Gyges, Gyges, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de

hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van

een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules,

en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was

de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk

uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan

te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht

te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering

genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp

hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te

maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs.

Gylippus, Gylippos, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en

eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners

te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der

atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood

brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan

diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten.

Gymnasiarchia, Gymnasiarchia, eene liturgie, die de verplichting

medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te

onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te

bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere

phyle.--In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht

hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen.

Gymnasium, Gymnasion, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een

gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er

gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige

inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote

belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot

aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij

om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium

een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen

bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en

zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij

voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders

te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke

bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot

deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met

gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets,

waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te

Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich

gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het

Ephebeum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden,

R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het

sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de

open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers,

W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de

toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor

openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V

beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en

stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte

A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën.

Gymnesiae insulae = Baleares.

Gymnopaediae, Gymnopaidiai, een groot feest, gedurende verscheiden

dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek

gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest

raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea

(omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag

gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers

vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen

toestroomen.

Gymnosophistae, Gymnosophistai, eene secte van indische wijsgeeren,

die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden,

lieten zij zich levend verbranden.

Gynaeceum, Gynaikeion, Gynaikonitis, het gedeelte van het huis, dat

meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen

niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte

van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de

verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene

aule. Zie Oikia.

Gyndes, Gyndes, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in

den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn

tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af.

Gyrtone, Gyrton, -one, oude stad in het thessalische landschap

Pelasgiotis, aan den Peneus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae,

Phlegyai.

Gytheum of -ium, Gytheion, -ion, aan de Laconische golf, belangrijke

zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche

vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de

vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest.

H.

Hades, Haides, Aides, Aidoneus, Plouton, Pluto, Dis, zoon van Cronus

en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling

der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een

onderaardsche Zeus (Zeus katachthonios) met Persephone heerscht. In

de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde

zwarte paarden (klytopolos) de schimmen der afgestorvenen van de aarde

kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (psychopompos),

terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat

zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god

is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in

den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto,

dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn

helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen,

ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat

hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor

gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het

voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en

wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd,

men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde;

als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond.

Hadranum = Adranum.

Hadria = Adria.

Hadrianopolis, Adrianou polis, thans Adrianopel, bloeiende stad in

Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadrianus gesticht,

en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca

vond men steden van dezen naam.

Hadrianus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was

na zijns vaders dood onder opzicht van Traianus opgevoed. Tijdens de

troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was

hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van

dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia

en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot

zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed

Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren,

zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotina te

bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft

Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met

drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over

den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier

aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede

te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen,

en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet,

zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij

in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het

Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap

en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten

koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte

hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum

(z. a.), het Mausoleum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg)

over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die

eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet

slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen

uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond

men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad,

had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere

steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden,

en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en

waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolina. Toen hij echter op de

plaats, waar Salomo's tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter

Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand

los, die eerst na een driejarigen oorlog (132-134) door 's keizers

veldheer Julius Severus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden

het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus

toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid

gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten

laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus

(die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger

aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus,

die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem

als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138.

Hadrumetum = Adrumetum.

Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga),

wier op- en ondergang storm en regen aankondigden.

Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius.

Haedui = Aedui.

Haemodes = Emodi montes.

Haemon, Haimon, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere

Thessalië, heette.--2) zoon van Lycaon, stichter van Haemonia in

Arcadië.--3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de

sphinx gedood.

Haemonia, Haimonia, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia

(zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo,

het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iason; Haemonius heros =

Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten.

Haemonides, priester van Apollo en Diana, die onder Turnus streed en

door Aeneas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een

zegeteeken ter eere van Mars opgericht.

Haemus, Haimos, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en

zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom

werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben.

Haemus, Haimos, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een

der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani.

Hageladas = Ageladas.

Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Halai Araphenides,

met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Halai

Aixonides, lag in het Z.

Halcyone = Alcyone.

Halcyonium mare = Alcyonium mare.

Hales, Haleis, gen. -entos, riv. in Lucania, die bij Velia in zee

stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Hales,

bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de

Icarische zee uit.

Halesa, Alaisa, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de

N. kust van Sicilia.

Halesus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam

en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aeneas;

hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii.

Halex, gen. -ecis, Halex, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen

het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii.

Halia, z. Ekklesia.

Haliacmon, Haliakmon, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en

dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast.

Haliartus, Haliartos, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand

van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer

ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor

welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus

verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het

met haar bloei voor goed gedaan.

Halias, gen. -ados, Halias, zuidelijke punt van Argolis, met eene

visschersbevolking. Halies en een stadje Halice, Halike, ten Z. van

Hermione.

