tooverkunsten. Uit liefde voor Iason (z. a.) gaf zij hem de middelen
aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte
zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iason
Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op
listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus
genomen, Iason moest echter spoedig weder het land verlaten en ging
met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en
drie kinderen kregen. Toen Iason haar echter verstiet om met Creusa
(no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den
weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iason te wreken;
daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg,
dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten
daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Aria, waarvan
de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in
het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.
Medeon, Medeon, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de
Ambracische golf.--2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog
verwoest.--3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.--4) in Dalmatia bij
Scodra (Scutari).
Media, Media, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het
N.W. van Ariana. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische
rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was
Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het
stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische
vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media
in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatene. Bij dichters is dikwijls
Medoi, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat.
Mediae murus, to Medias teichos. Deze muur, 20 parasangen lang,
100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van
poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven
Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en
vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste
tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft
Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon
tegen aanvallen der Meden te beveiligen.
Medimnus, medimnos, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.
Mediolanum, Mediolanion (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij
het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1)
in Gallia Transpadana, thans Milaan, dat in opschriften steeds
Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In
den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het
een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio
Italiae.--2) in Gallia Transalpina bij de Santones, thans Saintes;
bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.--3) ook bij de
Ordovices, in Britannia.
Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad
Divodurum (Metz).
Medion = Medeon no. 1.
Medius Fidius, zie Dius Fidius.
Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii,
aan een gelijknamig riviertje.
Medoacus, Medoakos, rivier in Gallia Transpadana, die langs Patavium
(Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort,
thans Brenta.
Medobriga, Mundobriga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius,
ten N. van den Tagus (Taag).
Medocus, Medokos, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389
door Thrasybulus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.
Medon, Medon, 1) zoon van Oileus, vluchtte wegens een moord naar
Phylace; voor Troje werd hij door Aeneas gedood.--2) zoon van Codrus,
wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is
het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde,
en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt
is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht
de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.--3) lacedaemonisch
beeldhouwer omstreeks 600.
Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker
oever, omstreeks het tegenw. Medoc.
Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de
bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.
Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.
Medullinus, familienaam in de gens Furia.
Medus, Medos, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.
Medusa, Medousa, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was,
door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysaor en het
paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar
verwekt had. Haar hoofd werd door Athena op de aegis geplaatst.
Mefitis = Mephitis.
Megabates, Megabates, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras
(z.a.) door Darius Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren;
om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs,
zoodat de onderneming mislukte.
Megabazus, Megabazos, 1) veldheer van Darius Hystaspis, die den
tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darius Thracië
onderwierp.--2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van
Xerxes.--3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de
Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den
opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter
zake terugkeeren.
Megabyzus, Megabyzos, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden
Smerdis.--2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes,
onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem
verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte
(454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de
overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes
verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar
Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder
in genade aangenomen werd.
Megacles, Megakles, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den
opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte
liet dooden.--2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde
partij in de burgertwisten na Solon's vertrek uit Athene, moest voor
Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt
Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed
voor zijn vijand het veld ruimen (537).--3) kleinzoon van den vorigen,
zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in
de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.--4)
kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.--5) vriend van Pyrrhus van
Epirus, sneuvelde in den slag bij Heraclea.
Megaera, Megaira, eene van de Erinyen.
Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der
magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen,
en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander
wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten
daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort
daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli,
hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld
in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den
Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi).
Megalopolis, Megale polis, Megalopolis, stad in het Z. van Arcadia,
in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en
kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen,
zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad
tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door
Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen
weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei,
maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van
Philopoemen en Polybius.
Megalophanes, Megalophanes, z. Ecdemus.
Megapenthes, Megapenthes, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns,
maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.--2)
zoon van Menelaus, verdreef na den dood van zijn vader zijne
stiefmoeder Helena uit Sparta.
Megara, Megara, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later
met Iolaus.
Megara (gen. Megarae en -orum), ta Megara, hoofdstad van het staatje
Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht
Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den
wijsgeer Euclides, den leerling van Socrates.--Over Megara op Sicilia,
zie Hybla.
Megareus, Megareus, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam
zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd
werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van
een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn.
Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.
Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclides no. 3.
Megaris, Megaris, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus,
eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje
lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te
verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den
invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris
van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep,
in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron
naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.
Megasthenes, Megasthenes, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in
Campanië.--2) vriend en raadsman van Seleucus Nicator, door dezen
veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij
dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk
over Indië (Indika), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem
danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten
en Brahmanen.
Meges, Meges, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of
van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.
Megiddo, Mageddo, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In
de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio.
Megista, Megiste, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.
Megistias, Megistias, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het
leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.
Megistus, Megistos = Macestus.
Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig
werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den
tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk
eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.
Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium.
Melaena, Melaina, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia,
ook Promonturium Atrum geheeten.
Melampus, Melampous, zoon van Amythaon en Idomene. Toen hij eens
als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en
likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels
en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de
hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was
aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude
brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend,
ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij
ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht
te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar
toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te
worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat,
waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig
zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd,
erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem
de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen
gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen
tijd woonde Mel. nu in Messene, later genas hij de vrouwen van Argos
van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias,
een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van
koning Proetus.--V. s. had Mel. den dienst van Dionysus in Griekenland
ingevoerd.
Melanchlaeni, Melanchlainoi, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch
Sarmatia.
Melanchrus, Melanchros, tyran van Mytilene, door Pittacus, Alcaeus
en twee broeders van dezen gedood.
