sabijnschen oorsprong. 1) Q. Fabius Vibulanus, consul in 485 en 482,
een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat
had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellinus plaats. Hij streed
in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door
aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten
verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.--2)
K. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en
479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen
der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de
volkstribunen, die eene lex agraria wilden doordrijven. In zijn
derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag,
dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit
eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie
echter Agrariae (leges) en Tribuni plebis. Op zijn voorstel trok in
479--volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal--de geheele
gens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met
hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de
Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt,
allen den dood.--3) M. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1 en 2, was
consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in
de gens Fabia was. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de
naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.--4) Q. Fabius Vibulanus,
zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul
in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de
uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij
zich als praefectus urbi ten sterkste tegen het voorstel van den
tribuun Terentilius de legibus scribendis. In 450 was hij een der
tienmannen.--5) M. Fabius Vibulanus, zoon van no. 4, consul in 442,
consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar
Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd
pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs
in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.--6) Num. Fabius Vibulanus,
ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en
407, streed als consul tegen de Aequers.--7) Q. Fabius Vibulanus,
evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en
consulairtribuun in 416 en 414.--8) Num. Fabius Ambustus, zoon van
no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der
drie gebroeders Fabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden
gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.--9)
K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404,
401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium
(zie no. 8 en 10).--10) Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9,
behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met
zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der
Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis
van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis
ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen
opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op
(no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10
is tamelijk legendarisch.--11) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8,
consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers
(360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In
351 was hij dictator.--12) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9,
consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn
schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was
hij het, die in 355 als interrex de verkiezing van twee patricische
consuls, hoewel tegen de lex Licinia Sextia geschied, voor geldig
verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ook Liciniae Sextiae (leges)
no. 1.--13) C. Fabius Ambustus streed als consul in 358 ongelukkig
tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.--14)
Q. Fabius Maximus Rullianus, zoon van no. 11, leverde als magister
equitum in 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor
een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor
zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat
en volk. Zijn ambt moest hij echter nederleggen. Dit verhaal is niet
geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en
308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297
en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome's grootste veldheeren,
schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator
door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het
door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te
vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij,
volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den
berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z. Decii no. 2)
de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentinum. Onder
zijne tijdgenooten komen ook nog Ambusti voor: Q. Fabius Ambustus
als dictator comit. habend. causa in 321, C. Fabius Ambustus als
mag. eq. in 315.--15) Q. Fabius Maximus, bijgenaamd Gurges (= vraat,
slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14
(waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen
om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon
hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292
door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn
vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg
hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn
derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch
sneuvelde daarbij.--16) Q. Fabius Maximus Verrucosus (wegens eene wrat,
verruca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en
209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den
dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hij
pro dictatore zie het artikel dictator.) In 233 zegepraalde hij over
de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat
na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij,
volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen
oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator
volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en
liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde,
dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op
den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij
het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het
platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door
eene lex Metilia werd toen de magister equitum M. Minucius Rufus
ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en
zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en
hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius'
bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den
bijnaam van Cunctator gekregen; om zijn zacht karakter werd hij
ook Ovicula genoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan,
hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn
zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt,
vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang,
eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche
stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij
was een heftig tegenstander van Scipio's plan, om den oorlog naar
Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als
redenaar.--17) Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in
213, stierf nog vóór zijn vader.--18) Q. Fabius Maximus Aemilianus,
zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio
Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximi geadopteerd, was een
vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij
als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriathus.--19)
Q. Fabius Maximus Servilianus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naam
Cn. Servilius Caepio voorkomende, door adoptie een broeder van no. 18,
streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met
dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio
verbroken werd. Hij heeft annales geschreven.--20) Q. Fabius Maximus
Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig
leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemilianus diende hij
als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een
groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte
hij te Rome een triumfboog, den fornix Fabianus, op. Cicero prijst
hem als redenaar.--21) Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd
later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.--22)
Q. Fabius Maximus kleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat
onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde
jaar. Tot suffectus werd toen gekozen voor den laatsten dag van het
jaar C. Caninius Rebilus (Caninii no. 2), met wiens waakzaamheid
Cicero den spot drijft.--23) Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant
van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis
naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen
verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.--24) C. Fabius Pictor,
de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom.,
beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel van Salus,
door C. Junius Bubulcus Brutus (Junii no. 3) gewijd. Zijn talent vond
echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.--25)
Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het
Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aeneas in Italia
tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling
van.--26) Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een
tijdgenoot van Cato maior en schreef een werk de iure pontificio.--27)
Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namen voor:
Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus, Fabius Labeo, ook Fabius
Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt
nog een Q. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekere
Q. Fabius Virgilianus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van
Pompeius.--28) Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus
als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren
is gegaan.--29) C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen
met A. Caecina Alienus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer
werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met
Caecina de Othoniani bij Bedriacum. Later beheerde hij met Caecina
de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasianus werd
hij gevangen genomen en gedood.
