v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde
spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van
den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats
hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen
in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder
vindt men ludi Cereales in April, ter eere van Ceres, Liber en
Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel
in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan
circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan
onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de
ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den
praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche
feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in
hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten
van den staat gegeven.
De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij,
om zoodoende de volksgunst te winnen.
Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld
ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae
(ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn
uitsluitend l. circenses.
In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria
(z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren,
gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens
een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd
en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben
de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze
als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de
venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen.
Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van
staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een
storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze
instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de
l. plebei.
Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude
tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door
knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum
(z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het
spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en
sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen
keizertijd. Vergilius (Aen. V 545-603) laat op bevel van Aeneas
Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een
soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader
Anchises: "Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen" (v. 602).
Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken.
Lugdunum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging
van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en
als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder
de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het
had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius
geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe
indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het
uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara
Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de
3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers
en feesten bijeenkwamen.--2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania,
hoofdst. der Convenae.--3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal
als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het
waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen
bij den Haag, lag.
Lugii = Ligii.
Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans
de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren
beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer.
Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het
tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen).
Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den
Palatinus, aan Faunus gewijd.
Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den
15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken
in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg;
bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op
het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk
gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen
met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad,
en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden
gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten
zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor
haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid,
die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus,
dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten
deelnemen.--De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd.
Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van
12 leden, de L. Fabiani en de L. Quintiliani of Quinctiales, waaraan
sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd.
Lupiae, Loupiai, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum
(Otranto).
Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt.
Lurius Agrippa (M.) werd door Octavianus tot praefectus van Sardinia
aangesteld, doch door Menas (Menodorus), legaat van S. Pompeius,
verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de
vloot van Octavianus.
Luscius Lavinius of Lanuvinus, blijspeldichter, tijdgenoot van
Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger.
Lusitania, Lousitania, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier
hield de Lusitaniër Viriathus 10 jaar lang (150-140) een hardnekkigen
kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen
(138); zie verder Hispania.
Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging,
katharmos. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was
het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in
een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met
water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms
werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval
was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest
door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene
lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van
zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater,
aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met
een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water
doopte.--Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij
de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze
handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken,
gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij
plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten
door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van
legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan.
Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk,
dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden
een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot
bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De
censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales
res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte
uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar
de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum,
de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen.
Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242,
versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische
eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.--2) Q. Lutatius
Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en
was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote
rechtschapenheid.--3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door
de Galliërs in Cisalpina in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10)
krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.--4)
Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius
in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpina. In den burgeroorlog werd
hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte,
vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken
(87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij
een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan
zijn.--5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla's dood
als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer
gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en
vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla's dood (78),
(z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius
vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex
Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den
bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolinus opgedragen, en aan
de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook
heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus
tijdens de republiek. Hij overleed in 60.
Lutetia (Parisiorum), Loukotokia, -tekia, Louketia, hoofdstad der
Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene
belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers,
o. a. van Iulianus, die hier een paleis liet bouwen.
Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had
gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius' zoon Drusus, had hij bij
voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door
den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.).
Lyaeus, Lyaios, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionysus; latex
Lyaeus = wijn.
Lybas, Lybas, de schim van Polites, no. 1 of 2, die als plaaggeest
de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij
door Euthynus verdreven werd.
Lycabettus, Lykabettos, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene,
ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon.
Lycaea, Lykaia, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas
werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje
lag de mons Lycaeus, Lykaion oros.
Lycaeus, Lykaios, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden
berg Lycaeus.
Lycambes, Lykambes, z. Archilochus.
Lycaon, Lykaon, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllene, koning
van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid
en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der
menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten
hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus
wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den
bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd
door Gaea gered, vgl. Arcas.--V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus
bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.--2) soms =
Arcas, kleinzoon van den vorigen.--3) zoon van Priamus en Laothoë,
door Achilles gedood.--4) koning van Lycië, vader van Pandarus.
Lycaonia, Lykaonia, landschap in het binnenland van Asia minor,
een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor
schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners
waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot.
Lycaonis, Lykaonis, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycaon.
Lyceum, Lykeion, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren
ten O. der stad en nabij den Ilisus, met fraaie wandelingen, waar
Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum
droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lyceus. Het
werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in
86 verwoest.
Lyceus, Lykeios, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van
het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius.
Lychnidus, Lychnidos, Lychnis, stad in Illyris barbara nabij de
macedonische grenzen, hoofdstad der Dassaretae, aan de via Egnatia
gelegen en aan het meer Lychnitis, Lychnitis (meer van Ochrida).