Halicarnassus, Halikarnassos, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk

lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels

dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de

oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der

geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische

koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen

van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het

praalgraf van Mausolus (zie Mausoleum). De stad kreeg een gevoeligen

knak door de verwoesting door Alexander den Gr.

Halicyae, Halikyai, Al., rom. municipium op Sicilia, ten O. van

Lilybaeum, tusschen Selinus en Segesta.

Halirrhothius, Halirrothios, zoon van Poseidon en Euryte, vervolgde

Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd

daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der

twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den

aangeklaagde vrij spraken.

Halitherses, Halitherses, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca,

die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde.

Halizones, Halizones, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In

hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen.

Halmydessus = Salmydessus.

Halmyris, Halmyris limne, zoutmeer ten Z. der Donaumonden.

Haloa, Haloa, feest ter eere van Dionysus, Demeter en Persephone,

op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd.

Halonesus, Halonesos, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische

zee tusschen Peparethus en Scirus, om welks bezit een heete strijd

ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia.

Halteres, halteres, springstokken en springgewichten, halters, die men

hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield.

Haluntium = Aluntium.

Halus, Halos, stad in Phthiotis, tot het gebied van Achilles

behoorende.

Halycus, Halykos, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclea

Minoa in zee valt.

Halys, Halys, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom

van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens

naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus

Euxinus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens

tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met

den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor.

Hamadryades, Hamadryades = Dryades.

Hamaxitus, Hamaxitos, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de

inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandria Troas te

verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden.

Hamaxobii, Hamaxobioi, nomadisch volk nabij de Palus Maeotis (zee

van Azow).

Hamilcar, Amilkas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1)

zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de

Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers

toebracht.--2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde,

terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.--3)

veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in

Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen

de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.--4) Hamilcar,

bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia

gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne

vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede

dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in

Africa (241-238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen

hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds

(237-229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan

Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen

de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal

en Mago.--5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta)

door de Rom. gevangen werd genomen.--6) carth. veldheer, die in 200

in Gallia Cisalpina het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede,

op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde.

Hamippoi, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man

aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging,

en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd

ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd.

Hammon = Ammon.

Hannibal, Annibas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1)

zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.--2) veldheer in

den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de

Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door

den consul Duillius verslagen werd.--3) een zoon van Hamilcar no. 3,

die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den

oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.--4) oudste zoon van

Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania

gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst

diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn

zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het

leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde

deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van

Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het

staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig

geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden

Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring

te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten,

trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende

en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke

verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna

onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticinus den consul

P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen

consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het

Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator

Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit,

doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae,

in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu

ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam

H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd,

en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood

hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door

de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinator bij den

Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal

zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf

te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel

ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede

Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196),

genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van

Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus

no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen

land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven,

week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem

de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun

herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren,

maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven.

Hanno, Annon, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen

466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed,

waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel

periplous nog bestaat.--2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van

Syracusae, sneuvelde in 310.--2a) veldheer op Sicilia in het begin

van den eersten punischen oorlog, die te Messana voor de Rom. moest

wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno

werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger

tot ontzet van die stad was opgedaagd.--3) Hanno de Groote, stadhouder

van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken,

en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een

doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcini. Tegen Hamilcar en

Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was

Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.--4)

Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno's voor,

en ook een op Sicilia in 211.

Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend,

aan den bovenloop van de Viadua (Oder).

Harma, Harma, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra.

Harmatus, Harmatous, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust

van Troas, tegenover Methymna.

Harmodius, Harmodios en Aristogiton, twee jonge Atheners, verbitterd

door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had

aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte

hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd

op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd

gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank

de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had

aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor

de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen,

terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten.

Harmonia, Harmonia, dochter van Ares en Aphrodite. Toen zij met

Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij

o.a. geschenken van Aphrodite een kleed en een halssnoer, die later

vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon.

Harmostai, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht

over de perioeci.--2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen

na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden,

om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. dekarchiai.

Harmozea, Harmozeia, stad en omstreken in Carmania aan de invaart

der perzische golf.

Harpagium, -gea, Harpagion, ta Harpageia, stadje in Mysia aan den

Propontis, vanwaar Ganymedes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd.

Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel,

aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de

tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In

een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea.

Harpagus, Harpagos, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet

Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van

het kind voorzetten.--2) veldheer van Darius Hystaspis.

Harpalus, Harpalos, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het

hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door

Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die

hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een

of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning

hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het

beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.'s

tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens

terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000

huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor

een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af,

later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater

hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta,

waar hij vermoord werd.--2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór

Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 66 / 150 段