formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend
recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er
waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem,
per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De
geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde
macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van
het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak
bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces
verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen,
maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen;
later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2.
Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude
vormen onder formula.
Leitourgia, letourgia, z. Liturgia.
Leïtus, Leitos, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder
der Boeotiërs voor Troje.
Lelantius campus, Lelanton pedion, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen
Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een
twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte
heet naar de rivier, die er doorstroomt.--2) vlakte aan den mond van
den Euenus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.
Leleges, Leleges, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam,
verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze
treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te
hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens
zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden
der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In
historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus,
Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).
Lelex, Lelex, koning van Megara (Lelegeia moenia), Lacedaemon of
Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.
Lemannus (lacus), Lemanos limne, thans meer van Genève, door den
Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als
lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).
Lemnius, Lemnios, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland
Lemnus.
Lemnus, Lemnos, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij
groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen
Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus
neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór
den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord
(vandaar Lemnia erga); de Argonauten landden er en verwekten bij de
genoemde vrouwen de Minyers, Minyai, die later door de Pelasgen werden
verdreven. Naar dit eiland werd Philoctetes gebracht, toen hij door
zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darius I
werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2)
bevrijd. Het wordt dipolis geheeten naar zijne twee steden Myrina
en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof,
die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer
werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt.
Lemonum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadana, ten
Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.
Lemovices, stam in Gallia Transpadana in Aquitania, ten N. van de
Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum
(Limoges).
Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden
aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.
Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat
zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten,
die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks
middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige
plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te
houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen,
waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia
(z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan
van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook
van Remuria.
Lenaea, Lenaia, eig. Dionysia tapi Lenaio, feest ter eere van Dionysus
te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het
Attische jaar (Jan.-Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den
jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een
grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ex hamaxon), ieder
dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de
feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege
het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen
gegeven.
Lenaeus, Lenaios, bijnaam van Dionysus, naar het Lenaeum, zijn oudsten
tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn.
Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45-51.
Leo, Leon, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit
het geslacht der Agiden.--2) Spartaan, die eene volkplanting naar
Heraclea in Trachinië aanvoerde (426).--3) spartaansch bevelhebber
op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.--4)
bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen
de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van
de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden,
en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen
gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.--5)
van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de
regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn
toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van
Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne
medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij
zich van het leven beroofde.--Zijn werk over den oorlog tusschen zijn
vaderstad en Philippus is verloren gegaan.
Leobotes, Leobotes = Labotas.
Leochares, Leochares, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het
mausoleum van Halicarnassus werkte.
Leocorium, Leokorion, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters
van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het
land van de pest te bevrijden.
Leocrates, Leokrates, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den
slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij
Aegina aan de Atheners (457).
Leodamas, Leodamas, atheensch redenaar van naam, leerling van
Isocrates.
Leon, Leon, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de
Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.
Leonidas, Leonidas, -des, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta,
opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000
man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der
Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na
vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij
op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en
zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken
in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de
ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met
zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren,
en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De
Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs
sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van
L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan
hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.--2) L. II,
koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).--3) twee grieksche
epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn
opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus
van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer
Nero.--4) leermeester van Cicero's zoon te Athene.--5) van Anthedon,
schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphranor.
Leonnatus, Leonnatos, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus
van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich
vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad
der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij
zwaar gewond. Na Alex.'s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië,
toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater
te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).
Leonteus, Leonteus, 1) zoon van Coronus, vorst van Gyrtone, een
van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend
Polypoetes Aspendus gesticht hebben.--2) leerling en, evenals zijne
echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicurus.
Leontiades, Leontiades, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij
de Thermopylae.--2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als
polemarch de Cadmea den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe
door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.
Leontini, hoi Leontinoi, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van
het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek
(Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid
van Syracusae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en
werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog
vermeesterd en geplunderd.
Leontis, Leontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
door Clisthenes verdeeld werd.
Leontium, Leontion, stad in Achaia, in het binnenland.
Leoprepides, Leoprepides, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.
Leosthenes, Leosthenes, Athener, aanvoerder der Grieken in den
lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclea en sneuvelde bij
het beleg van Lamia.
Leotrophides, Leotrophides, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot
van Aristophanes.
Leotychides, Leotychides, Leut-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden,
ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demaratus,
en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de
aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later
van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte
hij naar Tegea (469), waar hij stierf.--2) zoon van Agis I of, naar
men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte
geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).
Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1-5.
Lepontii, Lepontioi, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een
gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere
Alpenvolken in 15 onderworpen.
Lepreum, Lepreon, oude stad in het elische gewest Triphylia.
Leptines, Leptines, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der
vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen,
later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij
sneuvelde in den slag bij Cronium (383).--2) tyran van Apollonia en
Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder
te leggen en ging naar Corinthe.--3) een aanzienlijk Athener, wiens
voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en
liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.
Leptis, Leptis, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische
kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het
was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer
Septimius Severus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs
gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het
aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.
Lerna, Lerne, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de
lernaeïsche slang doodde.
Lerus, Leros, klein eiland bij de carische kust, met een tempel
van Artemis.
Lesbonax, Lesbonax, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie
verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.--2)
grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje
peri schematon.
Lesbus, Lesbos, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische
bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arion (±
625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus,
een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanicus (± 450),
den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier
voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de
thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus,
die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus
hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede
echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht
beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische
rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn:
Mytilene en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.
Lesches, Lesches, van Mytilene, een van de cyclici omstreeks het
midden der 7de eeuw, dichter der Ilias mikra.
Lethe, Lethe, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der
afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.
Leto, Leto, Latona, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht
der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van
Artemis en Apollo.--V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds
met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de
jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee
laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van
den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.--Zij is eene
zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst
is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.
Letrini, Letrinoi, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en
Olympia. Z. Alpheus.
Leuaci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij
het tegenw. Leuven.
Leuca, ta Leuka, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het
promunturium Iapygium.
Leucadia = Leucas.
Leucae, Leukai, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en
Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Mucianus
(Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonicus
verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de
Spartanen verwoest.
Leucas of Leucadia, Leukas, Leukadia, eiland in de Ionische zee,
thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing
het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs
groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den
top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee
storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van
boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en
vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad
Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad
van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas
voor het Homerische Ithaca.
Leucasia = Leucosia.
Leuce, Leuke akte, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee
v. Marmara).--2) = Achillis insula.--3) voorgebergte in het Z. van
Euboea, ten W. van Geraestus.
Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het
latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).
Leucimma, Leukimme, een der beide zuidkapen van het eiland Corcyra
(Corfu).
Leuci montes, Leuka ore, bergketen in het W. van Creta.
Leucippe, Leukippe, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van
Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.--2) eene van de Minyades
(z. a.).--3) dochter van Thestor (z. a.).--4) v. s. gemalin van Ilus,
moeder van Laomedon.
Leucippides, Leukippides, Phoebe en Hilaira, dochters van Leucippus,
z. Apharetidae.
Leucippus, Leukippos, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf
Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong,
werd hij door hare gezellinnen gedood.--2) zoon van Perieres, koning
van Messenië, vader van Phoebe, Hilaira en Arsinoë.--3) van Abdera,
Miletus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger
der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder
ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen
zijn niet bekend.
Leuconium, Leukonion, stad in het Z. van Chios.
Leucopetra, Leukopetra, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten
Z. van Rhegium.
Leucophrys, Leukophrys, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia,
met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet,
doch drinkbaar water.
Leucosia, Leukosia, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de
Westkust van Lucania.
Leucosyri, Leukosyroi, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de
Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór
de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen
aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze
kust bezetten, noemden zij de bevolking Assyrioi, verkort Syrioi of
Syroi, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De
eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot
onderscheiding de naam van blanke Syriërs.
Leucothea, Leukothea = Ino.
Leucothoë, Leukothoe, dochter van den babylonischen koning
Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder
toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij
haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.
Leuctra, ta Leuktra, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier
versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.--2) stad aan de W. kust
van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.--3) stad in Arcadia op
de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.
Leuctrum = Leuctra no. 3.
Levaci = Leuaci.
Levana, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader
zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf,
dat hij het als het zijne erkende.
Lexiarchikon grammateion, z. Demos.
Lexiarchoi, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde
zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of
te vroeg wegging.
Lexovii, Lexobioi, volksstam in Gallia in het
tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.
Libanius, Libanios, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene
en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar
hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel
leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders
kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde
hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te
Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar
hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iulianus, die
zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde,
was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch
geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de
geschiedenis van zijn tijd.
Libanus, Libanos, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte
langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw
bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de
beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door
het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten
O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus.
Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was
van koper.
Libentina, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.
Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter,
evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt
ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter
zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in
493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god
van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder
is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden
te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten
gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst
met die van Dionysus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar
aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke
en staatkundige vrijheid; zie Liberalia.
Libera, 1) z. Liber.--2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van
Dionysus of Liber.
Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en
zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze
feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken,
waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene
groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te
Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam
droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen
waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera
aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum
begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en
deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.
Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus
(Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventinus
(238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid,
de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een
heiligdom op de area van Cicero's huis (58).
Libertinus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus,
-na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus
is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi
heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun
patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie
over de vrijlating zelve manumissio.
Libethra, ta L(e)ibethra, stad in het macedonische gewest Piëria, aan
den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest
te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden
voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: amousoteros ton Libethrion.
Libethrides, L(e)ibethrides, de Muzen, zoo genoemd naar den berg
Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.
Libethrius mons, L(e)ibethrion oros, berg in Boeotia, een gedeelte
van den Helicon, bij Coronea, met een grot en bronnen, aan de Muzen
en de libethrische nymfen gewijd.
Libicii = Lebecii.
Libitina, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius
Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een
geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te
kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle
benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden,
en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men
er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden
werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of
dood.--Later verwarde men haar met Lubentia of Libentina, een bijnaam
van Venus, die in haar lucus een aedes had.
Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia
(ongeveer 468-456).--2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia
(z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia,
de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9).
Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram
de weegschaal hield.
Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders,
waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren
uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor
een gedeelte hunner oorlogsvloot.
Liburnia, Libournia, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland
tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De
bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte
schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176
zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne
vloot zeer te stade kwam.
Libya, Libye, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder
van Agenor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.
Libya, Libye, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het
aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land
ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der
Libyes woonde.
Libyci montes, to Libykon oros, het westelijke grensgebergte van
Aegypte.