huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn
schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door
de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen,
wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne
zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier
ionische phylae genoemd zijn.--V. a. zoon van Apollo en Creusa, door
zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht,
waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel
nam Xuthus, die Creusa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos
gebleven was, hem tot zoon aan; Creusa, die vermoedt dat hij een
onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt
hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen
moeder en zoon openbaren.--2) van Chius, tijdgenoot van Pericles,
leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver
van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en
geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij
in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er
zijn nog fragmenten van zijn werken over.--3) rhapsode van Ephesus,
naar wien een van Plato's werken genoemd is.
Iones, Iones, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica,
vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust
van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat
zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia.
Ionia, Ionia, 1) oude naam voor het landschap Achaia in
de Peloponnesus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar
verdreven hadden.--2) kustland met de voorliggende eilanden in
Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische
nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder
aanvoering van Codrus' zonen Neleus en Androclus eene groote
schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch
stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon,
Ephesus, Priene, Myus, Miletus en de eilanden Samus en Chius. Ook de
aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op
kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van
Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische
Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen
zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning
Darius I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de
vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder
deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland
van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis,
Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras,
Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius,
e. a.
Ionium mare, Ionios pontos, de zee ten W. van Griekenland en
Epirus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee
niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee
dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ionios
mychos genoemd.
Iophon, Iophon, zoon van Sophocles en Nicostrate,
treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig
genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot
het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij
zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om
hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen
te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben
aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colonus,
voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel.
Joppe, Ioppe, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea
in Palaestina.
Jordanes, Iordanes, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt
op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het
meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee
(lacus Asphaltites) stroomt.
Ios, Ios, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene
stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf
van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond.
Josephus (Flavius), zie Flavius Josephus.
Iovianus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van
Julianus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch
stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel.
Iphianassa, Iphianassa, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk
dezelfde als Iphigenia.--2) dochter van Proetus.
Iphias, Euadne, dochter van Iphis.
Iphicles, -clus, Iphikles, Iphiklos, 1) zoon van Amphitryo en
Alcmene, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden
ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den
oorlog tegen Erginus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne
jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen
de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).--2) zoon van
Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische
jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.--3) zoon van
Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het
loopen, z. Melampus.
Iphicrates, Iphikrates, atheensch veldheer van geringe afkomst,
werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in
den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen
toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze
troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd
besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren,
aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook
gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van
dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (pelte, vanwaar de
naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen
Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten
geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging
der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging
hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette;
de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier
behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten
naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde
Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met
diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger,
dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar
ten gevolge van een twist met Pharnabazus keerde hij onverrichter
zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcyra gezonden, dat
door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen
waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige
voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs
opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf
zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter
met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in
Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die
hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd
hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel
gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was,
verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn.
Iphidamas, Iphidamas, 1) zoon van Busiris, werd met zijn vader door
Heracles gedood.--2) zoon van Antenor.
Iphigenia, Iphigeneia, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van
Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de
Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden
door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of
Menelaus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis
geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude
trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het
altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde
haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij
de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Tauropolos, totdat Orestes er
landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar
Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te
vinden en werden haar offers gebracht.--V. a. was zij niet gestorven,
maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood
naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles
huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph.
Iphimedea, Iphimedeia, -mede, dochter van Triops, echtgenoote van
Aloeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden.
Iphinoë, Iphinoe, eene van de Proetiden.
Iphis, Iphis, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van
Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de
regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.--2) zoon van
Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een
gevecht tegen Aeetes.--3) z. Anaxarete.--4) dochter van Ligdus en
Telethusa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij
zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij
geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat
zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed,
en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen,
veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd.
Iphitus, Iphitos, 1) zoon van Eurytus, Argonaut, door Heracles
(z. a.) verraderlijk gedood.--2) zoon van Naubolus, koning van
Phocis.--3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische
spelen.
Ipsus, Ipsos, Ipsos, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar
Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde.
Ira, Eira, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden
messenischen oorlog elf jaar (679-668) door Aristomenes tegen de
Spartanen werd verdedigd.
Irassa, Irasa, Irassa, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca.
Iris, Iris, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid
van den wind (Podenemos, Aellopous) de bevelen der goden, vooral
die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus
moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den
regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge
jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan
de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met
een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert.
Iris, Iris, rivier in Pontus, die langs Comana en Amasea stroomt en
zich na een bochtigen loop ten O. van Amisus in den Pontus Euxinus
(Zwarte zee) stort.
Irus, Iros, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door
Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet
aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het
daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd,
die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en
Phocis staan bleef.--2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus
bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior.
Is, Is, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek
werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld.
