Gallia, Galatia of Keltike, het land der Galliërs. 1) Gallia

Cisalpina, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door

keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400

door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt

om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te

zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadana en G. Cispadana. Na

eene worsteling van een halve eeuw (240-191) moesten de cisalpijnsche

Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste

stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat

het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht

door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de

steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius

Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina

tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van

eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina

met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche

Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de

regio uit.--2) Gallia Transalpina, tusschen de Alpen, den Rijn,

den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus

Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia

Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste

rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia

provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige

gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden

in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica

geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in

4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.),

dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad

Lugdunum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot,

met Durocortorum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na

de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op

den linker Rijnoever van een eind boven Argentoratum (Straatsburg)

tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee

provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiacum (Mainz), en

Germ. inferior, met Colonia Agrippina (Keulen) tot hoofdstad. De naam

Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche

stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn

waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn

vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.--Het aantal

volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken

behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii,

de Bituriges, de Aulerci.--3) Gallia braccata is een bijnaam voor

G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke

dracht den Rom. vreemd was.--4) Gallia comata = Transalpina, omdat

de bewoners de haren lang droegen.--5) Gallia togata = Cisalpina,

sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen.

Gallienus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260-268 na C. In 253

was hij door zijn vader Valerianus tot Caesar benoemd, en toen V. door

de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich

verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan

bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan

allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren

over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk

der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord.

Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria

silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium,

tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne

onveiligheid.

Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste,

L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor,

en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder,

die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht.

Gallograecia = Galatia.

Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek

te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.--2) C. Gallonius, aanhanger van

Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd.

Gallus, Gallos, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius.

Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii,

Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen

naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii)

en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste,

die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap

was veroordeeld.

Gallus (C. Vibius Trebonianus), rom. keizer 251-253 na C., vroeger

generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht

van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd

het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren

en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus

Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op

een tocht tegen Aemilianus, opgestaan veldheer in Pannonia.

Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Julianus, Caesar van

351-354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen.

Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth.

Gambrium, Gambreion, stad in Aeolis, aan den Caïcus.

Gamelion, Gamelion, 7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.),

z. Annus.

Gandarae, Gandaridae, Gandarai, Gandaridai, twee indische volksstammen

in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandaritis

in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de

rivieren Acesines en Hydraotes.

Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd.

Ganus, Ganos, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes

aan de 10000 Grieken overgegeven.

Ganymedes, Ganymedes, ook Catamitus, zoon van Tros en Callirrhoë,

de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd

opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn

vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen

werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder

de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de

sterren opgenomen.

Garamantes, Garamantes, zachtaardige volksstam in de oase Phazania,

thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette

Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis

dichterlijk = afrikaansch.

Gargaphia, Gargaphia, dal en bron ten N.O. van Plataeae.

Garganus mons, Garganon oros, thans monte Gargano, boschrijk, in zee

vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia.

Gargara of -rus of -rum, ta Gargara, to Gargaron, de zuidelijke top

van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische

golf gelegen, aan den voet.

Gargarenses, Gargareis, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit

mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden

de Amazonen een paar maanden 's jaars met hen, zonden dan de jongens

naar de vaders en behielden de meisjes.

Gargettus, Gargettos, demus in Attica ten N. van den Hymettus,

geboorteplaats van Epicurus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd.

Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige

dép. Gers.

Garsauritis, landstreek van Cappodocia (z.a.).

Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren

zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters.

Garumna, Garounas, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne.

Garumni, volksstam aan de Garumna.

Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende,

en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg.

Gaudus = Gaulus.

Gaugamela, Gaugamela, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbela

had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en

Darius Codomannus (331).

Gaulus, Gaulos, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus

geheeten naar zijn ronden vorm.

Gaurus (mons), ook Gaurani montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten

N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder

het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den

zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op

de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii

no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld.

Gauzanitis, Gauzanitis, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den

Chaboras.

Gaza, Gaza, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene

der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie

ook Cadytis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In

96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus

een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd,

in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.--Ook

in Sogdiane lag eene stad, met name Gaza.

Gazaca of Gaza, Gazaka, hoofdstad van Media Atropatene.

Ge, Ge = Gaea.

Gebenna = Cebenna.

Gedrosia, Gedrosia, het zuidoostelijkst gewest van het perzische

rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander,

vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger.

Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit

Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge

overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus.

Geisericus, Gezerichos, Gizerichos, Geiserik, koning der Vandalen,

en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie

Vandali.

Geison is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan

den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee

opstaande geisa, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij

rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk

vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen

beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als

voortzetting van het schuins afloopende dak.

Gela, Gela, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia,

rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje

van gelijken naam. De omstreken, campi Geloi, brachten veel koren

voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela pyrophoros genoemd. Het werd

spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581

gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking

naar Syracusae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het

zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon

bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede

maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum.

Gelanor, Gelanor, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen

Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en

op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk

vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf

de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk,

hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste.

Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen

Vetera en Novaesium, thans Gelb.

Geleontes, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen

behoorden.

Gellias, Gellias, v.a. Tellias, Tellias, rijk inwoner van Agrigentum,

bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405

door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in

brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om.

Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius,

veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.--2)

Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.--3) L. Gellius Poplicola,

consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den

slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn

ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) door

Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor

zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In

67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero

stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius

Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een

vriend van P. Clodius.--4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3,

werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan,

doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus

en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36

consul.--5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.--6) Aulus Gellius,

rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige

studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende

zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel

wetenswaardigs op allerlei gebied.

Gelo, Gelon, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij

onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne

vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven,

zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de

regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn

broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarina, Gela en

Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd

over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij

in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak

maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers

aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum

in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche

leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige

en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd.

Geloni, Gelonoi, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en

Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd.

Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia.

Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig.

Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de

rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de

lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren,

waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept.

Genabum, later Aureliani civitas, z. a.

Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die

gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te

brengen. Drusus overwon hen (15 en 14).

Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het

punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt.

Genesia, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens

verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan

door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der

dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Nekysia.

Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia.

Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven

begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had

zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de

andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem

op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen

wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven

vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het

tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii,

die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men

niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld

als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten

Iunones.--Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men

soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als

slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon.

Gennesara, limne Gennesaritis, het meer Gennesareth of Kinnereth of

meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd.

Gens, to genos, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke

afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het

recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium

of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot

een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius

Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in

het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes,

en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken

of familiae.

Gentius, Gentios, Genthios, koning der Illyriërs, een woest vorst,

aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond

met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome,

die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den

ondergang van zijn rijk eindigde, in 168.

Genua, Genoua, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf

(sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen

bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium.

Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide

consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een

verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de

magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet,

neu duos magistratus uno anno gereret.

Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan

verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls

voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius

in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots

zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de

Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De

verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer

gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae.

Genusus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium.

Geomoroi, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin

Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele

staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid.

Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar

de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in

450 na Chr. deel uit van Attila's scharen, vestigde zich in 454 in

Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd.

Geraestus, Geraistos, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met

een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea,

maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos.

Geranea, Geraneia, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische

landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij

gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro

genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus

hem met gelijke munt betaalde.

Gerastus, Gerastos = Geraestus.

Gerenia, Gerenia, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed,

die hiernaar Gerenios genoemd werd. Zie ook Enope.

Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentani, ten zuiden van

Larinum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den

winter van 217/216 doorgebracht.

Gergis, Gergithus, Gergis, Gergithos, stad der Teucri in Troas, na

den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van

Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium

vond men in het gebied van Lampsacus.

Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne,

waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne

hoofdstad Augustonemetum (Clermont).

Germalus = Cermalus.

Germani, Germanoi, bewoners van Germania, niet te verwarren met

Germanii.

Germania, Germania, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of

Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna,

barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën

Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze

laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en

waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van

Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de

rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in

Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet

te houden. De naam Germani, Germanoi, was door de Galliërs aan de

overrijnsche volken gegeven.

Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en

een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was

zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15

geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de

veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen

de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de

rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu

eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15

en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg

Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus'

legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O.,

waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den

syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne

edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt,

Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent

Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen

kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de

moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam

Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e.

Germanii, Germanioi, perzische volksstam. Zie Carmania.

Germanopolis, zie Gangra.

Gerousia, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond

die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder

dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak

recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en

besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen

worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad

echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld.

Gerrha, Gerra, stad der Gerrhaei, Gerraioi, op de N.O. kust van

Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk,

uit Chaldaea afkomstig.

Geryon, -ones, Geryon, -yones, -yoneus, zoon van Chrysaor en

Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over

het eil. Erythea in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote

kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last

van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen

hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar

werd eveneens verslagen.

Gesoriacus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal,

stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart

naar Britannia.

Geta (P. Septimius Antoninus) volgde in 211 na C. met zijn broeder

Caracalla hun vader Septimius Severus als keizer op, doch werd reeds

in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord.

Getae, Getai, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en

ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci

ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich

van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen,

die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië

gewoond hebben (zie Gothi en Dacia).

Gigantes, Gigantes, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren

en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen

zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de

phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door

brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te

verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door

goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu

werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen

op hen geworpen.--V. s. had ook Dionysus tot de nederlaag der Giganten

medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen,

allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat

de vijanden de vlucht namen.--Bij Homerus zijn de Giganten een aan de

goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd.

Gigonus, Gigonos, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf.

Giligammae, Giligammai, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica

en Cyrenaïca.

Gisco, Giskon, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de

zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde

tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed

in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241,

werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen

gevangen genomen en ter dood gemarteld.

Glabrio, familienaam in de gens Acilia.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 64 / 150 段