geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus,
Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia,
ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het
was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens
de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna
die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische
persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis
werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht
en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen
werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische
provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De
Lydiërs, Lydoi, vroeger Maeones, Meones, vóór de perzische verovering
een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben
reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de
grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken
meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij
Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia
behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met
de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes.
Lydiadas, Lydiadas, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig
man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen
in de Peloponnesus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later
(233) werd hij strateeg van het verbond, maar Aratus verdrong hem. Toen
Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg
L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver
bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood.
Lydias, Lydias, ook Ludias, Loudias, rivier in Macedonia, die in
zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon
uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen
monding.
Lygdamis, Lygdamis, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor
de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij
diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem
later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij
over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd
hij door de Spartanen verjaagd (525).--2) tyran van Halicarnassus,
vader van Artemisia (no. 1).
Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een
pseudonym, z. Albii.
Lyncestis, Lynkestis, een der westelijke landschappen van Macedonia,
met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit
het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Lynkestai.
Lynceus, Lynkeus, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.--2) een van de
Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het
binnenste der aarde kon zien.
Lyncus, Lynkos, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus
den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe
te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demeter voorkwam hem,
en veranderde hem in een los.
Lyra, Lyra, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3-9 snaren bespannen,
dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum
in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van
wordt aan Hermes toegeschreven.--2) sterrenbeeld, naar men meende de
lier van Orpheus.
Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de
epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die
gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans
gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische
poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een
enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en
waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne
persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere
hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden,
feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden
gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw,
en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho)
beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel
van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij
in de 7de eeuw door Stesichorus, Arion e. a. tot een hoogen trap van
volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars
vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).--De Rom. hebben
eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd,
hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius.
Lyrnessus, Lyrnessos, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier
hadden de Grieken Hippodamia, de dochter van Briseus (Briseis) buit
gemaakt. Zie Briseis.
Lysander, Lysandros, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van
de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners
opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich
ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking
te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als
satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime
middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter
na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was,
en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel
ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen
door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den
weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven
verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de
wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (nauarchos)
voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij
na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht,
wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet
tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige
oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele
atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden
ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van
Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen
in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen
wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren
afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook
Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was
toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters
bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een
god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in
Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet
alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te
baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met
dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen
de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden,
en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een
vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie
het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten
gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan
de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht
poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilaus, die door zijn toedoen
de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde,
trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa
terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilaus gekrenkt,
beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk
koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden,
waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor
steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi,
Dodona en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij
wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels
brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om
zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte,
hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging,
en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).--2) ephoor ten
tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen.
Lysanoridas, Lysanoridas, een van de spartaansche harmosten, die in
379 de Cadmea aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete
te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in
ballingschap.
Lysias, Lysias, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij
eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15
jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij
onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij,
gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten
gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen
afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter
met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers
der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene
terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en
vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin
120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd,
Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij,
zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte
tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij
Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus,
en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo
grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het
schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen
met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan
hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal,
die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere
taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met
zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het
karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de
alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars
opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar.
Lysicles, Lysikles, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles
met Aspasia gehuwd.--2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronea,
op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld.
Lysicrates, Lysikrates, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won;
het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (choregikos
tripous, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae,
blz. 103.
Lysimachea, Lysimacheia, bij de Rom. Lysimachia, vesting door
Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonesus
gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat
(309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de
buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als
hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk.
Lysimachus, Lysimachos, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks
355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G.,
onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij
Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en
had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren,
dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren
van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en
Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen
land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachea (z. a.). In 306
nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning
aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij
eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in
het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij
verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met
Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcetes de vijandelijkheden
op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen,
doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij
hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten
werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287),
gaf de regeering aan Pyrrhus van Epirus, doch ontnam hem die weder
na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van
Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele
bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid
verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië
tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de
afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Korou pedion,
ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was;
het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281).
Lysimelea palus, Lysimeleia limne, meer bij Syracusae, vroeger Syraco
genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn.
Lysippe, Lysippe, eene van de Proetides.
Lysippus, Lysippos, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd
beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving
werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De
op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem
gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het
Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde
de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen,
quales esse videntur.
Lysis, Lysis, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken
van Plato is naar hem genoemd.--2) van Tarentum, pythagoreïsch
wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar
Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas.
Lysistratus, Lysistratos, 1) arm Athener, betrokken in het proces
der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.--2)
beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus.
