Kleter, kletor, in een proces de getuige, die bij de dagvaarding

(prosklesis) van den aangeklaagde tegenwoordig geweest is, en bevestigt

dat die dagvaarding in den behoorlijken vorm heeft plaats gehad.

Koine, he koine dialektos, gemeen grieksch, de taal, die sedert

Alexander algemeen in Griekenland en het Oosten gesproken werd, en

waarin ook de meeste boeken van het Nieuwe Testament en de Septuaginta

(z. a.) geschreven zijn.

Kolakretai, oorspronkelijk zij, die bij groote offerfeesten van

het vleesch der offerdieren een openbaren maaltijd bezorgden, later

ambtenaars bij het financiewezen. Clisthenes beperkte hun werkkring,

en in 410 zijn zij afgeschaft; in hun plaats traden de apodektai.

Korynephoroi, eigenlijk knotsdragers; te Sicyon lijfeigenen van

denzelfden oorsprong en in denzelfden toestand als de spartaansche

heloten.

Kosmoi, tien magistraten op Creta, wier bevoegdheden overeenkwamen

met die der spartaansche ephoren. Een van hen, de protokosmos, gaf

zijn naam aan het jaar.

Koureotis, de derde dag der Apaturia.

Kriou metopon, 1) Z.W.-kaap van Creta.--2) Z. kaap der Chersonesus

Taurica (Krim).

Krypteia, soms beschouwd als eene jacht op heloten, die van staatswege

aan de spartaansche jongelingen werd opgedragen; inderdaad eene

oefening als voorbereiding tot den krijgsdienst, waarbij de jonge

burgers het land in alle richtingen doorkruisten, vooral op de

bewegingen der heloten acht gaven, en hen bij ieder vergrijp of bij

de minste verdachte handeling terstond doodden.

Kyrbeis, z. Axones.

Kyria ekklesia, z. ekklesia.

Kyrios, degene, die over iemand of iets te beschikken heeft, in het

bizonder degene, die een ander in rechten of in zijne betrekkingen

tot vreemden vertegenwoordigt, zooals de vader of voogd voor onmondige

kinderen, de man voor zijne vrouw, enz.

L.

Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den

Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel

met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van

een kruis.

Labda, Labda, dochter van Amphion, moeder van Cypselus.

Labdacidae, Labdakidai, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus:

Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynices.

Labdacus, Labdakos, zoon van Polydorus en Nycteis, koning van

Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij

van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.

Labeates, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).

Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27).

Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid

Dec. Laberius is (105-43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In

weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op

te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van

beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden

spot in een proloog, die nog bestaat.

Labicum, Labici, Labikon, oude stad van Latium, die zich met de Aequi

verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver

van Tusculum aan de via Labicana.

Labiena (lex), zie Attia (lex).

Labieni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia

(lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste

legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte,

ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag

bij Pharsalus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag

van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.--2)

Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius

naar den parthischen koning Orodes gezonden om hulp te vragen. Op het

bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan

het parthische hof, en viel met Orodes' zoon Pacorus aan het hoofd

van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch

werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door

de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van

Ventidius werd omgebracht.--3) Labienus, die tijdens Sulla een

werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden,

werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en

bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den

dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is,

vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.--4)

T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein

tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen

hem spottend Rabienus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner

geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.

Labotas, Labotas, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995-958; in

zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.--2) spartaansch

harmost in het thessalische Heraclea, 409.

Labranda, ta Labranda, Labraunda, vlek in Caria ten N. van de stad

Mylasa, met een tempel van Zeus.

Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik,

vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.

Labynetus, Labynetos, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen

Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als

Nebucadnezar.--2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538

door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.

Labyrinthus, labyrinthos, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld

stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg

er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de

aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë

liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer),

v. a. afgeleid van labrys, de dubbele bijl, een heilig symbool,

dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het

aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de

12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de

helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op

Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten

aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsena van Clusium wordt

een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot

verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van

lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit

bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta

er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus

door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot

het ontstaan van de sage.

Lacedaemon, Lakedaimon = Sparta.

Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten

en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het

hoofd trok.

Lacetani, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een

bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.

Lachares, Lachares, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus

als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens

dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de

gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan

Demetrius Poliorcetes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij

te Coronea vermoord.

Laches, Laches, Athener, zoon van Melanopus, bevelvoerder van de vloot,

die in 427 naar Leontini gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen

en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als

hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van

Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinea (418). Een gesprek van

Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.

Lachesis, Lachesis, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae,

in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij 's menschen

lot aanwijst.

Laciadae, Lakiadai, demus in Attica, ten W. van Athene.

Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het

voorgebergte Lacinium.

Lacinium promunturium, Lakinion akron, kaap in Z. Italia, bij Croton,

met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.

Lacmon of Lacmus, Lakmon, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.

Laconica, Lakonike, Z.O. gewest der Peloponnesus, het land der

Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De

bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiatae of Spartani,

de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het

volledige burgerrecht bezaten,--de Lacedaemonii of Perioeci, die

van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier

handen nijverheid en handel waren,--de Helotes, die servi publici

waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis

der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden,

uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder

recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de

5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch

waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische

wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche

staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er

bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere

eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den

staat, de gemeenschappelijke maaltijden of syssitia, de wetten tegen

weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor

en Pollux.

Laconicum, z. balneum.

Lactantius Cae(ci)lius Firmianus, uit Africa, leerling van

Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar

Nicomedea. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog

te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius

werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was;

zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke

kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus

genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke

geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in

het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.

Lacunar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden,

zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper

liggende vakken tusschen de balken.

Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen

om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt

ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die

met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius

op het forum te Rome (zie Curtii no. 2).

