Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1) Q. Fufius

Calenus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.--2) Q. Fufius

Calenus (zie de beide leges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van

Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en

Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot

hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.--3) Fufius Geminus, in

34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.--4) Q. Fufius Geminus,

gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31

n. C.).

Fulcinii, plebejisch geslacht. C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438

door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere

Fulcinius Trio als delator voor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo

(Scribonii no. 9), in 20 Piso (Calpurnii no. 7) aan; als vriend van

Seianus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces

dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).

Fulgur condere, zie bidental.

Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden

in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het

stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden

zij ingewreven met vollersaarde, creta fullonica, vervolgens gedroogd,

gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.

Fulvia (rogatio), de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel

van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche

bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.

Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1)

M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverde

Nequinum (z. Narnia)--2) Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg

in 298 als consul de Samnieten bij Bovianum, en streed later als

propraetor tegen de Etruscers.--3) Cn. Fulvius Centumalus, overwon

als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin

Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den

tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).--4)

Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne

eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde

tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius

Pulcher (zie Claudii no. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in

210 dictator.--5) Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als

praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het

volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.--6)

Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor

van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij

consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg

hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was

pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ook Q. Fulvius

Flaccus geheeten, was consul suffectus in 180, en bracht 7000 Apuani

(z. a.) naar Samnium over.--7) M. Fulvius Flaccus, door Cicero een

middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus,

kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is de

rogatio Fulvia de civitate sociis Italicis danda, die echter niet

in stemming kwam (125).--8) Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135,

versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.--9) C. Fulvius

Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia,

doch bracht den oorlog niet ten einde.--10) Ser. Fulvius Paetinus

Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius

Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische

voorgebergte, promunturium Mercurii 254, zij verloren echter daarna

hun vloot in een storm.--11) M. Fulvius Nobilior, streed als praetor

in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189

de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeft fasti geschreven. Hij

was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijne annales

verheerlijkt heeft.--12) M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11,

consul in 159.--13) Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11,

consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184,

toen hij triumvir coloniae deducendae was. Hij was de eerste, die het

consulaat op den 1sten Januari aanvaardde.--14) Fulvia, dochter van

M. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later

met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige

vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over,

oorlog met Octavianus te beginnen, bellum Perusinum, (zie Antonii

no. 4 en 6).--15) Fulvia, minnares van Q. Curius, zie Curii no. 2.

Fundanii, plebejisch geslacht. 1) C. Fundanius Fundulus klaagde als

volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudii no. 7)

aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had

gestreden en verslagen was, en in 246 als aedilis plebis diens zuster,

omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul

tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand

voor het begraven der lijken.--2) C. Fundanius, eerst aanhanger

van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.--3) M. Fundanius,

in 66 door Cicero verdedigd.

Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In

188 kreeg het, met Formiae en Arpinum volledig burgerrecht. De omtrek,

ager Caecubus (z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij

Fundi lag een diep meer, lacus Fundanus genoemd.

Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken,

enz.--Als strafwerktuig voor slaven is de furca een houten blok

in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen

aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die

gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats

geleid; vandaar is furcifer als scheldwoord = galgebrok.

Furia (lex) testamentaria, uit de eerste helft der 2de eeuw, dat

niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe

van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn

de naaste bloedverwanten.

Furia Atilia (lex) van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius

Serranus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancinus, die den

vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden

zou worden uitgeleverd.

Furia Caninia (lex) de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de

overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.

Furiae, z. Erinnyes.

Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1) P. Furius Philus,

overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor,

doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur

nederlegde.--2) L. Furius Philus, consul 136. Zie lex Furia Atilia.--3)

Sp. Furius Medullinus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de

Aequers.--4) Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de

Aequers met afwisselend geluk.--5) Agrippa Fur. Medullinus Fusus,

consul 446, versloeg de Volscers.--6) L. Fur. Medullinus, consul

413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.--7)

L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus

tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog

van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als

consulairtribuun.--8) Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378,

verwoestte het volscische land.--9) M. Furius Camillus, in 403 censor,

daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde

grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door

de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd,

ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs

was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in,

en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden

Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige

nederlaag toe, waarvoor hij den naam van pater patriae ontving. Hij

hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met

spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij

herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de

Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365

stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent

Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan

Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven,

zie Acies.--10) Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de

tweede praetor.--11) L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9,

was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot

consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen

werd, met App. Claudius Crassinus (Claudii no. 4).--12) L. Furius

Camillus en C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat

hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op

het forum vereeuwigd werd.--13) Een nazaat van deze Furii Camilli is:

M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa

(17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarinas opgestaan

waren, en verwierf de insignia triumphalia.--14) Furius Camillus

Scribonianus, of L. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C.,

liet zich als legatus Illyrici bij het begin van de regeering van

keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd

reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecina Paetus

meegesleept.--15) Verder vindt men onder de Furii nog de Aculeones,--de

Bibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde

van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremona

geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar,

en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,--de

Purpureones, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de

Galliërs overwon en in 196 consul was,--de Pacili, die ook nog een paar

consuls hebben opgeleverd, en de Crassipedes. Een dezer laatsten is

na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia,

Cicero's dochter, verloofd geweest.--16) A. Furius Antias, uit Antium,

vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtte Annales.

