van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was
liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen,
dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van
zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van
Alcmene reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed
bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag
niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd
(z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van
Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond
Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep
ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters
opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn
weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de
luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne
woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar
hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk
maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae
onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw
diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd,
bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Erginus
(z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem
zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat
hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord,
onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend
maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee
van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd;
tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi,
door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord
luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf
werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de
onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij
door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien
tijd den naam Alcides of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat
Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar
dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen
gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn
hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij
het gedoode dier naar Mycenae bracht, boezemde dit bewijs van zijne
wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood
voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort
te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.--Vervolgens
moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos
huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige
slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100
koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het
monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren,
hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen
twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten
door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden
was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen,
vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht,
die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden
aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een
zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne
pijlen.--Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de
landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen
nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving
en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur
opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen
zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de
Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen
in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn
wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij
het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het
op zijne schouders en droeg het levend naar Mycenae.--Daarna eischte
Eurystheus dat hij de hinde van Cerynea, een berg tusschen Arcadië en
Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis
gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang,
eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en
zich er van meester te maken.--Vervolgens werd hij uitgezonden tegen
de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphalus
hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en
hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij
ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar
het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.--Ten
zesde haalde hij voor Admete, de dochter van Eurystheus, den gordel van
Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht
daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië,
die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij
op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione
het leven redde (z. Laomedon).--Zijn zevende werk was het reinigen
van de stallen van Augias (z. a.).--Daarna haalde hij den stier van
Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycenae. Daar werd het
dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het
in de vlakte van Marathon ving en doodde.--Vervolgens ging hij naar
Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) medebracht;
bij deze gelegenheid zoude hij Abdera gesticht hebben.--Het rooven van
de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de
moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei
onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het
meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien
verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de
zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn
boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam,
dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythea over te varen,
waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door
Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook
op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen
vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei
moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij
eindelijk behouden te Mycenae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door
het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid
ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met
de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna
had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolaus
(z. a.), en Augias had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon
te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel
vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te
halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang
op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het
geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij
zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen
(z. Antaeus, Busiris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus,
waar hij den gier van Prometheus (z. a.) doodde en van dezen den raad
ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het
voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels
het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen
aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van
zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien
wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn
schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel
voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester
maakte en hem liet staan.--Als laatste en moeielijkste werk werd hem
opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat
hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij
bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik
verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.--Nu was
hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne
vrouw aan zijn vriend Iolaus, en gaat daarop naar Eurytus (no. 2)
om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden
omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen,
en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den
diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd,
neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van
boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich
op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen,
en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst
bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan
de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter
in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn
terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale
teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een
verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf
haar spinnewiel ter hand nam.--Na het verstrijken van den tijd zijner
slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis,
om zich op Laomedon (z. a.) en Augias (z. a.) te wreken; daarop ging
hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor,
die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den
moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der
Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij
naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de
regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op
zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte
hij liefde op voor Deïanira, de schoone dochter van koning Oeneus,
die echter ook bemind werd door Achelous (z. a.); toen deze gedwongen
was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanira en
bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij
ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf,
waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis
trok hij over de rivier Euenus, die hij doorwaadde, maar om Deïanira
er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig;
deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht
geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde
pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx,
voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar
ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en
ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen,
bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf
hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurytus te wreken, hij nam
den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede,
waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde
zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar,
naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien
hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar
mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf,
en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus
wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of
hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den
brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het
gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had
toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van
de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat
zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte
brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt,
daalt Athena onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en
voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring
der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin
gegeven wordt.--Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië,
werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland;
men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote
daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam
hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche,
legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers
hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over
24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen
in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn
hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van
den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar
in al zijne ondernemingen (Kallinikos, Victor), als verdelger van
monsters en weldoener der menschheid (Alexikakos, Soter, Pacifer), als
waarzeggend god (Mantis), als beschermer van gymnasia en wedstrijden,
de oefenscholen van mannelijke kracht (Enagonios), enz. Te Athene,
Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Herakleia)
gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor,
maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede
borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog,
knots en leeuwenhuid.
Heracleum, Herakleion, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis
promunturium geheeten, thans Spartivento.--2) kaap in Pontus,
ten O. van Amisus.--3) stad in Macedonia, nabij de thessalische
grenzen en het dal Tempe.--4) stadje in het noord-syrische gewest
Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.--5) stad in
de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische
wordt genoemd.--6) = Herculaneum.--7) haven van Cnosus.
Heraclidae, Herakleidai, zonen en afstammelingen van Heracles. De
kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus
achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en
genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of
Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne
uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door
Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een
orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de
derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen
nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat
Temenus, Cresphontes en Aristodemus, achterkleinzonen van Hyllus, er
in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander
verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen
van Aristodemus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst
der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus
veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de
vroeger door Heracles verworven aanspraken.--Ook de koningen van
Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te
stammen.--In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie
van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze
dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.
Heraclides, Herakleides, 1) bevelhebber der ruiterij onder den
jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming
van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van
Dio gedood.--2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.--3)
van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt
dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf
onderzocht had.--4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken
van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.--5)
Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclea Pontica,
woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne
vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan
eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude
reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens
getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige
werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.--6) van Cyme,
ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische
geschiedenis.--7) z. Heraclitus no. 3.
