bij tot de herovering van Aegypte. Hij

stierf kort voor den inval van Alexander d. G.

Menyllus, Menyllos, bevelhebber der macedonische bezetting in Munychia

na den lamischen oorlog, vriend van Phocion.

Mephitis of Mefitis, godin, die in Italië vereerd werd op verscheidene

plaatsen, waar onzuivere dampen uit den grond opstegen.

Mercurii promunturium = Hermaeum pr.

Mercurius, god van handel en winst, oorspronkelijk misschien in het

bijzonder van den graanhandel, in alle opzichten geïdentificeerd met

Hermes. Zijn voornaamste feestdag viel op den 15den Mei, die tevens

de feestdag was van het koopmansgild, dat tegelijk met de invoering

van zijn eeredienst uit Zuid-Italië (in 495) was opgericht.

Merenda, een lichte maaltijd, waarvan de gewone tijd zeer verschillend

wordt opgegeven. Misschien aten de boeren vroeger dan de stedelingen

en gebruikten zij dit maal tegen den avond; in de stad gebruikte men

het dan waarschijnlijk in den voormiddag, en valt het wellicht samen

met het prandium.

Meriones, Meriones, vriend en wapenbroeder van Idomeneus (z. a.),

uitmuntend als boogschutter en speerwerper.

Mermnadae, Mermnadai, de laatste dynastie der lydische koningen,

van Gyges tot Croesus.

Meroë, Meroe, een priesterstaat met gelijknamige hoofdstad in

Aethiopia tusschen de beide Nijltakken Astaboras (Atbara) en Astapus

(Bahr-el-Azrek of blauwen Nijl). De ouden meenden, dat het rijk op

een eiland lag; vandaar vindt men Insula Meroë nog op middeleeuwsche

kaarten geteekend. In de eerste eeuw werd de hier heerschende

priesterkaste door de onderhoorige negerstammen uitgemoord en ging

de stad te gronde.

Merope, Merope, 1) Oceanide, bij Helius of Clymenus moeder van

Phaëthon.--2) eene van de Heliades.--3) dochter van Atlas, gemalin

van Sisyphus. In het sterrenbeeld der Plejaden is zij de ster, die den

minsten glans heeft, omdat zij zich uit schaamte over hare liefde voor

een sterveling het gezicht bedekt.--4) gemalin van Polybus, pleegmoeder

van Oedipus.--5) dochter van Cypselus, gemalin van Cresphontes. Toen

deze door Polyphontes gedood was, werd zij gedwongen den moordenaar

te huwen.

Meropis, Meropis, oude naam van het eil. Cos.

Merops, Merops, 1) koning van Cos. Uit verdriet over den plotselingen

dood zijner gemalin wilde hij zich van het leven berooven, maar Hera

plaatste hem als adelaar onder de sterren.--2) koning van Aethiopië,

gehuwd met Clymene no. 3.--3) koning van Percote, beroemd waarzegger,

wiens zonen voor Troje door Diomedes gedood werden.

Merula, familienaam in de gens Cornelia.

Mesambria, Mesambrie, 1) stad der Cicones in Thracia, aan de Aegaeïsche

zee.--2) = Mesembria.

Mesaulos, gang tusschen het mannen- en het vrouwenverblijf, die in

het midden met een deur afgesloten kan worden.

Mesembria, Mesembria, belangrijke koopstad, kolonie van Byzantium

en Chalcedon, gesticht na den ionischen opstand, in Thracia, aan den

Pontus Euxinus (Zwarte zee) tusschen Apollonia en Odessus.

Mesogaea, Mesogaia, streek in het binnenland van Attica, vooral ten

N. en O. van Athene.

Mesogis, Mesogis = Messogis.

Mesomedes, Mesomedes, vrijgelatene en gunsteling van keizer Hadrianus,

dichter van eenige epigrammen en van een hymnus, die met de oude

muzieknoten bewaard gebleven is.

Mesopotamia, Mesopotamia, een louter geografische naam, in het

Seleucidentijdperk gegeven aan de landstreek tusschen den Euphraat

en den Tigris van de armenische grenzen tot aan den medischen muur,

dus tot aan Babylonia. Vóór dien tijd werd dit land eenvoudig als

een deel van Assyria of van Syria beschouwd, zonder eigen naam. Het

noordelijk gedeelte werd door de rivier Chaboras in twee deelen

gesplitst, Osroene ten W., Mygdonia ten O.

Mespila, eene groote, doch verlaten stad, zes uren gaans in omtrek;

waarschijnlijk de overblijfselen van het voormalige Niniveh,

z. Ninus. Uit een bericht bij Xenophon, de eenige plaats, waar de

naam Mesp. voorkomt, blijkt, dat de inwoners van die streek in X.'s

tijd niets meer wisten van het vroegere assyrische rijk.

Messa, Messa, oude laconische havenstad, op de middelste Zuidspits

der Peloponnesus, aan den Westkant gelegen.

Messala of Messalla, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 16,

26-29). Vipstanus Messala, zie Vipstani.

Messalina, 1) Valeria Messalina, gemalin van keizer Claudius, zie

Valerii no. 33.--2) Statilia Messalina, derde gemalin van Nero,

z. Statilii no. 6.