Isaeus, Isaios, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars,
leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn
onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke
redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf
bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.--2) sophist,
die onder Traianus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam.
Isagoras, Isagoras, atheensch aristocraat, na de verdrijving der
Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp
van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot
eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in
aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne
beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug
te brengen mislukten.
Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpina, 1) een zijtak van
den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.--2) een bijstroom der Sequana
(Seine), thans de Oise geheeten.
Isauria, Isauria, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia
en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk
bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote
overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en
lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij
niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen
ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri
heeten, geregeld groote strooptochten.
Ischolaus, Ischolaos, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten
tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs
(370).
Ischys, Ischys, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1.
Isionda, Isionda, Isinda, oude stad in het Z.W. van Pisidia.
Isis, Isis, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en
gemalin der middagzon (Osiris). Zij was een van de weinige godheden,
die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene
verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op
hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer
verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis
tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk
geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin,
godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin
van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de
sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van
zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den
staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demeter,
Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar
voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde,
eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de
dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel
herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele
rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338
voorgesteld.--Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden
werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles
beheerschende godheid.--Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera,
hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het
sistrum, e. a.
Ismarus, Ismaros, berg en stad in het gebied der Ciconen op de
thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch.
Ismene, Ismene, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader
in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten
omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone
(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij
bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.
Ismenias, Ismenias, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta
vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers
melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit
met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had,
onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen
echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de
Cadmea bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker
ter dood veroordeeld.--2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den
dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met
Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij
zijn gezantschap naar Perzië.
Ismenus, Ismenos, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt,
het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna
heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides.
Isocrates, Isokrates, een van de tien attische redenaars. Hij was
de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs
van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn
vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf
verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de
welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen,
die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou
hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was
groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring,
zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij
in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke
stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor
anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius,
te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting
ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van
redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon
zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden
(logoi epideiktikoi kai symbouleutikoi). De voornaamste hiervan zijn:
Panegyrikos (380), Plataïkos (373), Archidamos (365), Symmachikos e
peri eirenes (357), Areopagitikos (354), Philippos (346), Panathenaïkos
(342-339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig
samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven
zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens
getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen
bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde
zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en
waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke
beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet
over den afloop van den slag bij Chaeronea maakte hij, 98 jaar oud,
een einde aan zijn leven.
Isoteles. Een metoikos, die zich op een of andere wijze jegens
den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de
isoteleia. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen
tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de
burgers gelijkgesteld.
Issa, Issa, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners
waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd.
Issedones, Issedones, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen
van Serica (China).
Issus, Issos, Issoi, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf,
waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op
de Perzen behaalde.
Istaevones = Istuaevones.
Ister, Istros, leerling van Callimachus, schrijver eener Atthis,
en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.
Ister, Istros, zie Danuvius.
Isthmia, Isthmia, de isthmische spelen, na de olympische en de
pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee
jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van
Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus
ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de
gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later
voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg
een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot
laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden
hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden
de Grieken door T. Quinctius Flamininus en later door Nero vrij en
autonoom verklaard.
Isthmius, Isthmios, bijnaam van Poseidon als den god, wien de
isthmische spelen gewijd zijn.
Isthmus, Isthmos, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op
deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden
te zijner eer de isthmische spelen, ta Isthmia, gevierd. Dwars over
de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep
eene soort van overtoom of rolbaan, diolkos (z. a.). Op deze wijze
werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.
Istria = Histria.
Istropolis, Istropolis, Istros, stad op de kust van Moesia, ten Z. der
Donaumonden, kolonie van Miletus.
Istrus, Istros = Istropolis. Zie ook Danuvius.
Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen,
de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.
Italia, Italia. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome's
heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet
der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den
Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend
worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf
regiones opnam. Wel had Gallia Cispadana in 89, Transpadana in 49 het
rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpina nog
provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het
geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia
Cisalpina.--Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het
land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de
Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De
naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund
(vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste
Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden
tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte
door de siciliaansche Grieken, de Sikeliotai, op geheel eigenlijk
Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen
onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor
het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de
Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland,
Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook
Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners
worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden,
doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones,
Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten
verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren
de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam,
waartoe de Sabini, Peligni, Marsi, Marrucini, Frentani, Hernici
en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van
Saunitae of Samnites over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De
kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen,
de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft
(Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche,
meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia
vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en
stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte
de landschappen Etruria, Umbria, Picenum, Samnium, Latium, Campania;
Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen
der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende:
1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii,
4o. Samnium, 5o. Picenum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia,
9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.
Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir),
nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africanus maior) gesticht.--2)
zie Corfinium.
Italicum bellum, zie Marsicum bellum.
Italus, Italos, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van
Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latinus,
en werd de vader van Remus of Romus.