Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia,

Tyrrenia, Tyrsenia genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van

Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk

was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Tyrsenoi

(Tyrrenoi), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan

de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche

oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan

de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend,

de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het

Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal

is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich

reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en

Etruria was in de 7-5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten

van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van

Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen,

soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing

deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij

de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte

aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen

door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel-

en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de

7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van

Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen

genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze

veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsina, het latere

Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium

(de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische

vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze

Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is

verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn,

en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn:

Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortona, Faesulae, Perusia,

Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci

en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet

toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met

sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken

het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is

aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat

een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke

waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig,

maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden,

verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent

hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat

hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval

van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door

de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het

laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte

afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt

Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht

van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome

afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende

aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder

rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en

later Octavianus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.

Euadne, Euadne, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder

van Iamus.--2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te

gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.

Euagoras, Euagoras, een van de Teucriden, eene familie die vroeger

te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische

tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens

zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid

wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië,

van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde,

zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het

geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral

naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche

beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij

hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper;

hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de

overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de

Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen,

zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk

aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den

vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde,

verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In

374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.--2) zoon van Nicocles,

kleinzoon van den vorigen (368-351), werd na eene korte regeering door

Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug,

doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap

eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten

en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).

Euander, Euandros, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of

Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den

trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië

naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene

stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatinus

genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek

en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden

in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken

en gaf hij Aeneas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij

werd te Rome als inheemsch heros vereerd.--2) leerling van Lacydes

en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).

Euangelus, Euangelos, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.--2)

dichter der nieuwe attische comedie.

Euarchus, Euarchos, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana

(± 725).--2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den

peloponnesischen oorlog.

Euboea, Euboia, thans Negroponte, eiland, door den Euripus van

Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest

kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust

en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes

en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de

Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis

en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen

kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het

geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later

toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronea hoort

het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het

bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia,

meestal echter bij Macedonia.

Eubulides, Euboulides, 1) van Miletus, wijsgeer uit de school

van Euclides no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van

Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te

overwinnen.--2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de

2de eeuw.

Eubulus, Euboulos, 1) een van de beroemdste dichters der attische

comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden

der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere

treurspeldichters, vooral Euripides.--2) atheensch redenaar en demagoog

(sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de

financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot

het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede

tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn

invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem

van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet,

dat alle beschikbare staatsgelden voor het theorikon besteed moesten

worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin

eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronea

werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.--3) van Alexandria,

een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho.

Euclides, Eukleides, 1) van Zancle, stichter van Himera.--2) eerste

archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering

der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.--3)

van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene

om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers

op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van

Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene

niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij

verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en

werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het

goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging

van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin

vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodorus no. 1 uitmuntten

en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls eristikoi of

dialektikoi genoemd worden. Z. ook Stilpo.--4) beroemd wiskundige

te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over

meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Stoicheia, wordt

nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.

Eucrates, Eukrates, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den

val van Pericles.

Euctemon, Euktemon, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen

oorlog, eerste archont 408/7.--2) astronoom en geograaf uit de 2de

helft der 5de eeuw.

Eudamidas, Eudamidas, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in

382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming

hij sneuvelde.

Eudemus, Eudemos, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde

eeuw.--2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles,

zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen

van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ethika Eudemeia,

naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.

Eudocia, Eudokia, z. Athenais no. 2.

Eudorus, Eudoros, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken

over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een

tijdgenoot van Augustus.

Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den

nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399

tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind,

en maakte zich door strengheid gehaat.

Eudoxus, Eudoxos, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in

Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral

beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus

een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der

aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden

veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling

van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische

leerstellingen.--2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een

werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en

Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.

Euenus, Euenos, 1) z. Idas.--2) koning van Lyrnessus, vader van

Briseis.--3) naam van twee elegische dichters, van welke één

leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige

plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon

als een van deze beide dichters.

Euenus, Euenos, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in

Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.

Eueteria, Eueteria, bijnaam van Demeter te Corinthe.

Eugammon, Eugammon, van Cyrene, een van de cyclici, dichtte omstreeks

570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van

Odysseus.

Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde

van Italië.

Euhemerus, Euemeros, van Messana, leefde aan het hof van Cassander

(311-297), en was de schrijver van de hiera anagraphe, naar den

vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij

vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar

eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en

heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne

uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen,

en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer,

naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige

bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de

kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.

Euius, Euios, bijnaam van Dionysus, naar den kreet der Bacchanten:

euoi.

Eukleia, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en

te Thebe den bijnaam Eukleia had.

