Firmicus Maternus (Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk
over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging
hij tot het Christendom over en schreef een werk de errore profanarum
religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen,
en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.
Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picenum.
Firmus (Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder
de regeering van keizer Aurelianus (273 n. C.); het oproer werd echter
spoedig gedempt en Firmus gedood.
Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot
verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten
in plaats van geldkisten; althans wij vinden fisci ook gebezigd
tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar
beteekent fiscus ook wel de schatkist van den staat = aerarium. Onder
de keizers krijgt fiscus, in tegenstelling van aerarium, de beteekenis
van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen
gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van
opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.
Flaccus, familienaam in de gentes Fulvia (z. Fulvii no. 4-9) en Valeria
(z. Valerii no. 19, 20, 22-25, 41). Ook de dichter Horatius droeg
dezen naam.
Flagellum, flagrum. Een flagellum was een geeselwerktuig, bestaande
uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; een
flagrum had kettingen met ijzeren knoppen er aan. Flagellum caedit,
secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.
Flamen. De flamines te Rome waren 15 in getal, priesters van even
zooveel godheden. Er waren drie flamines maiores, priesters van
Jupiter, Mars en Quirinus, flamen Dialis, Martialis, Quirinalis. De
overige waren minores, zooals de fl. Volcanalis, Carmentalis,
Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was de fl. Dialis, die de
toga praetexta, de sella curulis en een lictor had en ook zitting had
in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een
groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen
leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben,
daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een
feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer
hij over de straat ging, liepen praeclamitatores voor hem uit en
riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij
was. Zijne vrouw, flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn
huwelijk moest per confarreationem gesloten zijn; echtscheiding was
hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid
nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merula in 87 (Cornelii
no. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood
werd een flamen Caesaris gekozen; de vergode keizers kregen ook
ieder hun flamen. De naam werd door de ouden afgeleid van filum,
draad, omdat de flamines nooit zich geheel blootshoofds aan het volk
mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts
(apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd
wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af van flare = aanblazen
van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus;
de voorgedragene werd comitiis calatis aangenomen en gewijd. Weigering
baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen
de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.
Flaminia (lex) van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling
van gronden in Picenum en Gallia onder arme rom. burgers. Zie
Agrariae leges.
Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z. Flaminii no. 1
en 2).
Flaminica, echtgenoote van een flamen.
Flaminii, plebejisch geslacht. 1) C. Flaminius, volkstribuun in 232,
dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door
(zie lex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich
daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische
Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder
zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was
hij censor, legde de via Flaminia aan (zie echter no. 2) en bouwde
in den campus Martius te Rome den circus Flaminius. In 217 was hij
andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich
te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden
te hebben voldaan. Bij het meer Trasimenus door Hannibal in eene
bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel
van zijn leger.--2) C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania
(210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en
later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de
aanlegger van de via Flaminia.--3) C. Flaminius was in 67 aedilis
curulis, in 66 index quaestionis inter sicarios.--4) C. Flaminius,
een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilina. Bij hem hield
Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op in agro Arretino.
Flamininus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 8 en 9.
Flammeum,--eigenlijk een adjectief, waarbij het subst. velum moet
gedacht worden--bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote
afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd
de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van
het flammeum ontdeed. Schertsend bij dichters: flammea conterere,
bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook de flaminica droeg, als
ze in functie was, een flammeum.
Flavia (lex), z. Flavii no. 6 en Agrariae leges.
Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter
komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van
Italia. 1) M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323
voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te
straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door
smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder
af te wenden.--2) Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene, scriba
of klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den
senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis
te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender
openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen,
als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in
acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende
zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het
forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam van ius Flavianum.--3)
C. Flavius Fimbria, een homo novus, consul in 104. Hij werd later
wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.--4) C. Flavius
Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in
86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen
vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij
niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradates, totdat in
85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg
te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een
slaaf dooden (84).--5) Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed
onder den consul C. Norbanus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door
sluipmoord.--6) In Cicero's tijd komen nog een aantal Flavii voor,
als L. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,--L. Fl., praetor in 59,
een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eener lex
agraria ten gunste van Pompeius' veteranen, welke wet echter niet tot
stand kwam,--C. Fl., een vriend van Cicero's schoonzoon Piso,--C. Fl.,
een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.--7) Flavius Scaevinus,
senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel
(65).--8) Uit de gens Flavia waren ook de drie achtereenvolgende
keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijk
Flavius ultimus geheeten.--9) Flavius Clemens, z. Vespasianus aan
het slot.--10) Flavius Sabinus, z. Sabinus no. 3.
Flavius Josephus, Iosephos, in 37 na C. uit een joodsch
priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde
opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van
Nero's gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand
zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde
den opstand in Galilaea, maar werd na de inname van de vesting Iotapata
gevangen genomen. Later door Vespasianus in vrijheid gesteld, woonde
hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere
dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis
van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis
van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschrift contra
Apionem (z. Apion) of: Peri tes ton Ioudaion archaiotetos, waarin
hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom
tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude
volk tracht te bewijzen.
Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het
rom. leger.
Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is
ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door
het Flevum ostium (het Vlie) in zee stortte.
Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius
ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar
voor dezelfde als Chloris.
Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst
voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173
worden zij jaarlijks gevierd, z. Ludi. Alles werd op dit feest met
bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid
overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.
Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in
Etruria, aan den Arnus (Arno).
Florus, schrijver van een Epitome rerum Romanarum, een beknopt
overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij
leefde ten tijde van Hadrianus en is dus waarschijnlijk identisch
met P. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend
was. In dat geval is de naam Julius Florus van het beste handschrift
verschreven voor Publius, en Anneus (Annaeus) van de andere voor
Annius.--Onder de vrienden van den dichter Horatius komt een
Julius Florus voor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten
vergezelde. Quinctilianus spreekt van een beroemd redenaar Julius
Florus uit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de
regeering van Tiberius een derde Julius Florus als een der heftigste
opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de
opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.
Focus, hestia, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren
plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene
heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was
onschendbaar. Als de algemeene focus der stad Rome gold de tempel
van Vesta, Hestia.
Foedus, z. Civitates foederatae.
Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij
het bezweren van een verdrag, de woordvoerder der fetiales (z. a.),
de pater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de
bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen
het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.
Foenus = Fenus.
Fonteii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1) Ti. Fonteius (Crassus)
was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden,
legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus
(Marcii no. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio
(Africanus maior).--2) Fonteius werd in 91 als legaat met den proconsul
Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal
voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.--3) M. Fonteius,
zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia
Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd
beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.--4)
P. Fonteius adopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun
zou kunnen worden.--5) C. Fonteius Capito herstelde te Brundisium met
Maecenas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De
dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.--6) C. Fonteius Capito,
consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.--7) Fonteius
Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens
in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.
Forceps, tang of Forfex, schaar. In de krijgskunst verstond men
hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan den cuneus
of wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag
bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der
Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn
centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd
zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam.
Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere
curia werd eene drachtige koe, vacca forda, aan Tellus geofferd. Het
ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden
bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.
Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens
van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.
Forfex, z. forceps.
Formiae, Phormiai, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium
aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum
Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden
uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook
Cicero had er eene, zijn Formianum.
Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van
Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië
gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.
Formula, ingevoerd door de lex Aebutia van ± 200 en de leges Juliae
van Augustus, ter vervanging der oude legis actiones. De praetor
gaf aan den iudex een formulier, eene soort van instructie, waarin
hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen,
zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat
hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van de
formula noemde men litis contestatio (z. a.), een naam ontleend aan
het oude legis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eene
formula gaf, stonden in diens edict vermeld. Voor de in iure cessio
en de processen der XViri en Centumviri bleven de vormen van het
legis actio-proces bestaan.
Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die
gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt,
farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging;
ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en
sprak men van een dea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijke
curiae op verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit
feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welke curia zij
behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari,
welke dag hierom feriae stultorum heette.
