Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp,

waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was

geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie

ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld

was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar

de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde

rechters, die het vonnis hadden geveld.

Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling

in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding

loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook

formula.

Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding

van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter

vervanging der vroegere in ius vocatio.

Liturgia, letourgia, leit., eene uitgave ten bate van het algemeen

door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone

(enkyklioi) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de

buitengewone: de triërarchie, proeisphora en architheorie. Van

staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast

werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en

zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er

bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door

eene liturgie gedrukt werd, vgl. Antidosis. De liturgieën waren zeer

kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid

of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan

eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen,

de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.

Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die

vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument

bij de rom. ruiterij diende.

Lityerses, Lityerses, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de

vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst

te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den

overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp

zijn lijk in de rivier de Maeander.

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter

niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren,

doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te

ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges).

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex

iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand

zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de

rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld

worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.--2) leges

agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van

C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).--3) lex frumentaria,

waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader

bekend.--4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor 1/8 met koper zou

vermengd worden.--5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii

het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet

in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard,

omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was,

zie Caecilia Didia (lex).

Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste

is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een

der eerste plebejische pontifices.--2) C. Livius Drusus, broeder van

no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden,

zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.--3) M. Livius

Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander

van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed

met goed gevolg de thracische Scordisci.--4) M. Livius Drusus,

volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man

van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen

gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met

elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der

rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van

koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges

Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand

(zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een

dweper vermoord.--5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius

Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met

Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia

z. Servilii no. 19.--6) M. Livius Macatus verdedigde in 214 Tarentum

tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius

Maximus in 209 de stad heroverde.--7) M. Livius Salinator overwon als

consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs;

beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit

(de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg

toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria

Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero,

bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren

een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door

eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur

den spotnaam van Salinator.--8) Livia Drusilla, dochter van zekeren

Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius

M. Livius Drusus Claudianus heette, en die in den slag bij Philippi

gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan

Octavianus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en

haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat

hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius

en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament

met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon

Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na

Augustus' dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na

C.--9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla,

dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.--10)

T. Livius Patavinus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene

aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige

geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood

van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn

dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218-167) en nog zeer

enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna

alle boeken over. Hij leefde 59-17 na C.--11) Livius Andronicus,

een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door

de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij

kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als

vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der

Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht,

in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.

Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van

Mauretanië.

Lochos, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van

onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest

zal zijn. In slagorde stond de lochos gewoonlijk acht man diep, op

marsch vormde men dikwijls lochoi orthioi met smal front en groote

diepte. De hieros lochos der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later

groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in lochoi daarbij

overgenomen. Aan het hoofd van den lochos stond een lochagos.

Locri Epizephyrii, Lokroi Epizephyrioi, eene oude stad op de kust van

Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf

meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij

afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het

gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de

volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm

bij kaap Caphereus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de

beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier

tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte

allengs in verval.

Locris, Lokris. De Locri, Lokroi, misschien van lelegischen stam,

waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in

drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan

de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar

de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg

Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad,

en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (eoioi) of hoi

pros Euboian Lokroi genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri

Ozolae, of westelijke (hesperioi) Locriërs, die meer dan de anderen

een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de

steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus

(Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnesus waren overgestoken.

Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan

keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter

dood gebracht.

Logeion, het tooneel in engeren zin = proskenion.

Logistai, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij

stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de euthynoi

de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen

nazagen. Zie Euthynai.

Logographos, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder

een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men

dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven;

verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen,

welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben,

in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden

op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus,

Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes.

Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullinus,

consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn

verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe,

toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van

Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18

richtte.--2) Zijne kleindochter Lollia Paullina werd de echtgenoote

van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij

vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).--3) Q. Lollius Urbicus,

legaat van keizer Antoninus Pius in Britannia, z. a.

Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke

koopstad der Trinobantes.

Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2-12).

Longinus, Longinos, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de

eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en

gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op

een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam

en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia

overwonnen was, werd L. op last van Aurelianus ter dood gebracht

(272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling peri

hypsous bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit

een veel vroegeren tijd.

Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de

Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens

de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk

naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin

Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen

heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije.

Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de

Romeinen verwoest.

Longus, Longos, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver

van een herdersroman (Poimenika ta kata Daphnin kai Chloen), die

als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door

nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver

is niets bekend.

Loretanus (portus) = Lauretanus Sinus.

Lorica, thorax, harnas, onverschillig of het slechts uit eene

borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen

waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van

strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden

schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser

(lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae.

Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium,

sterfplaats van Antoninus Pius, die er ook was groot gebracht.

Loryma, ta Loryma, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus.

Lotis, nimf, die door Priapus met zijne liefde vervolgd werd; toen

zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op

hare bede in een lotus.

Lotophagi, Lotophagoi, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een

goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep

een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte

ook Lotophagitis genoemd.

Loxias, Loxias, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin

zijne orakels gegeven werden.

Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere

de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat

strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk

een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide.

Luca, Louka, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria,

sedert 177 rom. kolonie.

Lucania, Leukania, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en

Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee

voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst

aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische

ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden,

waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met

grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania

onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het

land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog

van 73-71.

Lucanus, familienaam in de gens Annaea.

Lucceii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van

den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met

Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.--2) C. Lucceius

Hirrus, z. Lucilii no. 4.--3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium,

getuige in het proces tegen Verres.--4) Lucceius Albinus, onder Nero

procurator van Judaea (62-65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen

overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht.

Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den

rom. staat. Zie Tities.

Luceria, Loukeria, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische

grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de

Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315

herbouwd en rom. kolonie.

Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht.

Lucianus, Loukianos, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij

was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk,

maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad

toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland,

Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne

voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk

vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de

studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm

van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een

duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al

zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het

verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en

zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van

overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de

menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en

cynici--hoewel hij met Demonax bevriend was--terwijl hij daarentegen,

hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicurus overhelt, met eerbied

spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel

van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk

ambt bekleedde.

Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.--2) = Daduchus.

Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diana, Aurora,

e. a.--2) vrouw van den Daduchus.

Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het

Z. van Latium (180-102), een vertrouwd vriend van Scipio Africanus

minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter,

voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons

de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd

hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn

werken over.--2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca

Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en

meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en

de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een

didactisch gedicht in hexameters.--3) Q. Lucilius Balbus, ook een

aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd

in zijn geschrift de natura deorum.--4) C. Lucilius Hirrus, ook wel,

maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf

in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar

den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar

werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius' dood werd

L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43

vluchtte hij naar S. Pompeius.

Lucina, bijnaam van Juno en Diana als godinnen, die bij de geboorte

behulpzaam zijn.

Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met

plebejische takken.--1) Sp. Lucretius Tricipitinus was senator

en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij

na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf

kort daarop.--2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van

L. Tarquinius Collatinus, eene vrouw van buitengewone schoonheid,

werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld

onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben

medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de

verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en

misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.--3)

Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee

eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitini voor,

ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus

(171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden,

tot een groote geldboete veroordeeld.--4) Q. Lucretius Ofella had

eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla's

komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82

den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum

vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd

te wezen.--5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf

om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen

wilde vallen.--6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla,

redenaar en rechtsgeleerde.--7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43

op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem

in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling

zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij

door Augustus tot consul benoemd.--8) T. Lucretius Carus (98-55),

schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin

de leer van Epicurus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst

heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en

door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld.

Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen

van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius.

Lucrinus (lacus), Lokrinos kolpos, N.W. inham der golf van Cumae op

de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was

beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding

van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in

den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te

vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen

de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met

dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te

Baiae leverde het meer een groot genot op.

Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21-26).

Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch

Lauchme.

Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van

steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1)

Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van

Ovetum, het tegenw. Oviedo.--2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans

Lugo.--3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus

(Rhône), in Gallia Narbonensis.--4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus

Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia.

Lucusta = Locusta.

Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters

of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.);

ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met

oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door

magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd,

omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van

een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht

had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus,

hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een

plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad,

die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop

dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen

waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het

verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd,

terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni

heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September,

dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio)

en van 15-18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden

er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld

aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September

voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder

begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius

Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen

theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten

scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De

ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds

sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling

in handen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 83 / 150 段