Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso,
consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig
bestand.--2) A. Manlius Vulso Capitolinus, consulairtribuun in
405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te
vermeesteren.--3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok
met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de
Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet,
keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In
zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot
C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.--4)
Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot
den vrede met Antiochus III van Syria.--5) A. Manlius Vulso, consul
in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn
legerkamp aan den mond van den Timavus meester, maar werden daarna
verslagen.--6) M. Manlius Capitolinus, consul in 392, redde in 389
het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het
cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men
wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In
385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren,
offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit
de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van
verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in,
en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot
oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te
Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome
in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van
de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus
in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen
historisch het feit van Manlius' veroordeeling wegens het streven naar
de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond
later aan Iuno Moneta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam
Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der
plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke
toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was
bij herhaling consulairtribuun.--7) P. Manlius Capitolinus, in 367
te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot
dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen
niet vijandig.--8) L. Manlius Capitolinus Imperiosus, aldus bijgenaamd
om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde
ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging
met moeite eene veroordeeling.--9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon
van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de
vicesima manumissionum.--10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een
zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een
woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen
Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen
buit en werd sedert Torquatus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en
340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van
P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den
Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een
uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had,
ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het
verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen
heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en
Minturnae verslagen.--Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn
zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius
(431) gezet. Zie Postumii no. 4.--11) T. Manlius Torquatus, consul in
235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden
onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs
(224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en
versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit
Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter,
aan zijne familie eigen, niet.--12) T. Manlius Torquatus verstiet
zijn zoon D. Iunius Silanus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens
afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De
vader woonde de begrafenis niet bij (141).--13) L. Manlius Torquatus,
consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en
een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilina in 65 bijgestaan,
toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem
af na de ontdekking der samenzwering.--14) L. Manlius Torquatus,
zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de
finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man
dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii
no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van
Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en
sneuvelde later in Africa (47).--15) Verder komt er nog eene familie
van Manlii Acidini voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam
(cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor
Catilina troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde
(62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van
Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken
was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van
Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de
provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs
vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconinus
(Valerii no. 25a).
Manteia, Mantike, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de
godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid
gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de
eerste soort (semata, terata) behooren verschijnselen aan den hemel,
het vliegen of roepen van een grooten vogel (oionos) en dgl. Het zijn
in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd,
de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene
bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te
verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring
niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (mantis,
theopropos, oionopolos) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere
soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald
teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest
gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was
door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van
een geofferd dier (hieromanteia), waartoe men zich van de tusschenkomst
van een hieroskopos bediende. Andere middelen om den wil der goden te
vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (cheiromanteia),
van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp
(hydromanteia), het gebruikmaken van loten (kleromanteia, sortilegium,
z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof
hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie
ook enkoimesis.
Mantinea, Mantineia, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de
argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis
gelegen, waar het des zomers drukkend heet en 's winters streng koud
was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen,
maar korten tijd daarna (464-459) werd de bevolking in de stad
bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea
door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door
deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde
Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch
Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde
M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling
met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het
door Aratus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere
van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonea
herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn
lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.
Mantius, Mantios, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1)
en Polyphides.
Manto, Manto, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was
ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen
Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon
gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Klarios te
stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op
zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.--V. a. was
zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen,
Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter
deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.
Mantua, Mantoua, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio),
reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het
Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het
nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.
Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld
als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met
een zwaard of hamer.
Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder
echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking
kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een
tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen
zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder
zich door afpersingen verwerft.--In het enkelvoud beteekent manubia
in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2.
Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze
plaats vinden;--1) vindicta of festuca. De heer bracht zijn slaaf
voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor
(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca,
vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure
Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor
den man voor vrij.--2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census
in de burgerlijsten inschrijven.--3) testamento. Door deze drie wijzen
van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als
vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk
(in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder
burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis
in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,--per
mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel
noodigde,--per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring,
zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia
Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen
in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia).
Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw,
waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor
al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne
wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door
confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan,
wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw
gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning
doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op
zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij
moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt
ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral,
die in iemands mancipium zijn.
Manus iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met
den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in
tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld
medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen
plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of
onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad
betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus
iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor
vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige
te grijpen.
Maracanda, ta Marakanda, groote hoofdstad van Sogdiana. Thans
Samarkand.
Maraces, Marakoi, volksstam in Aetolia.
Marathon, Marathon, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die
de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen
stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde
Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.
Marathus, Marathos, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenice
tegenover Aradus.
Marathusa, Marathousa, eilandje op de kust van aziatisch Ionia,
nabij Clazomenae.
Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30-38).
Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer
Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk,
medicamentorum liber.
Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water
geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.
Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen
worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus,
die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde
voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.
Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173,
had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der
Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene
duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius
Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat
een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De
wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling
door de partijdigheid van den praetor.
Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104
(zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De
wet werd niet aangenomen.
Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197
gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het
volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen,
trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van
Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius
Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.
Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex).
Marciana carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden
waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige
afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van
het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd.
Marciana Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald,
in het Z.W. van Germania.
Marcianopolis, Markianopolis, stad in Moesia inferior, even ten Z. van
Odessus dicht bij de kust. Traianus had ze naar zijne zuster Marcia
aldus genoemd.
Marcianus, Markianos, 1) aardrijkskundige uit Heraclea in Pontus,
± 400 na C., ontwerper van een periplous der bekende wereld, met
afstandswijzer.--2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn
uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).--3) Felix Capella
Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort
van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of
Satiricon.--4) Zie Theodosius no. 3.
Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus
(later Censorinus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De
eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius
volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij
de regeling van den eeredienst.--2) Ancus Marcius, vierde koning
van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.--3) Cn. Marcius,
bijgenaamd Coriolanus naar de verovering van Corioli in het gebied
der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van
een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot
afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen,
zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch
leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door
de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen
om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de
Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling
gestorven zijn.--4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen
de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo
(Narbonne) in Gallia Transalpina gekoloniseerd als Narbo Martius.--5)
Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn
ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens
benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed,
liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd
hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer
zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63
door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius
te keer te gaan.--6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de
Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs
en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met
P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om
aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank
werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de
eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het
consulaat.--7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul
in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was
hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorinus verschafte. Hij
berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan
denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet
hiertegen te maken (zie lex Marcia).--8) L. Marcius Censorinus,
belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.' Manilius te
vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.--9)
C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij
voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena,
en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel
en die hem ter dood liet brengen (82).--10) L. Marcius Censorinus,
aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later
was hij propraetor van Achaia.--11) Q. Marcius Crispus, een dapper
krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op
bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea,
maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde,
aan Cassius af.--12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus
(169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen,
doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasica Corculum
(Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156
bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae
verslagen.--13) C. Marcius Figulus, consul in 64.--14) Q. Marcius
Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius
Albinus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime
vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit
in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische
Apuani werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij
een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In
171 werd hij met A. Atilius Serranus (Atilii no. 8) als gezant naar
Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin
te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom.,
die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd
wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome's hand bracht. Openlijk
beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de
groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul
en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den
oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius
Paullus overlaten.--15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104,
consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij
(zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn
gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat
Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt;
later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om
de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de
zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem
in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend
redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen
voeren.--16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia,
de moeder van Octavianus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel
met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet
openlijk partij.--17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212,
toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger
van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot
aan de komst van P. Scipio (Africanus maior) en streed ook onder
hem nog met roem.--18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed
zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.--19) Marcius Macer,
veldheer van keizer Otho.--20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius
Severus, onder Hadrianus stadhouder van Judaea, van Mauretania en
later bevelhebber der lijfwacht.--21) Marcius, waarzegger ten tijde
van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina.
Marcodurum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippina (Keulen),
thans Duren.
Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst
aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer
jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum
(Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht,
die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn
volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en
bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht
hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later
(18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar
Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven
is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen
werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral
tijdens de regeering van Domitianus en van Marcus Aurelius (166-172
en 178-181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in
181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van
hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de
Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder
de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.
Mardi = Amardi.
Mardonius, Mardonios, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darius
Hystaspis, werd in 493 door Darius met een leger naar Griekenland
gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot
schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij
was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef,
en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef
M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs
getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij
in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam
hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde
hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere
verdediging sneuvelde.
Marea, Marea, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria,
beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld,
vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareotis lacus, dat door
Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was
door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er
een reusachtigen binnenhaven aan had.
Mareotis, Mareotis, zie Marea.
Maresa, Maresa, Marissa, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van
Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.
Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten
Marganes.
Margiana, Margiane, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk,
tusschen Parthyaea en Bactriane, doorsneden door de rivier Margus
(Murghâb).
Margites, Margites, personificatie van verwaande domheid, die in
grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat
ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.
Margus, Margos, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium
in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.--2) z. Margiana.
Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in
119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der
bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich
er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren,
hoe zij stemden.
Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen
L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores,
die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen
verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.
Mariaba, zie Saba.
Mariamme, Mariamme, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.
Mariana fossa, zie fossa.
Mariandyni, Mariandynoi, niet-thracische volksstam in het O. van
Bithynia, bij Heraclea.
Marica, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder
van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat
eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald
worden.