zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden
en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties,
feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en
dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten
vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd
in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105,
zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze
waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van
den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden
deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in
den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men
voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten
gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht,
met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende
soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde
aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene
afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was
het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde;
later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het
aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine
slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein
diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis.
Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten =
Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende
Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum).
Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum,
elektron), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig
artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land
der Aestii.
Glanis = Clanis.
Glauce, Glauke, 1) eene van de Nereïden.--2) = Creusa no. 4.--3)
haven bij het voorgebergte Mycale.
Glaucia, familienaam in de gens Servilia.
Glaucias, Glaukias, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op
Hippocrates.--2) van Aegina, beroemd beeldhouwer omstreeks 500.
Glaucus, Glaukos, 1) Pontios, een visscher van Anthedon, die eens
na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te
springen en onder de zeegoden werd opgenomen.--V. a. had hij tot de
Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs
in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester
of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers
en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan
de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in
de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk
voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart
eindigt.--2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van
Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodite, die zich wreekte door
zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias
deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij
gold na zijn dood voor een daemon (Taraxippos), die bij de isthmische
spelen de paarden schuw maakte.--3) achterkleinzoon van den vorigen,
zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste
bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomedes.--4) zoon van
Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig,
zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyidus, een waarzegger
uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het
kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch
van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij
met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang,
Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in
den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde
nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk
werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te
leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder
vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.--5)
van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het
soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal.
Gnathia = Egnatia.
Gnidus = Cnidus.
Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm
een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en
dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (gnomai) komen bij alle dichters
voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke
dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides
en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig.
Gnossus, Gnosus = Cnosus.
Gnostici, gnostikoi worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste
en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve
door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden
trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren
met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der
Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten
bij de kerkvaders.
Gobryas, Gobryas, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen
Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darius Hystaspis, maakte den
veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.--2)
veldheer van Artaxerxes Mnemon.
Golgi, Golgoi, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium,
sicyonische kolonie.
Gomphi, Gomphoi, vesting in Thessalia op de grens van Epirus, ten
Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd.
Gon(n)us of -i, Gon(n)os, -oi, stad der Perrhaebiërs aan den ingang
van het dal Tempe, nabij den Peneus, in Thessalia. Het was eene
belangrijke vesting.
Gordianus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1)
en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na
C. was keizer Alexander Severus gedood in een opstand onder den ruwen
krijgsman Maximinus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem
riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als
keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet
alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen
geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds
na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop
ook de vader zich het leven benam.--3) M. Antonius Gordianus Pius Felix
was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom
en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupienus Maximus
en D. Caelius Calvinus Balbinus tot keizers uitgeroepen, terwijl de
jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van
Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de
verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde
jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht
en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van
zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde
hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een
veldtocht tegen Sapores van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium
door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd,
die daarop tot Augustus werd uitgeroepen.
Gordium, Gordieum, Gordion, Gordieion, oude hoofdstad der phrygische
koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den
Sangarius. Zie Gordius.
Gordius, -ias, Gordios, Gordias, een phrygisch landbouwer, op wiens
ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken
dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen
kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om
raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij
zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus
reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot
koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij
bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den
wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen,
en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens
een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt
worden, en dien Alexander de G. doorhakte.
Gordyaei, Gordyaioi, krijgshaftige bevolking van Gordyene. De oude
naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene,
in het Z. van Armenia.
Gordyene = Corduene.
Gordys, Gordys, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en
zich in het naar hem genoemde landschap Gordyene nederzette.
Gorgias, Gorgias, 1) van Leontini, kwam reeds tamelijk bejaard (hij
was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer
de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort
daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door
zijne openbare redevoeringen (epideixeis) en door zijn onderwijs
in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië,
geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der
eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn
werk peri tou me ontos e peri physeos komt hij tot het besluit dat
niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch
niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne
kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid
kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid,
die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om
persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij
is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende
redefiguren (Gorgieia schemata); er zijn nog twee redevoeringen van
hem over, Helenes enkomion en Palamedes, die lang voor onecht zijn
gehouden.--2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester
van Cicero's zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren,
waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat.
Gorgidas, Gorgidas, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn
vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering
een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den
oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de
zoog. heilige schare vormde.
Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den
Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden
verhuisd was.
Gorgones, Gorgous, Gorgones, drie dochters van Phorcys en Ceto,
wier namen zijn Stheno, Euryale en Medusa (z. a.). Zij wonen nabij
de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met
slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen,
groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag
werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen
afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor,
wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat.
Gorgopis, Gorgopis, meertje bij Corinthus.
Gortyn of -tyna, Gortyn, -tyna, eene der hoofdsteden van Creta, in het
Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt,
dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor
de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang.
Gortynia, Gortynia, stad in het macedonische gewest Emathia.
Gothi, Gothones, Gotthoi, Skythai, een van de Oost-Germaansche
volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever
van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit
Scandinavië (Gothland); ze werden--in tegenstelling met de meeste
Germanen--door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze
in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee
verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding
gegeven tot den Markomannenoorlog (166-180), daar de stammen die
daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven
zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen
(Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi)
of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was
aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en
West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376.