Fabrateria vetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na
de verwoesting van Fregellae in 124 Fabrateria nova als rom. colonie
gesticht.
Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1) C. Fabricius Luscinus
verhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282
zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd
hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk
gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius
Laevinus in den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius
als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als
gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt
gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zie Claudii
no. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van 's konings
lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van
dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij
censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij
stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.--2)
L. Fabricius bouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar de insula
Tiberina.--3) Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel
tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming
er van.--4) A. Fabricius Veiento, z. Veiento (A. Fabricius).
Fabula (palliata), z. Palliata.
Fabula (praetexta), zie Praetexta (fabula).
Fabula (togata), zie Togata no. 2.
Fadii, plebejisch geslacht. 1) M. Fadius Gallus, een zeer geleerd
man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato
Uticensis (45).--2) T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed
vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero's
consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.
Faenius Rufus (L.), praefectus annonae sedert 55 n. C., werd na den
dood van Burrus met Tigellinus praefectus praetorio (62). Hij was een
onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso,
en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.
Faesulae, ta Phaisyla, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria,
nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina's benden hun kamp
opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.
Fagutal, een van de bergen van het Septimontium, zie Roma.
Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van
Vespasianus.
Falarica = Phalarica.
Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen,
sikkels en snoeimessen. Falx supina is een groot gekromd mes, aan de
buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede
eene soort van zwaardvechters vochten, Thraces genoemd. Ensis falcatus
of ook hamatus is een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins
haakvormig gekromd. Falces murales of asseres falcati waren lange
stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram
gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men
gelijksoortige falces navales om het tuig der vijandelijke schepen
door te snijden. Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en
Rom. nooit gebezigd.
Falcidia (lex) testamentaria van den volkstribuun C. Falcidius,
40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan
3/4 van het vermogen mochten bedragen.
Falerii, Phalerion, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners,
de Falisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den
val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich
bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij
kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in
6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte
te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten,
Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven
staan. Iets verder af ligt Falerii Novi, dat later een colonie wordt,
en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd
Halesus (Falesus) aangenomen (z. a.).
Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en
de rivier Volturnus, zie ook Campania. De falernische wijn was beroemd;
hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn;
op 15 jaar was hij het best.
Falisci, zie Falerii.
Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht
slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch
getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering
aanleiding geven. Sulla's lex Cornelia de falso stelde de aquae et
ignis interdictio op testament- en muntvervalsching. Later, vooral
onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder
strafwetten gebracht.
Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen
verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen
zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend
monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.
Fannia (lex) sumptuaria van den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze
wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor
een gastmaal mochten worden besteed.
Fannii, plebejisch geslacht. 1) C. Fannius, volkstribuun 187,
werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.--2)
C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper
der lex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de
grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.--3) C. Fannius,
zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago
beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van
C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een
schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche
wijsbegeerte en schreef annales, waarin hij vooral zijn eigen tijd
behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.--4) M. Fannius was
in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.--5) L. Fannius,
aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en
Mithradates.--6) C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61,
tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later
aan de zijde van Antonius.--7) C. Fannius, in 59 als volkstribuun
ernstig tegenstander van Caesar's lex agraria.--8) Fannius Caepio,
wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).--9) Fannius,
tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.--10) C. Fannius,
ten tijde van Traianus, schreef een werk over de terechtstellingen
onder Nero.--11) Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne
vlucht herbergde.--12) Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea
Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus
(z. Helvidii no. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar
man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd
verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.
Fanum (van fari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven
plaats, heiligdom, tempel.
Fanum Fortunae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in den
ager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.
Farfar (Farfarus), zijtakje van den Tiber, in den ager Sabinus.
Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen
riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden,
doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn de fasces et
secures, die de lictoren der magistratus cum imperio droegen. Binnen
Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels
weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot
onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den
linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang
(bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen
de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten
ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).
Fascinus, -num, z. Baskania.
Fasti, 1) f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woorden do,
dico, addico, mocht uitspreken (zie praetor). In den rom. kalender
waren zij aangeduid met de letter F. Op een dies nefastus (N) mocht
dit niet. Een dies nefastus principio (NP) was vóór den middag N.,
na den middag F. Zie ook Nefasti dies.--2) de romeinsche kalender,
d. w. z. de opteekening der dies fasti, nefasti, intercisi, comitiales,
met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers,
waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige
gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende
sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een
gedeelte daarvan, de dies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius
(zie Flavii no. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft
Ovidius gegeven in zijn Fasti, die de eerste 6 maanden van het jaar
behandelen. Verder verdienen vermeld te worden de fasti Praenestini van
M. Verrius Flaccus (zie Verrius).--Een aanwijzing van de voornaamste
romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men
achter in dit werk.--3) de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren
(fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales,
fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen
(fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel
het meest bekend de zoogenaamde Fasti Capitolini, een chronologische
lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die
in 34 aan den buitenmuur van de regia werd aangebracht. Later (in
12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphales of beter acta
triumphorum (zie acta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.
Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de
huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen,
nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.
Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden
ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig
of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de
afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon
of zaak; ook = Parcae. Vgl. moira.
Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar
zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in
boschrijke streken.--Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa
hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen
der godenwereld te openbaren.
Fauna, zie Faunus en Bona Dea.
Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer
van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij
er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus)
te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hij Fatuus
genoemd.--V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door
Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals
hij met vreemdelingen placht te doen.--Zijn voornaamste feest zijn de
Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn de Faunalia, die
den 5den December werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid,
waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken,
wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina,
z. Domitii no. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen
door dien van Silvanus.--Nevens hem staat Fauna (Fatua), eene godin,
die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter
genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en
eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening
sprak men ook van Fauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd,
en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.
Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd
geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.--2) de gemalin van
Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.
Faustina, naam der gemalin van Antoninus Pius en van hare dochter, de
gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig
karakter. Ter eere van de eerste Faustina wijdde Antoninus Pius in
141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan
hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.
Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond,
en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.
Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia
gelegen.
Favonius (M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander
van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig
was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius'
dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich
later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42)
gevangen genomen en op last van Octavianus omgebracht.
Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien
van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1ste helft van
Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. Zie Windstreken.
Favorinus, Phaborinos, rhetor onder keizer Hadrianus, uit Arelate in
Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en
Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei
onderwerpen.
Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar
genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.
Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de
Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand
Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest
vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar
de februa, zie Lupercalia.
Feciales = Fetiales.
Felix, agnomen van L. Cornelius Sulla (Cornelii no. 52).--Felix
(Antonius), zie Antonius Felix.
Felsina, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in
het Po-dal woonden.
Fenestella (C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner
en annalist.
Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild
volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent
van rijshout.
Fennius Rufus, zie Faenius Rufus.