Lysius, Lysios = Lyaeus.
Lystra, Lystra, stad in Isauria, ten Z. van Iconium.
Lyttus = Lyctus.
M.
Macae, Makai, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der
Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.
Macar, Macareus, Makar, Makareus, 1) een van de Heliadae (z. a.),
vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.--2) broeder van Canace
(z. a.).--3) een van de tochtgenooten van Odysseus.--4) een van de
Lapithen op de bruiloft van Pirithous.
Macareis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.
Macaria, Makaria, dochter van Heracles en Deïanira, vluchtte met hare
broeders uit de Peloponnesus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig
van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op
die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.
Macaria, Makaria, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als
Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen
naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamisus
doorstroomd wordt.
Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich
ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden,
en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had
(167-40). De laatste der M. werd door Herodes gedood.
Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae.
Macedonia, Makedonia. De bakermat van het macedonische rijk
is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius
(Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia
gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan
hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een
onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II
in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia
en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op
Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering
eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie
afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog
grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel
tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef
toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de
Rom. gevoerd (200-197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder
zijn zoon Perseus (179-168) werd het geheel een buit der Rom., die het
voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonica,
Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie
werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in
hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche,
thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve
door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.
Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten
N. van Entella gelegen.
Macellum (van makellon, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren
te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen,
macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een
macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling
geeft.
Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona,
gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche
verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De
ander, C. Licinius Macer Calvus (82-48), was lierdichter en een
vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius
nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.
Macestus, Makestos, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus
vereenigt.
Machaerus, Machairous, sterke grensvesting van Palaestina, in het
Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper
gevangen gezeten.
Machanidas, Machanidas, Spartaan, die zich in 210 van de
alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar
viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).
Machaon, Machaon, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder
Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog
tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door
Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn
graf met een heiligdom.--Beide broeders waren vooral beroemd als
geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een
bekwaam geneesheer gebruikt.
Machlyes, Machlyes, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten
Z. van de Tritonzee.--2) een scythische stam aan de palus Maeotis
(zee van Azow).
Macistus, Makistos, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een
gebergte op Euboea.
Macra, Makres, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt
bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de
Noordgrens van het eigenlijk Italië.
Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia
Cisalpina.
Macrinus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder
Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde
ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het
leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam
zijn jeugdig zoontje Diadumenianus tot medekeizer aan. Na eene niet
zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217-218) werden vader en
zoon door de oproerige troepen vermoord.
Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius,
opvolger van Seianus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met
zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).
Macrobii, Makrobioi, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.
Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.),
van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7
boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.
Macrones, Makrones, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee,
in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.
Mactorium, Maktorion, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.
Madaura of -rus, Madouros, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa,
geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.
Madena, distrikt van Armenia Minor.
Maduateni, thracische stam aan den Haemus.
Madytus, Madytos, havenstad van de thracische Chersonesus, aan den
Hellespontus.
Maeander, Maiandros, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van
Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en
Ionia en valt tegenover Miletus in zee. De stroomgod is de grootvader
van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten.
Maeandrius, Maiandrios, regeerde na den dood van Polycrates (522),
wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus,
toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd
(omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de
schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het
verblijf in de stad verbood.
Maecenas, zie Cilnii.
Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door
Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken
werd opgedragen.
Maedi, Maidoi, thracische volksstam aan den Strymon.
Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder,
had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van
koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig
op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en
eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht
te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahala, mag. equitum van
L. Quinctius Cincinnatus, die tot dictator seditionis sedandae causa
benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius
werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de
open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens
een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahala als
ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de
alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch
is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis,
heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere
geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.--2)
Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden
Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest
boeten.--3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in
de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten
en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.
Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd
door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26.
Maemacterion, Maimakterion, 5de maand van het Attische jaar
(Nov.-Dec.), z. Annus.
Maemactes, Maimaktes, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner
eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.
Maenades, Mainades, = Bacchae.
Maenalia, Mainalia, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg
Maenalus.
Maenalius, Mainalios, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus,
waar hij zich bij voorkeur ophield.
Maenalus, Mainalon oros, berg en stad in het binnenland van Arcadia,
ten ZW. van Mantinea, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij
dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa =
Callisto, Maenalii versus = herderszangen.
Maenia (columna), zie columna Maenia.
Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in
incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat
de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen
van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten
bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft,
maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2.
Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius
(Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren
(410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen,
is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie
agrariae leges), verzonnen.
Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus.
Maenianum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar
C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons
voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.