Hierocles, Hierokles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten

Cicero hoorde.

Hierodouloi, andres (gynaikes, parthenoi) hieroi (-rai), tempeldienaars

van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester

bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Hetairai.

Hierokeryx, z. Eleusinia.

Hieromenia, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden

wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de

hieromenia, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij

de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een

algemeene schorsing van vijandelijkheden (ekecheiria) mede verbonden.

Hieromnemones, z. Amphictyones.

Hieron oros, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht

bij de Chersonesus Thracica. Hierop lag een versterking.

Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracusae

vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz.,

die door de Rom. was in stand gehouden.

Hieronymus, Hieronymos, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot

van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.--2) van

Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver

van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.--3) van

Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen

tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde

sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom

burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke

geschiedenis van zijn tijd.--4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger

van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der

Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na

13 maanden geregeerd te hebben vermoord.--5) van Stridon, de kerkvader

(348-420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem,

vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef

een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt.

Hierophantes, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën;

de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden.

Hierosolyma (plur.), ta Hierosolyma, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim,

vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad

verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot

aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den

terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de

stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In

130 legde Hadrianus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De

stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg

Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel

Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken,

benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herodes Agrippa

ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het

dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg

(mons Oliveti).

Hilaira, Hilaeira, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Hilarotragoedia, z. Rhinthon.

Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of

Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia.

Himation, z. Pallium.

Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende.

Himera, Himera, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en

van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de

gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende,

de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van

Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan,

dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit

dezelfde bron ontsprongen.--De stad Himera was eene volkplanting van

Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere

Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich

om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen

had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin

Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het

carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs,

met behulp van Hiero van Syracusae, zich van Agrigentum vrij te

maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man

onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selinus

viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar

gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera

werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier

eene nieuwe stad Thermae, ta Therma, gesticht. De badplaats zelf heet

gewoonlijk Thermai hai Himeraiai, de inwoners Thermitai, Thermitani. Te

Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was

de geboortestad van den tyran Agathocles.

Himerius, Himerios, van Prusa (315-386 n. C.), Grieksch rhetor en

sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar

Iulianus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris

aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven.

Himilco, Himilkon, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (±

550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden

(Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Avienus

(z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren

in de sicilische en punische oorlogen gedragen.

Hipparchos, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij

over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee

hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was

er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond

waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars.

Hipparchus, Hipparchos, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering

van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste

van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord

(z. Harmodius).--2) dichter der nieuwe attische comedie.--3) van

Nicaea in Bithynië, werkte 160-120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook

in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten

roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en

door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek,

die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er

nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken

(pros Eratosthenen) worden vaak door Strabo geciteerd.

Hipparinus, Hipparinos, 1) vader van Dio.--2) zoon van den ouden

Dionysius, na Dio's dood tyran van Syracuse (353-350).

Hipparis, Hipparis, rivier die door het moeras van Camarina, op de

Z.kust van Sicilia, stroomde.

Hippemolgi, Hippemolgoi, een scythische nomadenstam in het N., wier

voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond.

Hippes, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon

ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300-500 medimnen of metreten

kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en

voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de

ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer

dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse

als hoplieten. Ook de spartaansche hippes, eene koninklijke lijfwacht

van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog

werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van

oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij

is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op

den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk

den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet

uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige

stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen.

Hippias, Hippias, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij

regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen,

en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood

van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger

te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen

schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was

Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het

bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval

sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een

tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die

het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te

verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigeum. Hij gaf echter de hoop

niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met

de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen

naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.--2) van

Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis,

die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten

hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht

betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders

individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen,

wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld.

Hippius, Hippia, Hippios, Hippia, bijnaam van Poseidon, Athena,

Hera e. a. goden en godinnen.

Hippo, Hippon, 1) Hippo Regius, basilikos, thans Bona, op de numidische

kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in

den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.--2)

Hippo Diarrhytus, diarrytos, in dat gedeelte van het carthaagsche

gebied, dat Zeugitana heette.--3) stad der Carpetani in Tarraconensis,

ten O. van Toletum.--4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo

Valentia geheeten, z.a.

Hippocentauri, Hippokentauroi, z. Centauri.

Hippocles, Hippokles, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte

in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië

terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van

de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen

hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker.

Hippocoon, Hippokoon, 1) zoon van Oebalus en Batea, verdreef met de

hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester

van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles

gedood.--2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.--3) tochtgenoot

van Aeneas, bekwaam boogschutter.