Fenus (van den stam fe- = phyo, evenals tokoi van tikto). De
rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het
gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons
niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt
men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf
tafelen. Deze wetten stelden een fenus unciarium als wettig maximum
vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as
= 1/12 (= 8 1/3 %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de
rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg
was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan,
althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius
(Menenius) het noodig, nogmaals het fenus unciarium door eene wet
vast te stellen, en de plebs nam de lex Duillia Maenia (Menenia)
gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft
verminderd, fenus semiunciarium. Het doel schijnt te zijn geweest,
door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente
uit te leenen; althans de lex Genucia ne fenerare liceret, van den
volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men
kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de
wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde,
in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van
357, zie Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het
handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe
renteberekening in zwang, n.l. met maandelijksche centesimae. De
usura centesima was 1 % 's maands, usurae semisses 1/2 %, trientes
1/3 %, quadrantes 1/4 %, sextantes 1/6 %, unciae 1/12 %. Interest op
interest heette anatocismus, anatokismos. Bankinstellingen waren den
Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht
onder beheer van quinqueviri mensarii.
Feralia of parentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen,
wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen
mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen
dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en
versierde de graven. Zie ook Caristia.
Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en
steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd
openden.
Ferentina, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen
placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den
Albaanschen berg.
Ferentinum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht
der Volscen.
Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats
van keizer Otho.
Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien de spolia opima gewijd
werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus
vernieuwd.
Feriae werden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer
dan één dag duurden. Feriae statae (stativae) waren feesten, die
jaarlijks op vaste dagen terugkeerden, conceptivae die, waarvan de
dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd
(indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van
den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. de Sementivae, en de
Ambarvalia. Feriae imperativae zijn feesten, die ten gevolge van
buitengewone gebeurtenissen (overwinningen of prodigia) door den
senaat worden uitgeschreven, b.v. de supplicationes.
Feriae Latinae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere
van Jupiter Latiaris. De viering behoorde plaats te vinden onder
voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van
hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor
aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ook praefectus
urbi).
Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg
Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden
en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der
vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracina)
het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur
was haar gewijd.--V. s. is zij dezelfde als Persephone.
Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische
stad Capena aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium
lag een bosch aan Feronia gewijd.
Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging
onbekend; hiernaar hebben de versus Fescennini, boertige, niet altijd
kiesche bruiloftsliederen, hun naam.
Festi (dies) waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen
waren. Gewone dagen waren dies profesti. Van een dies intercisus of
naar een oudere schrijfwijze endotercisus, in den rom. kalender door
EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.
Festuca, roedje, stokje, zie manumissio.
Festus. 1) Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van
Antonius Felix, 59-61 na C.--2) Sex. Pompeius Festus, taalkundige
waarschijnlijk uit de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 20 boeken
de significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider
woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts
groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel,
door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den
Gr. vervaardigd.--3) Rufus Festus, z. Rufus no. 3.--4) Rufus Festus
Avienus, z. Avienus.
Fetiales, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij
oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven
godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied
nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de
naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog
te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies
in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te
groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met
aarde, bij den tempel van Bellona geplaatst (zie columna bellica). De
woordvoerder der fetiales werd pater patratus genoemd. Zij waren als
gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden,
takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op
het Capitool geplukt.
Fibrenus, riviertje in Latium, bij Arpinum. Juist daar, waar het in
den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.
Fibula, perone, porpe, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche
tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige,
vindt men reeds in het Homerische tijdperk en verder gedurende de
geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt;
de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan
op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het
best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen
bij de toga is de fibula niet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en
als haarnaald komt de fibula voor.
Ficana, stadje in Latium aan de via Ostiensis, door Ancus Marcius
verwoest.
Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.
Ficus Ruminalis, zie Rumina.
Fidenae, Phidenai, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome,
op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad
hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (de populi
Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door
den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.
Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadana aan de via Aemilia, tusschen
Parma en Placentia.
Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in
het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf
met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels
te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de
sage door Numa gewijd was, werd zij als F. publica populi Romani
vereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250,
maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant met Dius Fidius
(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.
Fidius, z. Dius Fidius.
Fiducia is eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de
vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het
ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn
zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan een pater fiduciarius,
onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde
het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele
door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat de
emptor fiduciarius over de erfenis volgens den wensch des erflaters
zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten
eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of
slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het
nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het
strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van
onderpand kwam fiducia te pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing
der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering,
eene actio fiduciae mogelijk. Als rechtsterm komt fiducia ook wel in
de beteekenis van pand voor.
Figulus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 12 en 13.
Figulus (P. Nigidius), zie Nigidius.