bij Arpinum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren,
gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134
diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging
hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen
der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de
adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en
in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid
en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting
verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote
diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen,
vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne
omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij
den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij
triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren
en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104-101) tot consul
gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae
(Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij
ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met
den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturninus en den praetor
C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus
Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde
te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar
ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd
de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om
met Mithradates van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den
bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90-89). In 88
barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling
van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden
werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van
den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het
veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had,
keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius
en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf
hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen
en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over,
waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden
de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet,
keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul
verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek
Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten
te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla's last opgegraven
en in het water van den Anio geworpen.--2) C. Marius, aangenomen zoon
van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren,
deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla
versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde
hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht
mislukte, bracht hij zich zelf om.--3) M. Marius Gratidianus, zie
Gratidii.--4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa's
te Pompeii lagen dicht bij elkander.--5) C. Amatius, Pseudo-Marius
geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon
van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later
door M. Antonius ter dood gebracht werd.--6) Marius Celsus, veldheer
onder Galba en Otho.--7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin
der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van
Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij
schreef onder Alexander Severus biografiën van de keizers, van Nerva
tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn
over in het werk der Scriptores historiae Augustae.
Marinus, Marinos, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der
eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.--2) van Tyrus, een
aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van
plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft
van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.
Maris, Marisus, Maris, Marisos, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak
der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak
was van den Donau.
Marium, Marion, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het
latere Arsinoe.
Marmarica, Marmarike, thans Barca, landstreek op de Noordkust
van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het
Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.
Marmessus, Marmyssus, Mermessos = Marpessus no. 1.
Maro, zie Vergilii.
Maroboduus, zie Marcomanni.
Marobudum, Maroboudon, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.
Maron, Maron, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silenus of Dionysus,
priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom
had.--2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die
in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.
Maronea, Maroneia, ionische volkplanting in het gebied der Cicones
op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt
ook Orthagorea genoemd.
Marpessa, Marpessa, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra
no. 2.
Marpessa, -sus, Marpesos, -ssos, 1) dorp in het gebied van Gergis
in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.--2) berg op
Parus. Marpesia cautes = parisch marmer.
Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia
gens = Marsi.
Marrucini, Marroukinoi, klein, doch dapper volk in Samnium aan de
Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teate.
Marruvium = Marrubium.
Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart
gewijd is, dien men als Mars Silvanus en Averruncus aanriep, te wiens
eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en
vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres
arvales bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende
offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en
de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius)
als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië
doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en
bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus
(Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor
in den strijd (Gradivus), zegent hunne wapenen (Quirinus), voert
hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede
terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware
de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend
blijft bewaken (Custos, Conservator). Wanneer een leger ten oorlog zou
trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en
riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het
symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in
den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden
onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was
naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het
paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen
priester, den flamen Martialis.--Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als
een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.
Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn,
misschien in Zeeland, wonend.
Marsi, Marsoi, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom
het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In
304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een
diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90,
tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten
veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede
wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar
Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen
van een zoon van Circe.--2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr,
bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug,
en sedert verdwijnt hun naam.
Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk
van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De
trotschheid, waarmede Rome na Carthago's val de italische bondgenooten
bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen
de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht
te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen
stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot
een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den
naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee
jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd
geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius
Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesinus, Marius
Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius
Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in
88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den
dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia
van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten,
die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde
daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus
en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen
ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus
opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het
ius Latii aan de Transpadani gegeven werd. Deze maatregelen braken
het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië
was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen,
Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke
wijze huis gehouden.
Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden
van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte).
Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19.
Marsyas, Marsyas, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit
vond, welke Athena had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de
cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag
leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae
opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op
de fluit hoorde spelen.--V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionysus
behoord.--2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den
G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcetes, schrijver
eener macedonische geschiedenis (Makedonika).--3) van Philippi, zoon
van Critophemus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige,
ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.
Marsyas, Marsyas naam van twee rivieren die beide in den Maeander
vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae
in Phrygia, de andere stroomde door Caria.
Martialis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania
geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en
kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitianus, die
hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na
Nerva's dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella,
schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14
boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie
apophoreta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf,
in de handschriften epigrammaton liber geheeten.
Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2.
Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3.
Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum
daarin valt, tgw. March.
Maruvium = Marrubium.
Mascas, Maskas, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.
Masinissa, Mas(s)anasses, koning der Massylii in O. Numidia,
zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche
en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden
punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago,
waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den
zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der
Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed
onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer
Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen
hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa's verloofde,
tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij
Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de
hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen
dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan
de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag
gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde
hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader
gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger
Mezetulus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had
hij met Mezetulus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich
als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel,
de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen
Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd
tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M's handen viel
ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde
M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte,
liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het
grootste gedeelte van Syphax' rijk en regeerde nog ruim eene halve
eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago
niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers
bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen,
wat door de Rom., niettegenstaande Carthago's billijke klachten, niet
werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de
wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.