Lycia, Lykia, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor,
waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen
voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog
in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers,
aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der
Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Lykioi, die in het dal
van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Termilai,
Termiles. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige
beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche
taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen
de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later
maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene
republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Lykion to koinon of to
koinon Lykion ethnos). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de
gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische
en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het
gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard
(z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche
provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort
het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan
Chimaera aan de Oostkust.
Lycides, Lykides, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede
met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd.
Lycis, -cus, Lykis, -kos, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van
Aristophanes.
Lycius, Lykios, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië
(Lyciae sortes).
Lycius, Lykios, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en
bronsgieter uit ± 440.
Lycoleon, Lykoleon, atheensch redenaar, leerling van Isocrates.
Lycomedes, Lykomedes, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens
hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd
leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots
in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners
verwoest.--2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste
perzische schip veroverde.--3) van Mantinea, een rijk, ondernemend
en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging
der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië
evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden,
trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen,
maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische
ballingen gedood (366).
Lycomidae, Lykomidai, -medai, z. Lycus no. 4.
Lycon, Lykon, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.--2)
Trojaan, door Peneleüs gedood.--3) Athener, een van de aanklagers
van Socrates.--4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren
diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet
tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger
der Grieken.--5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar
(269-226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid
werd hij Glykon, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst
hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn
verloren gegaan.
Lycophron, Lykophron, 1) van Cythera, vriend van Aias no. 2, door
Hector gedood.--2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader
Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn
vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord
was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere
woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later,
toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcyra liet
brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle
beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en
beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan,
maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs,
die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.--3) tyran
van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog,
die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over
geheel Thessalië streefde.--4) zwager en een van de moordenaars van
Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus
van Macedonië hem verjoeg.--5) van Chalcis op Euboea, grammaticus
en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan
de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een
aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch
gedicht, Kassandra of Alexandra, waarin hij door deze profetes een
groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat
voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis
belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is
het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam skoteinos
gegeven werd.
Lycopolis, 1) Lykon polis, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens
eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven
zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.--2)
Lykou polis, stad in de Delta.
Lycorea, Lykoreia, stad aan den Lycoreus, den naar Delphi toegekeerden
top van den Parnassus.
Lycoris, eigenlijk Cytheris geheeten, danseres, minnares van den
rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius.
Lycormas, Lykormas, rivier in Aetolia = Euenus.
Lycortas, Lykortas, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183)
strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook
in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven
tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het
gevolg was.--De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon.
Lyctus, Lyktos, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van
Cnossus. Lyctius = cretensisch.
Lycurgus, Lykourgos, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs,
die zich tegen de invoering van den dienst van Dionysus verzette,
daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.--V. a. werd
hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en
daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden
verscheurd werd.--2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië,
die Areïthous doodde.--3) zwager van Adrastus, die met de zeven
vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius
in het leven teruggeroepen.--4) zoon van Pheres, koning van Nemea,
vader van Opheltes.--5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde,
naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de
zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot
het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen
neef Charilaus of Leobotas, maar door verschillende partijen verdacht
gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar
op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij
naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn
neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met
goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe
staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het
dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in
andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke
macht onder de koningen, den raad (gerousia) en de volksvergadering,
schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden
(syssitia) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde,
wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te
beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren
van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel
en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker
in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (rhetrai)
vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets
aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het
delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had
goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen
vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner
grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving
van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den
peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in
vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele
maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan
aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan
men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan
dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld,
dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta
genoemd zou kunnen worden.--6) Athener, aanvoerder der aristocratische
partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.--7) Athener,
zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van
den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van
Demosthenes en Hyperides op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer
der financiën (338-327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der
vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is,
hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder
de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op
staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs
van het dankbare volk was ten deel gevallen.
Lycus, Lykos, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een
plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.--2) zoon van Hyrieus,
vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar
zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als
voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion
en Antiope.--3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde
gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon,
en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde
en hem doodde.--4) zoon van Pandion, vluchtte voor zijn broeder Aegeus
naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de
stamvader der Lycomidae of Lycomedae, een geslacht van priesters bij
de eleusinische mysteriën.--5) zoon van Dascylus, koning van Mysië,
die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor
hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclea genoemd werd.--6)
uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over
de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe.
Lycus, Lykos, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas
genoemd.--2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.--3) rivier in
Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicea een eind onder den grond
voortstroomt en in den Maeander valt.--4) riviertje in Bithynia,
bij Heraclea.
Lydda, ta Lydda, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe
en Jerusalem.