De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen
in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij
Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de
Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen
aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken,
200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over,
om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar
Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren
was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen
plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in
382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder
de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen
opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen
naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met
Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad.--Toen in 453 met Attila's dood het
Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau
en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder
hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel
van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling
van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als
Christenen tot de Arianen.
Gothini = Cotini.
Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7-13).
Gradivus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij
had een tempel voor de Porta Capena te Rome.
Graeae, Graiai, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den
weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino,
Pephredo en Enyo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze
haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij
als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde,
waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus.
Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven
er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci
(Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia,
(uit het gebied van Tanagra en Oropus), die samen met kolonisten
uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in
Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam
in Epirus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend.
Graecia magna, he megale Hellas, naam voor Beneden-Italië, wegens het
groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele
kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht
dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae,
aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op
het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder
hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het
land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog
vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In
272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen.
Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus,
aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover
de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten
er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen.
Graecus, Graikos, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de
Grieken hun naam (Graeci) ontleenen.
Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia.
Graioceli, volksstam in Gallia Transalpina, aan de Grajische Alpen,
nabij den M. Cénis.
Grammateus, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels
door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren
meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit
was echter niet het geval met den gr. tes boules, die door den raad
verkozen werd, den gr. kata prytaneian, die voor iedere prytanie door
het lot werd aangewezen, en den gr. tes poleos, die door het volk
werd verkozen.--Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de
grammates tot de hooggeplaatste ambtenaars.
Gramme, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan
gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de
wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende
om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere.
Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara,
waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde,
alvorens keizer Domitianus hem terugriep. Dit is het eenige
gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld
wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een
gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains),
die in het land zelf niet gehoord wordt.
Granicus, Granikos, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis
(zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne
eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in
73 de zege op Mithradates.
Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige
ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure
Papiriano.--2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd
in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens
majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is
van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.--3)
Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit
den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn.
Graphe, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling
met dike, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke
orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner
rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager
optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters
voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het
recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook
Anakrisis). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of
doodstraf.--Vgl. dike.
Gratiae, z. Charis.
Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen
in Gallia Transalpina.
Gratianus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van
keizer Valentianus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns
vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het
O. bestuurde (364-378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling,
om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius,
de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend
hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in
de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig
Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters
daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed
der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij
had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die
hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg)
versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder
Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus
door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord.
Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpinum. 1) M. Gratidius, een bekwaam
redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog
van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in
102. Zijne zuster Gratidia was Cicero's grootmoeder.--2) M. Gratidius
was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61-59.--3) M. Marius Gratidianus,
zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon
aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilina
vermoord.
Gration, Gration, een van de Giganten, door Artemis gedood.
Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus
bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is
nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels
bewaard gebleven.
Graupius mons, zie Grampius mons.
Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii
behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch
ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge
van de verpestende uitwasemingen der Maremmen.
Gregorius, Gregorios, 1) uit Neocaesarea, bijgenaamd Thaumatourgos,
geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door
zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer
veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van
hem zijn nog verscheidene geschriften over.--2) van Nazianzus,
bijgenaamd ho Theologos, studeerde te gelijk met Basilius, die daar
zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij
heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en
brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging
van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor
de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij
is gestorven omstreeks 390.--3) van Nyssa, broeder van Basilius,
bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over.
Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het
grieksche gnomon. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici
zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde,
agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien
twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.--2) het punt,
vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats,
eene stad, enz. de opmetingen begon.
Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde),
misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen.
Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via
Popilia.
Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in
Dacië (± 257-± 376 n. C.).
Gryllus, Gryllos, 1) vader van Xenophon.--2) zoon van Xenophon,
sneuvelde in den slag bij Mantinea; de Atheners beweerden, dat hij
het was, die Epaminondas doodelijk gewond had.
Gryneus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij
een tempel had.
Grynia, Grynium, Gryneia, Gryneion, oude havenstad in aziatisch Aeolis,
met een tempel en een orakel van Apollo Gryneus.
Gryps, Gryphus, Gryps, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam
van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken
het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een
eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.).
Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn
tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de
romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia
Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door
Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren
(z. a.).
Gulussa, Golosses, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa,
broeder van Micipsa en vader van Massiva.
Gymnetes, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de
onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren
als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden.
Gynaikeion, z. Gynaeceum.
Gynaikonomoi, Gynaikokosmoi, ambtenaars, door Demetrius Phalereus
aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de
weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de
inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl.
Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke
maaltijden in; zie verder Coena.
Guttones = Gothi.
Gyara (plur.) of Gyarus, Gyaros, een arm eiland uit de groep der
Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als
verbanningsoord gebruikt.
Gyas, Gyes, een van de Centimani.
Gygaeus lacus, Gygaia limne, meertje in Lydia ten N. van Sardes,
aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Koloe, geheeten. Aan
de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen.