Libycum mare, Libykon pelagos, de zee langs de afrikaansche kust van

de Nijldelta tot aan Carthago.

Libyphoenices, Libyphoinikes, de gemengde libysch-phoenicische

bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.

Libyssa, Libyssa, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara),

met het grafmonument van Hannibal.

Lichas, Lichas, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanira het

vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was;

waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.--2)

zoon van Arcesilaus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne

gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als

gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid

van de Spartanen tegenover de Perzen.

Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi

Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd

zouden worden.

Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri

epulones, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii

no. 21); z. epulones.

Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar

zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus

(145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen

en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.

Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55),

waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex

Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.

Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius

Longinus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog

tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen

worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.

Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius

Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet

verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt,

dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn

aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et

perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen

tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.

Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo

en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit

de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt

getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Lateranus in 366 de

eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee

patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor

het laatst in 343.--2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri

publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.--3) de X viris sacrorum,

dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de

plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt

getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.--4) de aere alieno, dat het geleende

kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in

drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden

houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den

Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.

Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus,

Crassus, Damasippus, Lucullus, Murena, Nerva, Sacerdos, Varus

behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter

uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen

(493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus

en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.--2)

P. Licinius Calvus Esquilinus, de eerste plebejische tribunus

militum consulari potestate (400).--3) C. Licinius Calvus Stolo,

in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister

equitum.--4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377-367,

verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius

den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel

betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De

patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene

akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot

eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel

betrouwbaar, zie Agrariae leges.--5) C. Licinius Macer, redenaar

en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was,

van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales

geschreven.--6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar

en elegieëndichter bekend. (82-48). Hij was een vriend van Catullus

en een tegenstander van Cicero.--7) P. Licinius Crassus Dives werd

reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat

hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was

zeer ervaren in het ius pontificium.--8) P. Licinius Crassus, consul

in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia

verslagen.--9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens

legaat in 171, was zelf consul in 168.--10) C. Licinius Crassus,

volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd,

nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde,

zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals

tot nog toe gebruikelijk was.--11) P. Licinius Crassus Dives Mucianus,

een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der

grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood

op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen

kroonpretendent Aristonicus toegebracht. Hij was pontifex maximus.--12)

L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts

21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo

op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij

consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was

hij propraetor in Gallia Cisalpina. Hij stierf in 91, na nog in

het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero's werk de

oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.--12a) L. Licinius

Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.--13)

Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene

zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der

redekunst.--14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89,

bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield

in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog

werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87

vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.--15) M. Licinius

Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla

en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een

ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht

te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van

geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste

hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende

jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren

allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel

der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op

den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar

trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste

driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In

55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus

viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen

de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het

volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij

zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen,

werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk

afgemaakt (53).--16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15,

was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met

Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is

(zie Caecilii no. 27).--17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15,

een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij

sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en

zijne rechtschapenheid.--18) C. Licinius Mucianus, was onder Nero

en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van

Vespasianus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met

Domitianus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert

wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven

over hetgeen hij in het Oosten gezien had.--19) L. Licinius Damasippus,

onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij

was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius,

vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de

optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82)

liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.--20) Licinius

Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en

tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft

doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk

dezelfde.--21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een

der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).--22) L. Licinius

Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei,

die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij

genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug

te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius

Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.--23)

L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte

vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd

hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.--24)

L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla's quaestor in diens

veldtocht tegen Mithradates en commandant van de vloot in de Aegaeische

zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven

van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates

ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij

consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en

werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog,

terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel

kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus,

verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok

hierop (69) tegen Tigranes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot

van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke

overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates

publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had

genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius

in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de

soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame

Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs

geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven

vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele

anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers

van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In

zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog

beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen,

alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.--25)