Heraclitus, Herakleitos, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde
geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne
medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene
uitnoodiging om aan het hof van Darius Hystaspis te komen. De
resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (peri
physeos), dat hem bij de ouden den naam skoteinos bezorgde; de taal
er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen
moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de
alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur,
waaruit langs den weg naar beneden (hodos kato) alles ontstaat, en
waarin zich langs den weg naar boven (hodos ano) alles oplost. Maar
de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk,
of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (hodos ano kato mie),
daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel
het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten
nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering
(panta rhei). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in
den boezem der godheid, de geheele wereld is to hen diapheromenon
auton hauto, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij
van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals
te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit
werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag
geworden van het stelsel der Stoicijnen.--2) van Tyrus, leerling van
Philo van Larisa, academisch wijsgeer.--3) ook Heraclides genoemd,
schrijver van Allegoriai Homerikai, waarin de mythen van Homerus in
den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde
waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.
Heraea, Heraia, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen
in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycenae, Corinthe, en zijne
koloniën, en met bizonderen luister te Argos.
Heraea, Heraia, 1) stad in Arcadia aan den Alpheus.--2) zie Hybla.
Heraei montes, Heraia ore, bergketen op Sicilia, loopt van het midden
naar de Z.O. punt.
Heraeum, Heraion, 1) de westelijkste punt der Corinthische
landengte.--2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van
Perinthus.--3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium.
Herbessus, Herbessos, ook Erb. 1) stad der Siculi ergens bij
Syracusae.--2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.
Herbita, Herbita, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts
van Enna.
Herculaneum of -num, Herakleion, oude oscische, later tyrrheensche,
vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius
aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene
aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting
van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van
een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal
als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven
H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare
voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon
de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500
à 3000 inwoners kan geteld hebben.
Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich
reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome,
waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die
dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en
Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst
gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco
ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden
vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden;
de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een
grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men
zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo
Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius
der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel
met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig
te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus.
Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans
straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis.
Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust,
thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Monoikos.
Herculis portus, zie Cosa.
Herculis promunturium = Heracleum no. 1, thans kaap Spartivento.
Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien
het Süntelgebergte.
Hercynia silva, Herkynia hyle, Herkynios drymos, algemeene naam
voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen
lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte
(Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke
vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In
lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd
werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke
gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken
aan den Rijn.
Herdonia, Herdonia, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in
216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door
de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde
de inwoners over naar Metapontum.
Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius
Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den
koning.--Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp
van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest
weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.
Hereditas, heredes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te
kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht
komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring
mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden
in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus
zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen),
voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit
zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris
zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige
erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de
tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger
met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder,
broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats
de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals
geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier
aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen,
en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch
het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden
de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige
testamentaire bepalingen anders was beschikt.--Hereditatis cretio
heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.--Pro
herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam
handelend optreedt.--Heres ex asse is de universeele erfgenaam;
ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een
derde, enz.--De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem
adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel
overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de
uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een
buitenkansje.--Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex
Voconia.--Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer,
om plaats te maken voor dat der cognaten.
Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer 1/2 hectare.
Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door
de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen
overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59
plebejer door adoptie.
Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen
had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote
kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten
zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft
der derde eeuw na C., een leerling van Ulpianus.--Zekere Herennius
Senecio, ten tijde van keizer Domitianus, werd door dezen ter dood
veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige
wijze beschreven had.--Herennius Philo, zie Philo no. 8.
Herillus, Herillos, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een
onderscheid tusschen het levensdoel (telos) van den wijze, nl. kennis,
en dat van de groote menigte, hetwelk hij hypotelis noemde, en dat
in rijkdom en dgl. bestaat.
Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder
drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.
Hermae, Hermai, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd
omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene
stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor
de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering
aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De
kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop
van Athena, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz.
Hermaeum promunturium, Hermaia akra, naam van eenige kapen. 1)
N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii
prom. geheeten, thans kaap Bon.--2) N.O. punt van het eiland
Lemnus.--3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus
(straat v. Constantinopel), waar Darius een brug sloeg.--4) Hermaios
lophos, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses.
Hermagoras, Hermagoras, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die
door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien
verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorei.--2) grieksch
rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodorus van Gadara.
Hermaphroditus, Hermaphroditos, zoon van Hermes en Aphrodite. Als knaap
baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de
bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen
zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één
verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne
vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw.
Hermarchus, Hermarchos, van Mytilene, leerling van Epicurus en diens
opvolger als hoofd der school.
Hermeas, Hermeias, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de
regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd.
Hermes, Hermes, Hermeias, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op
den berg Cyllene (Kyllenios), een god van alles, waarbij behendigheid,
gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze
eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij
50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en
te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst
van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter
behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal
eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens
zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem
in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Diaktoros); in
deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de
onderwereld (Psychopompos, Psychagogos). Voor de menschen is hij een
welwillend en zegenend god (Eriounios, Akaketa), gids bij moeielijke
en gevaarlijke ondernemingen (Hegemonios), vooral voor herauten en
gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg
winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog;
ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een
geschenk van hem (hermaion). Vele dingen, die het leven veraangenamen,
hebben de menschen hem te danken (Charidotes), hij geeft rijkdom
(Ploutodotes), vooral van vee (Nomios), en welbespraaktheid (Logios,
Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters,
getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Enagonios), enz. Eindelijk
zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen
(Enodios); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren
weg als van hem (z. Hermae).--Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië
uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem
den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook,
enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met
verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij
soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed
(petasos), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem
door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte
(Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz.