Laomedontiades, Laomedontiades, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden

ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.

Lapathus, Lapathos, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een

ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het

dal Tempe.

Laphystius, Laphystios, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg

in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden,

z. Athamas.

Laphystius, Laphystios, berg in Boeotia, tusschen Lebadea en Coronea,

met een tempel van Zeus Laphystius.

Lapidei campi, zie campi lapidei.

Lapis quadratus = Opus quadratum.

Lapithae, Lapithai, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes,

zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs

beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid

en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met

de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen

Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot

van Aegimius, verslagen.

Laquear = lacunar.

Lara = Larunda.

Laranda, ta Laranda, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in

het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.

Lararium, zie Lares.

T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2.

Larentia, zie Acca Larentia.

Larentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca

Larentia.

Lares, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden

aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar,

waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel

ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een

altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk

huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt,

en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares

(domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later

bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang

van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden

gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen

hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard,

waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer

voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae,

Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige

gezinnen zelfs elken dag.--Maar niet alleen ieder huis en ieder

compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares,

die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder

deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den

geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales,

militares, enz.

Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen,

gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen

van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men

annona. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie

men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van

omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices

in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.

Larinum, Larinon, stad der Frentani in Samnium, rom. municipium. De

inwoners heeten Frentani Larinates.

Lari(s)sa, Larissa, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap

Pelasgiotis, aan den Peneus. Hier behoorde het vorstengeslacht der

Aleuaden te huis.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis,

tegen een berg gebouwd en vandaar kremaste, het hangende, genoemd.--3)

naam van den burg der stad Argos.--4) zeestad aan de W.-kust van Troas,

in de perzische oorlogen verwoest.--5) stad in aziatisch Aeolis, met

den bijnaam Phriconis, Phrikonis of Aigyptia.--6) stad in Lydia,

aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.--7) stad in Assyria,

ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris,

met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de

onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed;

z. Ninus.--Dichterlijk Larissaeus = thessalisch.

Larisus, Larisos, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.

Larius lacus, limne he Larios, vischrijk Alpenmeer, door den Addua

(Adda) gevormd, thans meer van Como.

Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2.

Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius

Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal

voor.--2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd

door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was,

volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in

501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij

steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden.

Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en

Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees

hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen

geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.--Zij schijnt

eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op

de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen.

Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf

voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis

in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende

spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne

verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten;

z. Lemures.

Larymna, Larymna, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust

der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.

Las, Las, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam

Lapersai, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk

ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters

van de stad Las.

Lasaea, Lasaia, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.

Lasio, Lasion, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon

gelegen.

Lasthenes, Lasthenes, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne

vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).

Lasus, Lasos, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen

tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne

dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het

eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij

schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte

v. s. Pindarus daarin.

Latericium (opus), z. Opus.

Latiaris, Latialis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het

latijnsche stedenverbond.

Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager

publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte,

slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de

kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in

bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld

en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal

familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog

in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms

grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia

perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.

Latina (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus,

verder langs Ferentinum, Fregellae en Casinum naar Campania, waar

hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één

van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende

oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der

Aequi en Volsci te beschermen.

Latini, inwoners van Latium (z. a.).

Latini, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2.

Latini Iuniani, zie lex Iunia Norbana.

Latinum (nomen), zie Latium.

Latinus, zoon van Faunus en Marica of van Odysseus en Circe, van

Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs,

koning van Latium, die Aeneas gastvrij ontving, hem land afstond om

eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.

Latium, he Latine, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium

vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het

gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude

tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan

Tarracina, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het

N. door den ager Sabinus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de

Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren,

behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste,

Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden

vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het

hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van

Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond

met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den

oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met

Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij

den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw

(zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan

de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele

Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den

loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici

en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan

Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in

den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te

hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte

de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen

eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met

elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar

gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij

Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine

suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke

socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de

bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den

naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers

worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk

recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend

(zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden,

mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.

Latmus, Latmos, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van

Selene en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de

sinus Latmicus, ho Latmikos kolpos, uit, aan welks ingang Miletus lag,

doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is

verdwenen. Latmius venator = Endymion.

Latobrigi, (Latovici), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie

zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.

Latoides, Letoïdes, Apollo, zoon van Leto.

Latois, Letois, Artemis, dochter van Leto.

Latona = Leto.

Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.

Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord

werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel

of met ons belegeringsspel.

Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche

handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning

Latinus plaatst, die tijdens Aeneas' komst in Latium heerschte. Niet

ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia,

dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen

vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium.

Lauretanus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia

en Cosa.

Lauriacum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de

Donauvloot.

Laurium, Laurion, -reion, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke

zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van

Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten

werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.

Lauron, Lauron, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten

Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door

Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te

ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den

slag bij Munda.

Laus, Laos, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene

gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad

in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii

daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna.

Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpina,

ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in

89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.

Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen

in den strijd tegen Aeneas om.--Een andere Lausus wordt genoemd als

zoon van den albaanschen koning Numitor.

Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracina en

Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.

Lautumiae, Latomiai, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.),

waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin

werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van

Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en

alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er

een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik

was.--2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd,

wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag

aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk

ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de

nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium

(macellum).--3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens

latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter

lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.

Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche

goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had

een altaar bij de Porta Lavernalis.

Lavicana (via). Deze liep van Rome langs Labicum en sloot zich verderop

aan de via Latina aan.

Lavicum = Labicum.

Lavinia, dochter van Latinus en Amata. Ofschoon zij verloofd was met

Turnus, werd zij aan Aeneas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië

aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus

en Aeneas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.--V. a. was

zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling

geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon,

Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium

is naar haar genoemd.

Lavinium, zie Laurentum.

Lavinius, Labinios, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van

den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in

deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius

en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2.

Lazae, Lazi, Lazai, Lazoi, roofzieke volksstam in Colchis.

Leaena, Leaina, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van

Harmodius en Aristogiton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank

gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis

richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.

Leager, Leagros, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het

hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later

Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te

ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de

Thraciërs overvallen en gedood (465).

Leander, Leandros, een jongeling van Abydus, die iederen nacht

over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die

priesteres van Aphrodite te Sestus was. Om hem den weg te wijzen,

ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in

een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in

de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk

zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.

Learchus, Learchos, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn

vader gedood.

Lebadea, Lebadeia, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van

Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel

van Trophonius.

Lebaea, Lebaia, oude stad ergens in het N. van Macedonia.

Lebecii, Lebekisi, volksstam in Gallia Transpadana, met de hoofdstad

Vercellae.

Lebedus, Lebedos, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon,

eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners

naar Ephesus overbracht.

Leben, Leben, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.

Lebethrum, -thra, Leibethron, = Libethra.

Lebinthus, Lebinthos, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der

Cycladen.

Lechaeum, Lechaion, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf,

door een dubbelen muur met de stad verbonden.

Lectio senatus, zie Senatus.

Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden,

wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of,

wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd,

uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium.

Lectum, Lekton, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van

het Idageb.

Lecythus, Lekythos, kleine vesting op het chalcidische schiereiland

Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners

vermeesterd.

Leda, Leda, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde

haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist

hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter

wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren

te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de

Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere

twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren

zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.

Ledon, Ledon, plaats in Phocis, aan den Cephisus.

Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die

om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls

van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen

en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat

aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat

hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot

opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van

een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in,

den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.

Legatus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats

onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen

3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den

senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch

van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde

in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van

afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der

legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel

echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen

met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en

dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar

de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of

Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den

rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder

kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van

legatus legionis. Dit was een praetorius.

Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche

krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter

werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde

troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone

sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het

voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die

ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen

10 manipels hastati en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10

manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites

waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio).

front

+==============+

/ | centuria | \

/ | prior | \

/ | 6 × 10 hast. | \

/ | 2 × 10 vel. | \

manipulus +==============+ rechtervleugel

\ | centuria | /

\ | posterior | /

\ | 6 × 10 hast. | /

\ | 6 × 10 vel. | /

+==============+

Opstelling van een legioen.

De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld,

op deze wijze:

de 10 manipels hastati | | | | | | | | | |

de 10 manipels principes | | | | | | | | |

de 10 manipels triarii | | | | | | | | | |

Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati

en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag

bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in

10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten

in den slag was deze:

front

+======+ +======+ +======+ +======+

| | | | | | | | 1e linie,

+======+ +======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+

| | | | | | 2e linie,

+======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+

| | | | | | reserve.

+======+ +======+ +======+

Opstelling van cohorten.

De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae;

doch allengs verdween

de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie

ook castra.

Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van

de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45,

Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg

terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud

onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór

Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de

geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en

namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers

dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele

cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude

nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca,

III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica,

VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana,

X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV

Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en

XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana,

samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33,

onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel

geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 80 / 150 段