en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten
invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan
den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als
modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van
Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden
reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen
dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd
zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest
te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste
aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat
de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan
waren.--Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen,
waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van
het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de
rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van
voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den
smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te
lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun
omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin
of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden
waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend,
en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking
bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen,
de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel
verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van
Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van
zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten
konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen
later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge
vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus
en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel
moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er
bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom chorizontes genoemd
werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd
ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien
wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van
denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter,
dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van
elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat
bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo
weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder
spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen,
dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan
hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige
samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel
bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen
aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen
toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere
liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger,
waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht
zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat
werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is
de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak
van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden,
deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken
zijn toegevoegd.--Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere
gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn;
deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.
Homerus latinus, z. Silii no. 7.
Homoioi, gelijken. De wet van Epitadeus (z. a.) had tengevolge dat,
in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta
zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der
burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht
ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de
rijke grondeigenaars homoioi, in tegenstelling van de armere burgers,
hypomeiones.
Homole, Homole, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het
dal Tempe.--Homole of Homolium, Homolion, stad in het N. van het
thessalische landschap Magnesia.
Homona, Homonadenses, Homonades of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig
bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.
Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij
de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen
broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was
een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een
voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren
af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst,
hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche
inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen
de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie
na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie
Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius
tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van
den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes
jaar later, in 423.
Hopletes, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen
behoorden.
Hoplitai, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een
grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal,
en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (aspis),
en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was
in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde
te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor
soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling
was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.
Horae Quirini, zie Hersilia.
Horae, Horai, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde
in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van
maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van
Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des
hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irene,
te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men
vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels
hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.--Zij worden afgebeeld
als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten
versierd.
Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbatus
en L. Valerius Poplicola Potitus, 449: 1) ut, quod tributim plebs
iussisset, populum teneret;--2) dat de volkstribunen, de plebejische
aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;--3) dat geen
nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen,
op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest,
maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs
hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia
Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van
287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden
getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri,
in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri
stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar.
Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die,
volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius
den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie
Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben
neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii,
beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta
van Ennius ontleend.--2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit
het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter
Capitolinus.--3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten
paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsena,
totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen
sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil
eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een
standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon
omploegen.--4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen
der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457
was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.--5) M. Horatius
Barbatus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius
Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen
te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand,
en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.--6) Niet tot deze
gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van
een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde
met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om
zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar
ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun
in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In
dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij
als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en
Vergilius bevalen hem bij Maecenas aan, die hem bij zich ontbood
(38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem
toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een
onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed,
het Sabinum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf
werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius
bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche
dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het
algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook
sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als
de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het
graf zijner idealen geweest, in Octavianus zag hij voortaan den man,
die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten
van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3),
het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken),
waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica.
Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens
is van haar niets bekend.
Horta, Hortanum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.
Hortator of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij
het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met
de fluit.
Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo
iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede
werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de
voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den
senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae
of marktdagen tot dies fasti.
Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in
422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.--2) Q. Hortensius,
in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de
auctor der lex Hortensia de plebiscitis.--3) Q. Hortensius Hortalus,
(geb. 114), een van Rome's grootste redenaars, de evenknie van Cicero,
en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus
zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog
had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische
partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn
huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder
en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte
hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel
geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den
toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij
was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus),
z. Hegesias no. 2.--4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd
als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de
rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen
werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.
Horus, Horos, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osiris,
waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden
gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een
jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren,
naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam
Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.
Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en
gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten
van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene
zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal,
zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan
doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan
had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig,
op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als
heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele
wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke
banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten,
in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten
op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium
publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in
den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens
aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om
de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen,
hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan,
ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.
Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po),
met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna)
naar Mantua en Verona.
Hostilia curia, zie Curia.
Hostilianus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C.,
na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.
Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den
tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en
Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancinus, consul in 137, werd
door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat
evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia
(lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd
M. uit den senaat gestooten.
Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht
perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een
buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens
handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer
een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers
oproer maken, is het eene seditio.
Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen
verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat
gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen,
vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit
besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum
(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om
woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti.,
daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De
aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de
bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring
van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door
hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met
eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens
het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5).
Hybreos graphe, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor
de heliasten (z. Heliaia) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden
door de rechters bepaald.
Hylles, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.
Hunni, Hounnoi, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde,
en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen
onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila,
den "geesel Gods" (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na
Attila's dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was
de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van
de Hunnen zie men Bactria.
Hypaithros heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer
zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak
voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het
duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels
niet bekend. Z. verder onder Templum.
Hypaspistes, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer
schild, helm, enz. droeg.--2) in het macedonische leger lichtgewapende
infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een
korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke
lijfwacht (agema) gekozen.
Hypekooi, op Creta = perioikoi.
Hypogrammateus = grammateus (z. a.) tes poleos, ook gr. tou demou of
gr. tes boules kai tou demou genoemd.
Hypomeiones, z. Homoioi.
Hyacinthus, Hyakinthos, 1) zoon van Amyclas en Diomede, een
buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind
werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurotas met
den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf
van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond
werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te
zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest,
de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag,
waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen
hield men feestelijke optochten en wedspelen.--2) Lacedaemoniër,
die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met
oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den
raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor
de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.
Hyades, Hyades, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier,
dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij
worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van
Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionysus (nysaeische
nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning
onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om
het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.
Hyaea, Hyaia, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.
Hyampea, Hyampeia, een van de toppen van den Parnassus = Lycoreus.
Hyampolis, Hyampolis, stad in Phocis bij Elatea, door Hyanten
gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus
van Macedonia.
Hyantes, Hyantes, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar
Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte
vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyanteus bij dichters = boeotisch,
hyantis = aetolisch.
Hyarotes, Hyarotes = Hydraotes.
Hybla, Hybla, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, he meizon
of megale, v. s. ook Hybla Geleatis (Gereatis), Hybla he Geleatis,
he Gereatis geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, he mikra of Hybla
ta Megara, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten,
lag ten N. van Syracusae, en werd Megara genoemd naar dorische
kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Megares Hyblaioi. In den
tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde,
H. Heraea, Heraia of he elatton, lag aan den weg van Syracusae naar
Gela. Uit een der drie Hybla's kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel.
Hyccara, (plur.), ta Hykkara, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia,
in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta
afgestaan.
Hydaspes, Hydaspes, zijtak van den Acesines, waarbij Alexander de
Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem
minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot
aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen
bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.
Hydraotes, Hydraotes, een zijtak van den Acesines, evenals de Hydaspes.
Hydrea, Hydrea, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is
van dryopischen stam.
Hydrochous, Hydrochoos = Aquarius.
Hydrophoria, Hydrophoria, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van
Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers
van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in
het voorjaar gevierd.
Hydruntum of Hydrus, Hydrous, thans Otranto, stad op de kust van
Calabria, met eene uitstekende haven.
Hygiea, Hygieia, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt
gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook
in nauwe betrekking tot Athena, die ook den bijnaam Hygiea heeft. Op
hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een
schaal laat drinken.
Hyginus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit
Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig
beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen
wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon
astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traianus,
v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma).
Hylas, Hylas, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles,
met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas
in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door
bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit,
dat de Argonauten zonder hem vertrokken.--Ter eere van Hylas vierden
de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron,
waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles
nabootste.
Hyle, Hyle, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.
Hylias, Hylias, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat
van Sybaris in het land der Bruttii.
Hylice, Hylike (sc. limne), meer. Zie Hyle.
Hyllus, Hyllos, zoon van Heracles en Deïanira, de stamvader der
Heracliden (z.a.), die in de Peloponnesus regeerden. Na een eersten
inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem
een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd
hij door Echemus gedood.
Hyllus, Hyllos, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.
Hymen, Hymenaeus, Hymen, Hymenaios, zoon van Apollo en Calliope of
Urania of van Dionysus en Aphrodite, bevrijdde eens een aantal jonge
meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten
deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien
tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het
bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van
Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros,
ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is
hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.