vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der
eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie
echter tribuni plebis en secessio.--2) Dec. Iunius Brutus Scaeva,
consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestini in Samnium. De
berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.--3)
C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312
magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309
van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen
Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus
(z. Fabii no. 24).--4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul
138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs
(in Portugal) (138-137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van
de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed
redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.--5) D. Iunius
Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilina's vriendin Sempronia.--6)
D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia,
waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In
den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot
stadhouder van Gallia Cisalpina benoemd. Toch sloot hij zich bij de
samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars
dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een
oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octavianus
ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van
Brutus' troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd
onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen
genomen en op last van Antonius omgebracht.--7) M. Iunius Brutus,
rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.--8)
M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde
als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te
zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog
was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen
Pompeius. Na Sulla's dood sloot hij zich bij den oproerigen consul
M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord,
77.--9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar
hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was,
zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van
Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en
van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den
burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij
Pharsalus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder
wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief
kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem
het stadhouderschap over Gallia Cisalpina, waarvan Brutus zich met
onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne
geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae
disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de
claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op,
waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen
liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener,
niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood
de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus
zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog
in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen
M. Antonius en Octavianus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus
naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was
toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde
(zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder
C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren
tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te
versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats
(herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In
den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op
Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd
ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie
ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato's dochter, liet zich
op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste
fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over
wijsbegeerte en redekunst geschreven.--10) M. Iunius Gracchanus,
vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te
danken had, schrijver van een boek de potestatibus.--11) M. Iunius
Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis,
tegenstander der Gracchen.--12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor
zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van
Sicilia.--13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij
Cannae.--14) M. Iunius Silanus ging in 211 met Scipio (later Africanus
maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen
op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen
de Bojers.--15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius
Torquatus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen
schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen,
verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het
onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en
verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).--16)
M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia
geheel verslagen.--17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9,
consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor
veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie
Iunia Licinia (lex).--18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood
de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij
was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn
naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.--19) M. Iunius
Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van 's keizers
slachtoffers.--20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter,
werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero's
achterdocht (65).--21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was
onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem
den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan
meer ten deel viel. Hij was een oom van Seianus en verloor na diens
val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte
zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen
was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten,
werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.--22) L. Iunius
Arulenus Rusticus werd door Domitianus ter dood veroordeeld, omdat hij
in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius
Priscus.--23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van
Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had
laten omkoopen (74).--24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk
verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.--25)
Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2.
Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regina), later zuster en
gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat
(Quiritis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd
(Capitolina). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in
alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij
het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij
het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare
talrijke bijnamen, als: Virginalis, Matronalis, Iugalis, Pronuba,
Lucina e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man
zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart
(Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina);
de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als
Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd,
die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien,
enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin
des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter
van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer
uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze.
Iunonis promunturium, to tes Heras akroterion, naam van twee kapen,
de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere
aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd.
Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de
goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt
over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter,
Serenus, Fulgur, later Fulminator, Tonitrualis, Pluvius), en op aarde
het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche
betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door
wonderteekenen (Prodigialis) en orakels openbaart. Voornamelijk is
hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservator, Custos),
dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers
hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en
tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno
en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolinus), waar hij
door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden
aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten
strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem
zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde
spolia opima wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de
god van het latijnsch verbond geweest (Latiaris), en werd hij later
in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per
confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter
eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni
en Plebei, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia
(z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn
hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten
van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.--Als
hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus
en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den
brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat
van Zeus te Olympia.
Iura (mons), Ioras, Iourassos, Iourasios, thans Jura, tusschen de
Sequani en de Helvetii.
Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren,
zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der
republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles
hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten
worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze
vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de
plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven
inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en
hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte
aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen
hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn,
terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de
rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren
nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden
bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren
te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam
raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden,
als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook
gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden
of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti
in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze
rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond
op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam
in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het
strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen,
meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende
aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die
betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met
bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die
een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti
niet het geval was.
Iüs, zie Ios.
Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio
(in).
Ius Aelianum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200),
over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en
verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich
te houden had. Z. Aelii no. 1.
Ius civile is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen
burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile
Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het
rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk
recht omvat.
Ius Flavianum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling
van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in
rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2.
Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens
erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene
geene heredes sui en geene agnaten had.
Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale
recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque
custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk
evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing
brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het
onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten,
dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen,
en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen,
die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel
ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het
Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis.
Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en
priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des
volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer
uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur.
Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de
edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter
opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de
fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij
zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten,
totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene
stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke
wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res
mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et
libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het
ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan
vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene
res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel,
doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio,
dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus
achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende
het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook
onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een
voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere
ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon
dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe,
het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan
door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium
kon worden.
Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten
hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd,
maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en
in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder
elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld
waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn
gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor
het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen.
Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in
quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen
aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem
werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen
ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij
anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum
zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden:
als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet
het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad,
daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het
rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de
vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan
koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius
coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven.
Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini
beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare
inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht
erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium
maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het
rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in
die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken
senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door
de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg,
en in 89 Gallia Cispadana door de lex Pompeia, en Transpadana in
49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië,
doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als
een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van
civis. Zie ook lex Iunia Norbana.
Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar
8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten
aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij
vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij,
indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum
een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van
lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius
liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen.
Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium.
Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd
uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst
betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus
v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend
is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1.
Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die
den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri
pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin.
Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door
krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij
zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner
vroegere rechten.
Ius praetorium = ius honorarium.
Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de
staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius
Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit
niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door
de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk
nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht
als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die
rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan
een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht,
conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt,
gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen.
Ius sacrum, zie ius pontificium.
Iustina, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentinianus I
(364-375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig
zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratianus
tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar.
Iustinus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit
de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht,
meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk
is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel
geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.--2) Justinus
Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging
later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in
165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en
andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden,
zijn niet van hem.
Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare
aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene
verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene
stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een
iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen
in de keizerlijke familie.
Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant
met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in
de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia.
Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium
bij de rivier de Numicus, waarvan het water genezende kracht had en
te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk
haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd
zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den
strijd tegen Aeneas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet
verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den
11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden
van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den
tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de
opgravingen van 1900-1902 weer te voorschijn gekomen.
Iuvavum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke
stad in Noricum.
Iuvenalis (D. Iunius), geboren te Aquinum in Latium, genoot eene
rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de
regeering van Traianus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren
spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet
zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een
verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus
in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen
leeftijd gestorven zijn.
Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of
330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken
een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt.
Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna,
in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat
bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op
het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.--2)
P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen,
en sneuvelde (149).--3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne
candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde
hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten
van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van
stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius,
aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat
van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en
bracht toen zichzelf om het leven.--4) schrijver van fabulae palliatae
(2de eeuw).--5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden,
vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasianus, de tweede onder
Domitianus, Nerva, Traianus en Hadrianus.
Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland).
Ixion, Ixion, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij
was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone
bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte
hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen,
maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der
goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus
hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in
de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen
hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus
hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat
altijd ronddraait.
Ixionides, Ixionides, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixion.
Iynx, Iynx, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus
had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar
in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te
wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder
het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iason zou dit middel
van Aphrodite geleerd en daarmede het hart van Medea gewonnen hebben.
K.
Kakosis goneon, orphanon, etc., slechte behandeling van ouders,
familieleden, echtgenooten, pupillen, enz., mishandeling, onthouding
van onderstand en dgl. Wie zich hieraan schuldig maakte, konde door
eisangelia of apagoge voor den archont gebracht worden; de straf werd
naar omstandigheden bepaald, op k. goneon stond atimie.
Kakotechnion dike, aanklacht wegens bedrog of valschheid, vooral in
rechtszaken, in het bijzonder knoeierij met getuigen.
Kalendae = Calendae.
Karchedon = Carthago.
Karthago = Carthago.
Katakekaumene (sc. chora), het O. deel van Lydia, aldus genoemd,
omdat de bodem van vulkanischen aard was, asphalt en lava bevatte en
hierdoor zwart van kleur was, alsof de grond verbrand was.
Kataklesia = katakletos ekklesia, zie ekklesia.
Katalogos, lijst van burgers, die met uitsluiting van anderen een
of ander recht of verplichting hebben. In het bizonder de lijst,
waarop aangeteekend was in hoever zij tot den krijgsdienst verplicht
waren, welke verplichting verschillend was naar verhouding van het
vermogen. Het vervullen van den dienstplicht door hen, die op deze
lijst stonden, heet ek katalogou strateuein; armere burgers, die er
niet op stonden, werden alleen in buitengewone gevallen opgeroepen.
Katalysis tou demou, omverwerping der democratie of de poging daartoe,
werd langs den weg der eisangelia voor de rechtbank der thesmotheten
gebracht en naar goedvinden der rechters bestraft, waarschijnlijk
meestal met den dood.
Katoikoi, z. Cleruchia, aan het slot.
Keadas of kaiadas, afgrond in den Taygetus, ten W. van Sparta, met
bijna loodrechte wanden. Ter dood veroordeelden werden hierin geworpen,
o. a. Aristomenes, de held van den tweeden messenischen oorlog.
Keres, (ook in het enkelvoud), godinnen van den gewelddadigen dood,
vooral op het slagveld, waar zij tot het gevolg van Ares behooren. Zij
worden dochters van Nyx, zusters van Morus en Thanatus genoemd. Later
kregen zij de beteekenis van straffende en wrekende godinnen en meer
algemeen van eene personificatie van al wat het leven vernietigt,
ziekte, kommer, enz.
Kerkyra, Kerkyra = Corcyra.
Keryx, heraut, iemand die een koning, ambtenaar of priester bij
zijne ambtsverrichtingen ter zijde staat, officiëele bekendmakingen
en aankondigingen heeft te doen, enz. De herauten werden als heilig
en onschendbaar beschouwd en genoten groot aanzien. In de familie
der Kerykes te Athene (z. Ceryx) waren verscheiden priesterlijke
waardigheden erfelijk, o. a. die van den keryx of hierokeryx bij de
eleusinische mysteriën.
Klarotai, aphamiotai, lijfeigenen op Creta, waren in denzelfden
toestand als de spartaansche heloten.
Klerouchia, z. Cleruchia, z. ook apoikia.