Fornix, z. Arcus no. 2.
Fornix Fabianus = Fabianus Fornix.
Fortuna, ook Fors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig
als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius
Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds
vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen
vereerd, tegelijk met Mater Matuta en Pudicitia. Daar het lot van
den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later
zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de
personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om
hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende:
Publica, Privata, Patricia, Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia
(z. a.), Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.--Later hield men haar
voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.
Fortunatae insulae, hai makaron nesoi, de plaatsen, waar volgens
grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden
en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de
Canarische eilanden ten W. van Afrika.
Forum, agora. Het forum bij uitnemendheid te Rome was het forum
Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich
uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van
het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de
wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander
spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote
gebouwen, als: het Vulcanal, den tempel der Concordia, de curia
Hostilia, de regia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van
Vesta, enz. Men vond er de rostra, de columna rostrata, den gulden
mijlpaal, milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag het
comitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden
(z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein
werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij:
forum boaaium, suarium, piscarium, (h)olitorium (groenmarkt). Bovendien
legde Caesar ten N. van het forum Romanum een nieuw plein aan,
het f. Iulium of Caesaris, met een tempel van Venus Genetrix en
een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door
sommige keizers nog andere fora aangelegd, als: het forum Augusti,
het f. Vespasiani met den Vredestempel, het f. Nervae, en vooral
het prachtige f. Traiani, met het paard van Traianus, de grootsche
basilica Ulpia er aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de
tempel van Traianus.--In de rom. legerplaatsen had men ook een forum
naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.--In
de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het
bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrent vicus
no. 3) den naam forum, o. a. Forum Appii, aan de via Appia in de
pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes), Forum Clodii, in Liguria,
aan de kust, ten N. W. van Luca, Forum Iulii (Fréjus) op de kust van
Narbonensis, Forum Hadriani op het eiland der Batavieren.
Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.
Fossa, elke gracht of kanaal. Fossa Corbulonis, door Corbulo op
het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en
Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft; Fossa Drusiana,
waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van
den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee
uitmondde. Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius
gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.
Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt,
der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.
Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het
eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en
op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of
Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In
de 5de eeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zie Salii),
en de Ripuarische Franken (zie Ripuarii).
Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten
± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den
overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten,
hetgeen een van de oorzaken was van het uitbreken van den tweeden
samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het
later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde
staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius
verwoest werd.
Fregenae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245
rom. kolonie.
Frentani, Phrentanoi, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun
gebied grensde aan Apulia.
Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.
Fretum Gaditanum, straat van Gibraltar.
Fretum Siculum, straat van Messina.
Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Zie balneum.
Friniates, zie Briniates.
Frisiavones of kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze
behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.
Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige
bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de
afpersingen van den primipilus Olennius, die de schatting van
ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van
Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius
Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand
onder Civilis.
Frontinus (Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76-77 proconsul
in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was
hij curator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee
geschriften van hem: Strategematon libri III (een vierde boek, dat
er bij gevoegd is, is niet van hem) en de aquis urbis Romae.
Fronto (M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en
advocaat onder Hadrianus en Antoninus Pius, leermeester van Marcus
Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig
zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt
zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak 's mans roem
niet verhoogd.
Frumentariae (leges), zie annona.
Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der
Volscen; na den opstand van 306 is het een praefectura (z.a.); het
lag aan de via Latina.
Fucentia (Alba), zie Alba Fucentia.
Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in
het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het
door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet
keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen
boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder
verstopt. In 1855-1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia
een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het
meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.
Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen
werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium,
de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant,
de huid werd wit gemaakt met cerussa of loodwit, psimythos, terwijl
de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.
Fufia (lex) de auspiciis, zie servare de caelo.
Fufia (lex) de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van
heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de
aan mannen ontzegde sacra der Bona Dea had bijgewoond, en toen de
consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen
kiezen, stelde Clodius' vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calenus,
voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop
dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.
Fufia (lex) iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze
wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zie lex Aurelia
iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij
vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie
een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.
Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden
vermeld worden.