Furnii, plebejisch geslacht. 1) C. Furnius, volkstribuun in 50,

een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius,

vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van

Asia. Hij verzoende zich later met Octavianus en was in 29 consul. Hij

had naam als redenaar.--2) C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in

dienst van Augustus de Cantabriërs (25-23).

Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend

was. Haar feest, de Furrinalia, werd den 25en Juli gevierd.

Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den

krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn

centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels

en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder

bezweek.

G.

Gabali, Gabaleis, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek,

waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan

de Arverners onderhoorig.

Gabii, Gabioi, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting

van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius

Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met

Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani

werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In

Cicero's tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven

van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus,

tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand

onder keizer Nero.

Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139),

waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door

middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae

(leges).

Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno

imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de

zeeroovers;--2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat

(58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te

leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan

de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist

te bedingen.

Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn:

1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste

lex tabellaria.--2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als

volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op

te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den

mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als

proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in

strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Auletes op den troon van

Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende

zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene

veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na

Pompeius' dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap

terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf,

terwijl hij te Salonae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero,

tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand

van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft.

Gabinus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder

van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga,

die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen,

strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd

gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald

en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men

gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk

is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome

verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt,

is het nooit geweest.

Gabreta silva, Gabreta hyle, in Germania, thans het Bohemerwoud.

Gadara, ta Gadara, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van

het meer Gennesareth.

Gadera of Gades, ta Gadeira, oude volkplanting der Carthagers in

Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het

zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd

Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder

den naam Augusta Iulia urbs Gaditana.

Gadrosia, Gadrosia = Gedrosia.

Gaea, Ge, Gaia, Ge de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden,

daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer

talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus

en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen,

Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys,

Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus' (z. a.) wonden bracht zij

de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als

hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet

ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien

(Kourotrophos), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar

schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het

eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen

grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demeter, Hestia, e.a.--Bij

de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd.

Gaesati, Gaisatai, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul

M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po)

verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort

werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het

waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte,

vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen.

Gaesum, gaison, zie Gaesati.

Gaesus of Gaeson, Gaison, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in

zee valt.

Gaetuli, Gaitouloi, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt

binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania.

Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadrianus en de

Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven

in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona

ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan.

Gaius Caesar, zie Caligula.

Galaesus, Galaisos, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de

weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en

witheid hunner wol.

Galanthis = Galinthias.

Galatae, Galatai, zie Celtae.

Galatea, Galateia, dochter van Nereus en Doris, z. Acis.

Galatia, Galatia, ook Gallograecia geheeten, Galatia he Hellenis

(onder Galatia alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het

binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomedes I van Bithynia,

om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine

rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii,

de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had,

trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235

aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen

te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog

een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den

Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden

waren: Pessinus, Ancyra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25

werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia

vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt tais ekklesiais

tes Galatias, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia

bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae

of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar

hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke

Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het

eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze

meening wordt echter niet algemeen gedeeld.

Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11-17).

Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na

C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en

stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste

generaals besloten hadden aan Nero's gruwelen een eind te maken,

werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de

soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden,

wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door

C. Calpurnius Piso Licinianus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger

aan te nemen. Galba's troepen werden door die van Otho verslagen en

hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.).

Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van

stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen

er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen.

Galenus (Claudius), Galenos, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in

zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde,

en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert

162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus

Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet

een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere

geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken,

die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle

onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van

vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne

werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste

verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over

de geschiedenis van die wetenschappen.

Galepsus, Galepsos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.

Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximianus, uit Illyria,

schoonzoon van Diocletianus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of

kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen

in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk

(305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt

voor de Christenen te hebben uitgevaardigd.

Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men

zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho

uitsprak.

Galerus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van

vrouwen. Zie ook albogalerus.

Galesus = Galaesus.

Galilaea, Galilaia, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten

W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door

de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd,

en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den

naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea

verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan

het meer van Gennesareth, verder Sepphoris (Diocaesarea), Bethlehem,

Nazareth, Megiddo. Galilaioi noemt keizer Julianus de Christenen.

Galinthias, Galinthias, dochter van Proetus, vriendin van Alcmene. Toen

Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam

Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmene reeds een zoon ter

wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand

opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de

Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht.

Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in

het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Kallaikoi,

stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans

Coruña, had een grooten vuurtoren.

Galli, z. Rhea (Cybele).

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 63 / 150 段