Lacydes, Lakydes, van Cyrene, opvolger van Arcesilaus als hoofd der

platonische school (241-215).

Lade, Lade, eilandje bij Miletus, dat den ingang der haven

dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal

verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad

het niet uithouden.

Ladon, Ladon, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.

Ladon, Ladon, naam van twee rivieren in de Peloponnesus. De grootste

ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in

den Alpheus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Peneus.

Laeëtani, Leetanoi, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust,

met de hoofdst. Barcino (Barcelona).

Laelaps, Lailaps, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo.

Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1)

C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africanus maior, vergezelde

dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een

werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij

Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed

vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en

groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk

karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van

Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190

was Laelius consul.--2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend

van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne

geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde

Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in

de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed

hij in 145 voorspoedig tegen Viriathus in Lusitania. Als consul wilde

hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen,

maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen

hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche

beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man,

dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.--3) Laelia,

twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.--4)

D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager

van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en

Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius

en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder

Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).

Laena, chlaina, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan

vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen

werd.

Laenas, familienaam in de gens Popilia.

Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus,

rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was,

gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.

Laërtes, Laertes, zoon van Arcisius en Chalcomedusa, vader van

Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische

jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na

zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athena verjongd,

zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.

Laërtiades, Laertiades, Odysseus, zoon van Laërtes.

Laespodias, Laispodias, atheensch veldheer in den peloponnesischen

oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.

Laestrygones, Laistrygones, mythisch volk van menscheneters, in het

verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij

Leontini op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam,

regeerde er Antiphates (z.a.).

Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius

voorkomen.

Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadana, aan den Ticinus, met

de stad Ticinum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.

Laevinus, familienaam in de gens Valeria.

Lagus, Lagos, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der

Lagiden genoemd is.

Laïades, Laïades, Oedipus, zoon van Laïus.

Lais, Laïs, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd;

Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.--2) van Hyccara,

dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en

Hyperides haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde,

vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.

Laïus, Laios, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn

jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnesus en kon eerst na

den dood van Amphion en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was

gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel

voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze

daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het

op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet,

het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte

met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus.

Laletani = Laeëtani.

Lamachus, Lamachos, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den

peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed,

ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437

verdreef hij den tyran Timasilaus uit Sinope. Hij was een van de

onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met

Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om

onmiddellijk Syracusae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij

sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.

Lamia, Lamia, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit

jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien

tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd

haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.--De naam komt ook in

het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen

en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun

vleesch opeten.

Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6.

Lamia, Lamia, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend

door den lamischen oorlog (323).

Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van

Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te

ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor

een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche

staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes,

een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem

in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclea en werd in de

vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en

Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag

bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater

slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden,

werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten;

Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische

redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De

Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig

wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.

Lampadedromia, lampadephoria, lampas, lampados agon, fakkelwedloop,

te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die

soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar

was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten

uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.

Lampetia, Lampetie, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar

vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door

de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.

Lampon, Lampon, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters

dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie,

die Thurii stichtte (444).

Lamponium, Lamponion, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook

Lamponia genoemd.

Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische

bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij

den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collina.

Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C.,

een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der

keizers Commodus, Diadumenianus (het zoontje van Opellius Macrinus),

Heliogabalus en Alexander Severus.

Lamprus, Lampros, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van

Sophocles en Socrates.

Lampsacus, Lampsakos, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa

geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan

Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de

eeredienst gevestigd van Priapus, den god der tuinen, die door

Aphrodite te Lampsacus ter wereld was gebracht.

Lamptrae, Lamptrai, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van

Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.

Lamus, Lamos, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch

stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).

Lamus, Lamos, riv. en stad in Cilicia.

Lancia, Lankia, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.

Langobardi, zie Longobardi.

Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde.

Lanuvium, Lanouion, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen

berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na

den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft,

geboorteplaats van Antoninus Pius, met een beroemden tempel van

Juno Sospita.

Laocoon, Laokoon, zoon van Antenor of broeder van Anchises, priester

van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon

een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen

verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf

voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen

den wil van dien god getrouwd was, of Athena wreekte zich op deze

wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten

houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen

had.--De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich

in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische

beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus, die waarschijnlijk

niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde,

maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden.

Laodamas, Laodamas, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den

oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij

leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot

van zijn leger naar Illyrië.--2) zoon van Antenor, door Aiax no. 2

gedood.--3) zoon van Alcinous.

Laodamia, Laodameia, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van

Sarpedon, door Artemis gedood.--2) dochter van Acastus, gehuwd met

Protesilaus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij

de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten

terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd,

die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.

Laodice, Laodike, 1) eene nimf, bij Phoroneus moeder van Niobe en

Apis.--2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicaon, zoon

van Antenor.--V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus,

en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een

rots of werd zij door de aarde verzwolgen.--3) = Electra no. 4.--4)

moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele

vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de

gemalin van Antiochus II (z. a.).

Laodicea, Laodikeia, naam van verschillende steden, door Seleucus I

naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, he epi te thalatte,

bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochia, onder

de rom. keizers kolonie met het ius italicum.--2) L. ad Libanum,

he pros Libano, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig

voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.--3) L. ad Lycum,

he pros to Lyko, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij

Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.--4) L. combusta,

he katakekaumene, in Lycaonia.

Laomedon, Laomedon, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij

omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en

Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus;

z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden

het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster

dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen,

zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden,

toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend,

in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor

Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymedes) zoude

geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook

thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam

later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al

zijne zonen, behalve Podarces.--2) van Mytilene, door Philippus van

Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij

vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over

de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij

echter in 320 door Nicanor verjaagd werd.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 79 / 150 段