Masinissa.
|
--------------------------------------
| | |
Micipsa Gulussa Mastanabal
| | |
------------------ | |
| | |
Adherbal Hiëmpsal Massiva Jugurtha
|
afstammeling:
Juba.
Afstammelingen van Masinissa.
Masistius, Masistios, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes,
sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.
Masias mons, Masion oros, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.
Massaesylii, Massaisylioi, volk in W. Numidia.
Massagetae, Massagetai, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs
behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de
Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote
woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van
den Oxus.
Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt
tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.
Massilia, Massalia, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers,
ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus
aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad,
waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero
ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf
van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius
koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen
partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door
eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na
hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware
oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en
door handel bloeiende.
Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.--2) kleinzoon van
Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.
Massylii, Massylioi, volk in het O. van Numidia.
Mastanabal, Mastanabas, jongste zoon van Masinissa en vader van
Jugurtha.
Mastarna, z. Servius Tullius.
Mastiani, zie Bastetani en Bastuli.
Mastusia, Mastousia akra, 1) berg in Ionia, aan welks helling de
stad Smyrna was gebouwd.--2) de zuidelijkste punt van de thracische
Chersonesus.
Masurius Sabinus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers,
overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Ateius Capito
de sabiniaansche.
Matiana, Matiane, Matiene, het N.W. gedeelte van Media, het latere
Atropatene (z.a.).
Matieni, plebejisch geslacht.
Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Garganus in Apulia,
nabij Horatius' geboorteplaats Venusia.
Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpina, aan den Arar
(Saône), thans Mâcon.
Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero,
die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der
edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman
van Caesar, bij wien hij ook Cicero's voorspraak was.--2) Cn. Matius,
dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over.
Matralia, z. Matuta.
Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden,
wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een
rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang;
van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De
coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit
geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van
familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij
de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder
coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een
huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden
door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis
kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm,
waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum
of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen.
Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons,
zie Alpes.
Matronalia, feest ter eere van Juno Lacina den 1sten Maart (Calendae
feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den
Esquilinus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.
Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.
Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen
den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de
Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over
in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.
Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).
Matuta, Mater Matuta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met
Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen
de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze,
en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele
had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit
den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.
Matutinus (Pater), z. Ianus.
Mauretania of Mauritania, Mauritania, he Maurousion ge, het tegenw. Fez
en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha
(z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de
oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige
bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was,
niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa
zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen
in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus
(z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba
II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het
(in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad
Tingis (Tanger) werd M. Tingitana genoemd, het vroegere West-Numidia
heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarea, vroeger Iol.
Mauri, Maurusii, Mauroi, Maurousioi, bewoners van Mauretania. De naam
Mauri is afkomstig van de Romeinen.
Mausoleum, Mausoleion, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus
voor Mausolus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op
een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog
verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze
rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een
marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het
werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt
en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er
aan arbeidden.--De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere
prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum
Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een
kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.
Mausolus, Mausolos, -sollos, vorst van Carië (377-353), ondersteunde
Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar
hem is het Mausoleum (z.a.) genaamd.
Mavors = Mars.
Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306-312 na C., zoon van
Maximianus. Toen Diocletianus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke
waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die
Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Severus
en Maximinus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf
in 306, zijn zoon Constantinus werd Caesar in plaats van Severus,
die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd,
maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te
hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en
hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er
twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte
zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op
en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de
vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.
Maximianus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar
bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en
werd door Diocletianus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus
benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp
(285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in
Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder
den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie
verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam
hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantinus; doch toen hij dezen
naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.
Maximinus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw
en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het
hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Severus (235 na
C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen,
Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu
vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De
senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en
mederegent L. Julius Verus Maximinus door zijne eigene troepen in
zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.
Maximinus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar
kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem
adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletianus tot Caesar benoemd
en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst,
zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij
de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel
van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius
verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.
Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia
(Fabii no. 14-23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14
en 16).
Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in
Britannia als tegenkeizer tegen Gratianus op. Na de vermoording
van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend,
onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van
Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze
voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes,
een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388)
en Val. II in de heerschappij herstelde.
Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentinianus
III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia
vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen
koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik
kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia
met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne
aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk
vermoord.
Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te
Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iulianus van het Christendom
afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul
Festus ter dood veroordeeld.
Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische
school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en
welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem
zijn bewaard gebleven.
Maxyes, Maxyes, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij
beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te
stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de
rechterzijde groeien.
Mazaca, ta Mazaka = Caesarea ad Argaeum.
Mazaetullus, zie Mezetulus.
Mazaeus, Mazaios, perzisch veldheer onder Darius Codomannus; hij
liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar
streed dapper bij Arbela; toen de slag echter in het voordeel der
Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf
hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem
satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).
Mecone, Mekone, oude naam van Sicyon.
Mecyberna, Mekyberna, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten
O. van Olynthus.
Medaura = Madaura.