Messana, Messana, doch gewoonlijk Messene, op Sicilia, thans Messina,

allereerst Zancle geheeten, daar de haven door eene sikkelvormige

landtong gevormd werd. Het was gesticht door Siciliërs, en werd in de

achtste eeuw gekoloniseerd door euboeïsche Chalcidiërs en Cumaeërs. Na

de verwoesting van Miletus in 494 door de Perzen, vonden scharen

Milesiërs en Samiërs hier een toevluchtsoord. Kort daarop maakte

Anaxilaus, tyran van Rhegium, zich van Zancle meester en noemde het

Messana, naar de Messeniërs, die hij in de stad opnam. In 396 werd de

toenmaals bloeiende stad door de Carthagers verwoest. Dionysius de

oude, tyran van Syracusae, liet ze spoedig herbouwen. Na den dood

van Agathocles maakten diens huurbenden, de Mamertini, zich van

haar meester (vóór 283) en vermoordden grootendeels de mannelijke

bevolking. Zie verder Mamertini. Messana bleef eene aanzienlijke stad;

de ruime haven kon 600 schepen bevatten.

Messapia, Messapia, oude grieksche naam voor Calabria.

Messapium, Messapion, berg aan de O. kust van Boeotia bij de stad

Anthedon.

Messapus, 1) Boeotiër, die naar Italië ging, en naar wien Calabria den

naam Messapia heeft.--2) een Latijn, zoon van Neptunus, paardentemmer,

onkwetsbaar door vuur of staal.

Messene, Messene, stad, door Epaminondas in 369 aan den voet van den

berg Ithome als hoofdstad van het bevrijde Messenia gesticht.

Messenia, Messenia, Z.W. gewest der Peloponnesus, in de oudheid

bekend om zijn heerlijk klimaat, daar het in M. reeds zomer was,

wanneer het in Laconica nog lente, in Arcadia nog winter was. Door

de dichtbegroeide grensgebergten lag het tegen de koude winden

beschut. Als oudste bewoners komen Leleges voor, waarbij later Argivi

en Aeoles kwamen. In den Z.W. hoek woonden Dryopes. Bij de dorische

volksverhuizing werd ook M. een dorische staat, met Stenyclarus tot

hoofdstad. In de beide messenische oorlogen echter werd M. door de

Spartanen veroverd, en de Messeniërs, die niet uitweken, werden tot

Heloten gemaakt. In 464 stonden de Messeniërs op, bij gelegenheid

dat Sparta door eene aardbeving zwaar geteisterd was. De strijd

duurde jaren lang, tot eindelijk de opstandelingen onder beding van

vrijen aftocht de wapens neerlegden. Grootendeels trokken zij naar

Naupactus (Lepanto), dat hun door de Atheners werd ingeruimd. Na den

peloponnesischen oorlog van daar verdreven, verstrooiden zij zich in

verschillende richtingen. In 369 werd Messenia tot aan den Pamisus

door Epaminondas vrij gemaakt; de ballingen, door hem uitgenoodigd,

bevolkten de nieuwe hoofdstad Messene, en sedert dien tijd bleef het

gewest onafhankelijk tot aan de rom. overheersching in 146.

Messenische oorlogen heeten drie oorlogen, waarvan de eerste de

onderwerping van Messenië aan Sparta ten gevolge had, de andere

twee voortkwamen uit mislukte pogingen der Messeniërs om zich

te bevrijden. De eerste mess. oorlog (743-724, v. a. 730-710)

ontstond naar aanleiding van geschillen over grenzen, roof van

menschen en vee, enz., en begon met een nachtelijken aanval der

Spartanen op Amphea, waarvan de meeste inwoners gedood werden. Daar

de krijgskans den Messeniërs over het algemeen niet gunstig was,

trokken zij zich in het sterke Ithome terug, en onder de leiding van

Aristodemus (z. a.) brachten zij van hier uit den Spartanen dikwijls

gevoelige slagen toe; na zijn dood werd echter Ithome genomen, vele

Messeniërs verlieten het land, de overige kwamen in den toestand van

heloten.--Het duurde echter niet lang voordat zij nog eene poging

waagden om zich uit dien toestand te bevrijden. Te Andania begon

de heldhaftige Aristomenes (z. a.) een opstand, waarbij zich in een

oogenblik het geheele messenische volk aansloot, en die eerst na een

langdurigen en moeielijken oorlog, den tweeden mess. oorlog (685-668,

v. a. 660-643 of 645-630), bedwongen kon worden. Niet alleen werden

de Messeniërs nu bijgestaan door Achaeërs, Argiven en Arcadiërs,

maar bovendien heerschte onder de Spartanen verdeeldheid en bestond

er gevaar voor een algemeenen opstand der perioeken en heloten. Toen

zij zich echter onder den invloed der bezielde gedichten van Tyrtaeus

(z. a.) weder tot eendrachtige samenwerking verbonden hadden, toen

de arcadische koning Aristocrates de zaak der Messeniërs verried,

en over het geheel de bondgenooten van dezen den langdurigen oorlog

begonnen moede te worden, hadden de zaken weder denzelfden loop

als vroeger: de Messeniërs trokken zich terug in de vesting Ira,

en toen deze eindelijk ingenomen was, was de oorlog tot hun nadeel

beslist. Ook nu verlieten weder velen het land. In hoeverre de gang

van zaken in deze beide oorlogen werkelijk geweest is, zooals hier

is beschreven, is wegens den aard der bronnen waardoor wij kennis

ervan hebben, moeielijk te beoordeelen.--Toen in 464 Sparta door eene

verschrikkelijke aardbeving tot den uitersten nood gebracht was,

stonden de afstammelingen der oude Messeniërs op en begonnen zij

den derden mess. oorlog. In de oude stad Ithome verschanst, boden

zij den Spartanen lang weerstand, zelfs de Atheners, die onder Cimon

den belegeraars te hulp gekomen waren, konden hen niet tot overgave

dwingen. Eindelijk bedongen zij vrijen aftocht uit de Peloponnesus,

en gaven de Atheners hun de stad Naupactus tot woonplaats (455).

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 90 / 150 段