Hippocrates, Hippokrates, 1) vader van Pisistratus.--2) Alcmaeonide,

grootvader van Pericles.--3) broeder en opvolger van Cleander als

tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen

de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk

huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook

Naxus, Callipolis en Leontini, noodzaakte de Syracusanen door zijne

overwinning bij de rivier Helorus (492) hem Camarina af te staan,

en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).--4) zoon van Ariphron,

atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).--5) van

Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde

in de 2de helft van de 5de eeuw.--6) van Cos, de beroemde grieksche

geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden

en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader

Heraclides en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten

Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen

ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed

hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield

hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larisa in

Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief

hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door

Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van

commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden

voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden

gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt

den naam Aphorismoi.--Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco,

zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen

waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken.

Hippocrene, Hippou krene, Hippokrene, Fons Caballinus, bron op den

Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water

ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht.

Hippodamea, Hippodameia, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van

Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en

nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den

moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door

haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.--2) echtgenoote van

Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren

en Lapithen.--3) = Briseis.--4) echtgenoote van Amyntor, moeder van

Phoenix.--5) dochter van Anchises, gemalin van Alcathous.

Hippodamus, Hippodamos, van Miletus, beroemd bouwmeester ten tijde van

Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten

aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus,

te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van

een ontwerp eener ideale staatsinrichting.

Hippodromus, hippodromos, renbaan voor paarden en wagens. De

bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige

ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden

en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde

afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door

eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (oikemata)

voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij

voor een touw (kalodion, hysplex), dat van den top van den driehoek,

het uitgangspunt (aphesis), naar de beide zijden van de baan gespannen

was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht)

werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee

deelen verdeeld door een lagen aarden wal (choma) van F naar G, aan

welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten

de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden

tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor

de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar

geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was

een uitgang.

Hippolochus, Hippolochos, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië,

vader van Glaucus.--2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelaus

gedood.

Hippolyte, Hippolyte, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren

gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admete, de

dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed

en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar

volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel

Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar

Athene genomen.

Hippolytus, Hippolytos, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Theseus

en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en

daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus

alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad

Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen

Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor

de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten

tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus,

liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar

haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd

werd.--3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw,

leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was

tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij

de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In

dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele

bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.

Hippomedon, Hippomedon, een van de zeven vorsten, die met Adrastus

tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.

Hippomenes, Hippomenes, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante

(z. a.).

Hipponax, Hipponax, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn

leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae

vluchtte, zie ook Bupalus.

Hipponicus, Hipponikos, naam van verscheiden leden van een adellijk

atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte

door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende

de seisachtheia van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve

tegenwoordig voor verzonnen.--2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon,

behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser,

die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd

(490). Ook dit verhaal is verzonnen.--3) zoon van Callias no. 1 en

Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De

vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter

Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.--4) zoon van Callias no. 2,

schoonzoon van Alcibiades.

Hipponium, zie Hippo no. 4.

Hipponous, Hipponoos, z. Bellerophon.

Hippophagi, Hippophagoi, 1) scythisch volk in Persis.--2) volk in

aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.

Hippotes, Hippotes, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).

Hippothoon, Hippothoon, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood

van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.

Hippothoontis, Hippothontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking

van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Hippothous, Hippothoos, 1) vader van Aepytus no. 2.--2) zoon van

Priamus.--3) van Larisa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2

gedood.

Hippotoxotai, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men

gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen

oorlog was hun aantal 200.

Hirpini, Hirpinoi, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculanum.

Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4.

Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius

van alle ambten uit.

Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in

Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde

Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar

naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht

hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43

was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood

tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens

aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang

met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octavianus trok hij

tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena),

terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste

boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig;

waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven.

Hirtuleius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania,

die den rom. veldheeren in de jaren 79-76 verschillende nederlagen

toebracht, doch in 75 sneuvelde.

Hispalis, Hispalis, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der

Turdetani in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte

er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was

door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen

bevaarbaar.

Hispania, Hispania, door de Grieken Iberia genoemd, tegenw. Spanje

en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den

eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos

te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden

oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het

land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte,

in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar

den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich

slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland

veroverd. In 180-178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius

Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land,

een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In

138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en

aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele

schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en

Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior,

Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en

Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en

Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis

heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu

Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische

stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen

de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar

dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en

gewoonten overnam. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus, Traianus,

Hadrianus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking

ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was

in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en

edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania

afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.

Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.

Hister, zie Danuvius.

Histiaea, Histiaeotis = Hestiaea, Hestiaeotis.

Histiaeus, Histiaios, tyran van Miletus onder perzische

opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen

ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den

Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het

onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in

Thracië begiftigd, later begon Darius hem echter te wantrouwen en riep

hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later

werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras

(z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd;

daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde,

vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder

vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging

hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd

eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes

ter dood gebracht (498).

Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae.

Histria, Istria, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de

ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die

een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk

gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest

geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.

Homeridae, Homeridai, familie of genootschap op Chius, van Homerus

afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de

gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van

algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd,

en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus

bezig hielden.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 71 / 150 段