volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den
ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid
is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii
no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen
Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator
gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter
zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel,
waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek
onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere
zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het
forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw
moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius,
over wien Horatius spreekt.
Maeon, Maion, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag
legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op
bevel van een orakel in leven.
Maeonia, Maionia, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook
dichterlijk = Etruria.
Maeonides, Maionides, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon
of als Lydiër (Maeoniër).
Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.
Maeotis palus, Maiotis limne, thans zee van Azow. De omwonende
scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid.
Maera, Maira, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.--2) dochter van
Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van
Locrus en werd daarom door Artemis gedood.--3) dochter van Atlas,
gehuwd met Tegeates, den zoon van Lycaon.
Maesesses = Melesses.
Maevius, zie Bavius.
Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancyra en den Halys, waar Cn. Manlius
Vulso in 189 de Tectosages versloeg.
Magas, Magas, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot
stadhouder over Cyrene aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk
(280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf
in 258. Zie ook Apama no. 2.
Magdolum, Magdolon, Magdolon, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van
Pelusium.
Mageddo = Megiddo.
Magetobriga, stad der Sequani in Gallia Transalpina.
Magi, Magoi, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers
en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed
uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging,
bleven de Magi hunne waardigheden behouden.
Magii, plebejisch geslacht uit Campania.
Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die
belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.
Magister equitum, zie dictator.
Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze
post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den
Gr. ingesteld.
Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van
het voetvolk.
Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium.
Magna Mater, z. Rhea Cybele.
Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks,
ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd,
doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam
zichzelf in 353 na C. te Lugdunum (Lyon) het leven.
Magnes, Magnes, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes,
wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.
Magnesia, Magnesia, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene
betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de
golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnetes,
Magnetes.--2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus
gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus
III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14)
in 190 verslagen.--3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt,
nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel
van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes
de inkomsten aan Themistocles toewees.
Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap
Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.
Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.--2)
haven in Mauretania, thans Oran.
Mago, Magon, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en
veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote,
± 550-500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago's
grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.--2) schrijver van een
groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat
in het Latijn werd vertaald.--3) jongere broeder van Hannibal, die
met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago
werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen
te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning
van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in
Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua,
doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij
in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te
keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk,
v. a. leefde hij in 193 nog.
Magontiacum = Mogontiacum.
Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae
trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.
Maia, Maia, Maias, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der
Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.--2) italiaansche godin, soms
ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcanus, maar wordt
later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar
haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van
Vulcanus haar een offer.
Maiesta = Maia no. 2.
Maiorianus (Flavius Iulianus), een der laatste keizers van het
west.-rom. rijk, 457-461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor
hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog
tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het
leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot
afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge
ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.
Makaron nesoi, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in
het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben,
onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook
Fortunatae insulae.
Makednoi, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiotis, later
aan den Pindus.
Malaca, Malaka, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania
Baetica, thans Malaga.
Malchus, Malchos, 1) carthaagsch veldheer, ± 600-550, had eerst op
Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de
eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen
hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit
Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in,
en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter
dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is
eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen
nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.--2) koning der
Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.--3)
uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C.,
die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.--4)
= Porphyrius (z. a.).
Malea, Malea, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.--2)
Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk
was om te varen wegens de stroomingen en riffen.
Maleventum, vroegere naam van Beneventum.
Maliades, Malides, Maliades, Malides, nimfen, die kudden en
vruchtboomen beschermen.
Malis, Malis, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus,
een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses,
Malies.
Malli, Malloi, indisch volk aan den Hydraotes, een der zijrivieren
van den Indus.
Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft
opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius
Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15)
den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15.
Malloea, Malloia, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.
Mallus, Mallos, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.
Maluginensis, familien. in de gens Cornelia.
Mamercinus, familien. in de gens Aemilia.
Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens
Aemilia aantreffen.
Mamertini, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen
(zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit
Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messana, van waar zij
strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen
de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot
den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor
onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van
Verres speelde de stad de rol van handlangster.
Mamertinus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer
Iulianus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in
362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum,
minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici
et Italiae.
Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetanus, tot
instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door
Jugurtha hadden laten omkoopen (109).
Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius,
te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na
diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals
zijn zoon.--2) L. Mamilius Tusculanus, dictator van Tusculum, had
den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een
nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg
L. Mamilius het rom. burgerrecht.--3) Q. Mamilius Vitulus, consul in
262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.--4) C. Mamilius Limetanus,
zie Mamilia (lex).
Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Severus (Severi no. 2),
voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad
en met beleid het bewind voerde.
Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile.
Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar
in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne
houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae,
dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd.
Mancinus, familienaam in de gens Hostilia.
Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene
zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper
nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk
(raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk
gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene
nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd
afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den
huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio.
Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia
in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis
domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus,
aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur,
velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten
beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders
grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus,
er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie
verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en
kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar
zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom
overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor,
door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet,
door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de
vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand
in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of
dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen,
kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door
verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen
gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan
toch het dominium verwerven.
Mancipium, 1) = mancipatio.--2) het voorwerp der mancipatie, vooral
slaven, ook lasten trekdieren.--3) de betrekking van afhankelijkheid,
waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater
fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater
naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den
derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer
volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer
was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco,
maar daarom nog geen servus.
Mandane, Mandane, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.
Mandela, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.
Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde
rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).
Mandrocles, Mandrokles, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor
Darius Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over
den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel
van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het
leger over de brug voorstelde.
Mandropolis, Mandropolis, stad in het Z. van Phrygia.
Mandubii, Mandoubioi, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun
gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door
Caesar belegerd werd.
Manduria, Mandyrion, stad der Sallentini in Calabria, aan den weg van
Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche
koning Archidamus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs,
toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul
Q. Fabius Maximus Verrucosus (Fabii no. 16) veroverd.
Maneros, Maneros, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong
stierf en, evenals Adonis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.
Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii
Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde
tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten
of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers
bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.--Te hunner eer vierde
men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij
de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking
stonden, gesloten waren.
Manetho, -thos, Manethon, -nethos, aegyptisch priester te Heliopolis,
leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-,
natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van
Aegypte (Aigyptiaka) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit
o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen
bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.
Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft
echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid
van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor
de huisdeuren werden opgehangen.
Maniai heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als
godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.
Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de
libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne
patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in
4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex)
de libertinorum suffragiis.--2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren
van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.
Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren
voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M'. Manilius,
consul in 149.
Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn:
1) M'. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat
tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als
zijn ambtgenoot L. Marcius Censorinus. Hij was met Laelius en Scipio
bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf
en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.--2)
C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest
bekend door Cicero's verdediging van het wetsontwerp de imperio
Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een
proces.--3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter
eener Astronomica, die nog over is.--4) L. Manilius, z. Manlii no. 15.
Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder)
en Vistula (Weichsel).
Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie
cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel
(zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi
aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven
op den stok een uitgestrekte hand.
Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting
van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te
betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolinus
Imperiosus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën
bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De
volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male
gebeuren kon.
Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun
Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van
66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.