Melanippe, Melanippe, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde
schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar
vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.--2)
moeder van Aeolus (z. a.) en Boeotus.--3) eene Amazone, zuster van
Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat
de koningin hem haar gordel gegeven had.--4) eene van de Meleagrides.
Melanippides, Melanippides, twee dithyrambendichters van Melus,
grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de
eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.
Melanippus, Melanippos, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg
zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten;
hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiaraus gedood.--2)
een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden,
waarvoor hij door Diomedes gedood werd.--3) zoon van Theseus en
Periguna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.
Melanthius, Melanthios, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich
gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en
werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.--2) aanvoerder der
atheensche troepen, die aan Aristagoras van Miletus te hulp gezonden
werden.--3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1,
vriend van Cimon.--4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om
zijn aangename wijze van voordragen.--5) schilder van de sicyonische
school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw.
Melantho, Melantho, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder
van Delphus.--2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus,
zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.
Melanthus, Melanthos, zoon van Andropompus, koning van Messene, werd
door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de
koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een
tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd
had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionysus achter
Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde
X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om
hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering
aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het
feest der Apaturia ingesteld.
Melas, Melas, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur
waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonesus in den
sinus Melas, Melas kolpos, valt.--2) in het thessalische landschap
Phthiotis, zijtak van den Apidanus.--3) in Malis, stroomde langs
Heraclea in de malische golf uit.--4) in Boeotia, tusschen Orchomenus
en Aspledon, ontlast zich in het Copaïsche meer.--5) op Sicilia bij
Mylae.--6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.
Melcarth, Melikarthos, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met
Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie
Melicertes.
Meldae of Meldi, Meldai, -doi, gallisch volk bij de Sequana en den
Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).
Meleager, Meleagros, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht
speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van
de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over
den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning,
een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang
Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen
zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in
het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was
hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner
gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij
redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl
gedood.--V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae
in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven
zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude
zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde
het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de
schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de
huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met
geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder
het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.--2) veldheer
van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus
tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de
grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en
liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.--3) zoon
van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee
maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid
weggejaagd.--4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook
eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.
Meleagrides, Meleagrides, vier zusters van Meleager, waarvan twee
aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door
Artemis in parelhoenders veranderd werden.
Meles, gen. -etis, Meles, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de
bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar
Melesigenes = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten
van H.
Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetani, in het Z. van
Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen
in zijn gebied.
Melete, Melete, eene van de boeotische Muzen.
Meletus, Meletos, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid
en betrokken in het Hermocopidenproces.--2) een van de aanklagers van
Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.--3)
tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van
no. 2.
Melia, Melia, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van
Phoroneus en Aegialeus of Phegeus.--2) nimf, bij Poseidon moeder van
Amycus.--3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem
moeder van Ismenius en Tenerus.
Meliades, Meliades, Meliai, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels
van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.
Melibocus mons, het Harz-gebergte.
Meliboea, Meliboia, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycaon.--2)
dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie
Chloris no. 2.
Meliboea, Meliboia, zeestad van het thessalische landschap Magnesia,
aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctetes,
Meliboeus dux.
Melicertes, Melikertes, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood
onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de
Romeinen met Portunus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde
is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen
oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door
Theseus aan Poseidon gewijd.
Melinno, Melinno, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die
misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat
nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.
Melische poëzie, z. Lyrische poëzie.
Melissa, Melissa, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig
leerde. Soms worden nimfen in het algemeen melissai genoemd, en ook
de priesteressen van Demeter en van de ephesische Artemis dragen
denzelfden naam.
Melisseus, Melisseus, koning van Creta, vader van Adrastea en Ida,
de opvoedsters van Zeus.
Melissus, Melissos, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in
de nemeïsche spelen.--2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen
Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als
wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling
van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid,
eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande
te bewijzen.--3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecenas,
schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).--4) Aelius Mel.,
romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate,
leefde in de 2de eeuw na C.
Melita, Melite, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa,
beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli
Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch,
toen carthaagsch, daarna rom.--Ook een eilandje op de dalmatische kust.
Melitaea, Melitaia, -iteia, oude stad in het thessalische gewest
Phthiotis; aan den Enipeus.
Melitene, Melitene, stad en landschap in het O. van Cappadocia.
Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba,
in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).
Melleirenes, aanstaande eirenes, spartaansche jongelingen van 18 tot
20 jaar.
Mellepheboi, aanstaande epheboi, atheensche jongelingen van 15 tot
16 jaar.
Mel(l)on, Mel(l)on, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmea door
de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de
bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.
Melodunum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine)
omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.
Melpomene, Melpomene. Muze van muziek en zang, in het bizonder van
het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand
en een krans op het hoofd.
Melus, Melos, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden
gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden
werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van melon,
appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het
eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft
een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking
was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de
Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk
limos Melios. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen
en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen
gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking,
doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.
Memmia (lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha
onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren,
wie geld van hem hadden aangenomen.
Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aeneas' tochtgenoot Mnestheus
beweerde af te stammen. 1) C. Memmius, volkstribuun in 111, zette
het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor
het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem
afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het
consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturninus
in de volle volksvergadering om het leven gebracht.--2. C. Memmius,
ten onrechte Gemellus genoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58
en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping
veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in
47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn
gedicht de rerum natura op. Hij stond in geregelde briefwisseling met
Cicero.--3) C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54,
klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden
verdedigd.--4) P. Memmius Regulus steunde Macro bij zijn pogingen
om Seianus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia,
Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw
Lollia Paullina aan hem af te staan. Hij stierf in 61.