M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro

tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Licinianus Varro, ook wel

M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii

no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia

en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een

vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet

de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken

voet.--26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder

de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als

aanhanger van Brutus en Cassius.--27) L. Licinius Murena, praetor in

156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door

hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146

Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.--28) P. Licinius

Murena, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd

tegen de partij van Marius.--29) L. Licinius Murena, ook een zoon van

no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer

Archelaus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten,

hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradates, doch

werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem

echter een triumftocht toegestaan.--30) L. Licinius Murena streed

eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen

Mithradates. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een

eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het

volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus

en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk

vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina's

saamgezworenen.--31) C. Licinius Murena, ook een zoon van no. 29, was

in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpina en liet de boden van

Catilina gevangen nemen.--32) A. Terentius Varro Murena, een geboren

Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In

hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23

liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecenas was, wegens

samenzwering ter dood brengen.--33) Een andere tak der Licinii waren de

Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia,

gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.--34) C. Licinius

Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africanus minor)

van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.--35)

C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als

propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid

onderscheiden.--36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is

C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.--37)

A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochia in Syria, zeer

bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam

Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht

van Heraclea (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog

ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias

rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich

het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.

Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308-324

n. C. Na den dood van Maximinus II Daia waren hij en zijn zwager

Constantinus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook

tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie

Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij

hoogverraad wilde plegen, te Thessalonice omgebracht (324).

Licinus, familienaam in de gens Porcia.

Lictores. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in

dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul

had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator

had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was,

hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren

van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort

waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten

ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden

ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een

roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één

voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in

de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het

was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met

iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.

Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.

Licymnius, Likymnios, zoon van Electryon, ging met zijn zwager

Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimede. Hij vergezelde

Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus,

met opzet of bij ongeluk, gedood.

Lide, Lide, berg in Caria, bij Pedasa.

Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de

burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius,

voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50

legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis

van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan

P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die

door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land

te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius

Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en

verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot

genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.

Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.

Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den

bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later

de Vandalen en Burgundi voortgekomen.

Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook

als maat het 1/4 deel van een cyathus.

Liguria, Ligystike, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus

Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures,

Ligyes, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het

Z. doorsneden door den Apenninus. Van omstreeks 240 tot op den tijd

van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14

werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.

Lilaea, Lilaia, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen

van den Cephisus.

Lilybaeum, Lilybaion, westelijke kaap van Sicilia, met eene

gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder

Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen

overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen

stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij

bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere

hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.

Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in

het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze

grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere

keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar

den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau

ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de

Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt;

dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot

zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder

een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van

de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau

eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven,

waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H.,

weer opgebouwd is.

Limnae, Limnai, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia,

met een tempel van Artemis Limnatis. Hier greep de aanleiding tot

den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door

spartaansche jongelingen onteerd werden.--Eene wijk in Athene en in

Sparta heette ook Limnae.--Ook een ionische stad op de W. kust van

de thracische Chersonesus.

Limnaea, Limnaia, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene

haven aan de Ambracische golf.

Limone = Elone.

Limonum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.

Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.

Limyra, ta Limyra, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus.

Lindus, Lindos, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus.

Lingones, Lingones, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het

tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van

den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot

het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematunum (Langres).

Linternum = Liternum.

Linus, Linos, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude

klaagliederen (linoi) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep ailinos

herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe;

hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed,

en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen

de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de

schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks

omstreeks de hondsdagen het feest arneis of kynophontis, waarbij

lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het

zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten

hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon

van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met

Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.--V. a. was hij

gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).

Lipara, Lipara, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische

eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.

Lipaxus, Lipaxos, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.

Lipomartyriou dike, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene

gedane belofte, niet als getuige verschenen is.

Lipsydrium, Leipsydrion, vesting aan den voet van het gebergte Parnes

in Attica, ten Z.W. van Decelea, door de Pisistratiden onder leiding

van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen

het Attische land te verlaten.

Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti,

die zich in de Adriatische zee stort.

Liris, Leiris, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich

met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius

taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en

Fregellae, waar hij den Tolerus (Trerus) opneemt.

Lissus, Lissos, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias,

bij Leontini.--2) rivier in Thracia, die bij Maronea in zee valt.--3)

stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracusae

gesticht, met eene onneembare acropolis.

Litae, Litai, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame

schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.

Litana silva, bergwoud op den Apenninus in Gallia Cispadana, ten

Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul

L. Postumius Albinus in 216 tegen de Galliërs.

Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken

als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch

ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F

(fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.

Liternum, Liternon, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten

Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of

Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust

de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op

het grondgebied van Capua. Scipio Africanus maior is hier in 183 als

balling gestorven en begraven.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 82 / 150 段