Ithaca, Ithake, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden,
het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia
en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden
het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.
Ithome, Ithome, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne
zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog
tegen Sparta (743-724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang
verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad
Messene aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van
Corinthus werden de beide horens, kerata, van de Peloponnesus genoemd.
Itius portus, to Ition, havenstad der Morini in Gallia, van waar Caesar
naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch
met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).
Iton of Itonus, Iton, Itonos, oude stad in het midden van het
thessalische landschap Phthiotis, met een beroemden tempel van Athena.
Ituraea, Itouraia, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea
of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren
woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea
aan het gebied van Herodes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het
bij Syria in.
Ityca, Ityke = Utica.
Itylus, Itylos, zoon van Zethus en Aedon (z. a.), die door zijne
moeder bij vergissing gedood werd.
Itys, Itys, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder
en tante gedood werd.
Iuba, Iobas, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste
een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla
gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door
Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van
zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals;
toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij
versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de
nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem
tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te
laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba,
nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene
zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam
had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus
gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het
latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania
(M. Tingitana) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selene
(zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd
door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol,
dat hij verdoopte in Caesarea (z. a. no. 6).
Iudaea, Ioudaia, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee,
ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen
naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie
verder Palaestina.
Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen
voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak,
onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album
vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing
was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had
(zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast,
d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht
bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De
vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden
door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium,
werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter,
òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters,
iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene
bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was
voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer
zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden
dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd
opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een
consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te
staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de
beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.
De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze
quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en
voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op
aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier
vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid
van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede
hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden
(reiectio iudicum).
Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen,
die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst
bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex
Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de
senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit
hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla's lex Cornelia
iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten
gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd,
waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten
waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en
sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst
moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex
quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70)
verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de
tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof
uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de
aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde
decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani
samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde
decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000
sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het
aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door
loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in
plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit
subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden
gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op,
wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.
Iudex pedaneus, chamaidikastes. In het keizerstijdperk kwam de
rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium
extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken
een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus
wordt genoemd.
Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel
praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg,
moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne
rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee
quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van
het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met
het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert
Sulla geregeld een oud-aediel.
Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden
worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene,
wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot
den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt.
Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon
krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen,
ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter
als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak
doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als
consilium toevoegen.
Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer
dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer
de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen
voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij
naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een
pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden,
tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand
wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis,
geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen
kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet
verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium
extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm,
en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste
ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek
onbekend was.
Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen
bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de
Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij
ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel
proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex.
Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk
in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover
het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione
over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak
geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het
volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio
bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie
Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding
der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het
concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa
gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen
en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der
comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun
L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de
provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het
leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen;
het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die
nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die
voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden
aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae
uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als
klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de
zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd
hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met
de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk
de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen,
die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot
veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der
zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.
Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het
Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.
Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks
1/4 hectare.
Iugum, zygos. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere
trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag
en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den
disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden
was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te
doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de
beide middelste onder het juk.--Het juk, waaronder nu en dan overwonnen
legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond
waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.
Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is,
drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn
vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal
en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal,
Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk
benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder
P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf
om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa's dood ontstond er spoedig
twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij
streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door
omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor
hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk
over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd
aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem
werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf
voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius
Albinus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder
Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist
Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich
overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii
no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen
wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van
Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag
door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus,
voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan
L. Sulla, die als quaestor in Marius' leger diende (105). Jugurtha
moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen
lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.
Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de
italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome
trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht
werd toegekend.
Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.--1) lex de publicanis (door Caesar
in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de
belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden
terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog
hadden geleden.--2) lex agraria, zoogenaamd lex Campana, zie onder
Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd
door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat
en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.--3) lex de repetundis
(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval
zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden,
die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende
tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.--4)
tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt
(59).--5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste
dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij,
die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens
rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren
gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het
was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was
uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel
werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia
de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet
de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na
Caesar's dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die
natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.--6) lex de pecuniis mutuis
s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was
het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri,
die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding
daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet
dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld
te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer
dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan
was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47,
waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen
in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend,
tot een bepaald bedrag beperkt werden.--7) lex de civitate Transpadanis
danda, evenzeer van 49.--8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde,
uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet
is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal
verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten
derden male consul.--9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij,
die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae
et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke
verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.--10)
lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van
oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende
politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer
waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn
deze bepalingen bij edict vastgesteld.--11) lex de sacerdotiis (46),
waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd
werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden
gekozen worden.--12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik
van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt
wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd,
in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en
soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de
perken der wet was, van tafel weg te nemen.--13) lex de provinciis
(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer
dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.--14)
lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door
Cicero's lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één
jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze
wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.--15)
lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het
politiewezen, enz., der rom. municipiën.
Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octavianus, 18. 1) lex sumptuaria,
ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden
en huiselijke feesten.--2) lex de adulteriis et de pudicitia,
met strenge strafbepalingen.--3) leges de ambitu, de annona (tegen
korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.--4)
lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea.
Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex
Iulia van Octavianus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door
de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot
doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige
kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum.
Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius
Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete
in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op
100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia)
voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de
helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.
Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig
was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen
ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia.
Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door
den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te
Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag.
Iuliani. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa
geboren, stelde onder keizer Hadrianus op diens last het edictum
perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.--2)
P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen
bemind generaal van Antoninus Pius, werd op last van Commodus ter
dood gebracht.--3) M. Didius Severus Iulianus, had onder Antoninus
Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes
tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest
van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en
Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon
aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de
som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66
dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord
(193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.