Eulaeus, Eulaios, rivier in Susiane, vereenigt zich met den Choaspes

en valt met dezen in den Tigris.

Eumaeus, Eumaios, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die

als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij

werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer

onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk;

Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende

zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.

Eumelus, Eumelos, 1) z. Agron.--2) zoon van Admetus en Alcestis,

aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.--3) van

Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw.

Eumenes, Eumenes, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van

Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem

dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest

beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om

de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos

waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed

en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij

de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen,

en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met

goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd

hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk

geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het

verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van

zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten

van Alex. (Ephemerides Alexandrou) wordt door oude schrijvers hoog

geprezen.--2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus

over Pergamus (263-241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië,

overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer

van kunsten en wetenschappen.--3) Eum. II, koning van Pergamus

(197-159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen

tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd

in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus;

bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus

afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote

eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand

van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben,

daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan,

terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk

genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten,

en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij

was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden

en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte

bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te

Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum).

Eumenides, Eumenides, z. Erinnyes.

Eumenius, Eumenios, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de

3de eeuw en het begin der 4de eeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder

zijn naam, zijn 7 lofredenen en ééne suasoria bewaard gebleven. Hij

is een tijdlang magister memoriae van Maximianus geweest, maar later

weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodunum (Autun).

Eumolpidae, Eumolpidai, atheensche familie, waarin de waardigheid

van hierophant (z. Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in

processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.

Eumolpus, Eumolpos, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus

genoemd, een Thraciër, priester van Demeter en dichter. Hij vestigde

zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demeter en Dionysus in en

vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der

Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus

(z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking

hebben (teletai), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij

worden hem toegeschreven.--Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of

vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door

denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.

Eunapius, Eunapios, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4de

eeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen

van wijsgeeren uit zijn tijd. Van zijn kroniek die van 270 tot 404

na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.

Euneus, Euneos, ook Euneus of Euneos, zoon van Iason en Hypsipyle,

koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor

Troje.

Eunomia, Eunomia, eene van de Horae.

Eunomus, Eunomos, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij

een opstand gedood.

Eunus, Eunous, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia,

aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van

141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd

onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat,

doch stierf vóór zijne terechtstelling.

Eupalium, Eupalion, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven

Erythrae.

Eupatridai, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen,

waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.--2) alg. menschen van

adellijke geboorte, ook vertaling van het lat. patriciï.

Euphemus, Euphemos, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman

der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens

de voorspelling van Medea, aan zijne nakomelingen in het vierde

geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd

echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het

zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van

Thera naar Libye kwam en Cyrene stichtte.--2) zoon van Troezenus,

aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.

Euphorbus, Euphorbos, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan

Patroclus een wond toebracht, later door Menelaus gedood. Pythagoras

beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.

Euphorion, Euphorion, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt,

toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van

Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.--2) vader

van Aeschylus.--3) zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn

vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den

prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles

en Euripides.--4) van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van

vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant;

hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr. Vooral bij de

Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem

en zijn Romeinsche navolgers.

Euphranor, Euphranor, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder

omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang van Zeus

eleutherios aan de agora te Athene worden hoog geprezen.

Euphrates, Euphrates, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken

in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris

vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is

eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere

schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee,

d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den

Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.

Euphratensis = Augustophratensis.

Euphron, Euphron, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van

den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van

de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte

zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en

werd daar vermoord (± 365).--2) dichter der nieuwe attische comedie

omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard

zijn.

Euphronius, Euphronios, een van de beroemdste attische vazenschilders

uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.

Euphrosyne, Euphrosyne, eene van de Charites.

Eupithes, Eupeithes, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn

zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam

tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.

Euploia, bijnaam van Aphrodite.

Eupolis, Eupolis, van Athene, een van de beste blijspeldichters

der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar

als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs

behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die

van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van

den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten

bewaard gebleven.

Eupompus, Eupompos, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen

oorlog; hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral

op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details

toelegde.

Euripides, Euripides, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van

den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische

treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer

geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne

moeder, Clito, Kleito, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene

zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek

en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een

toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne

werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij

munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en

hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen

zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles;

zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar

geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking

van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog

de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de

betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in

hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook

wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen,

terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen,

maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls

niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst

van een god--deus ex machina--noodig wordt. Op godsdienstig gebied

verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd

zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare

meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben,

dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze

redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en

muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en

andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger

van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het

geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben:

slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441),

terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het

eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de

grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem

van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak

van het publiek.--Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot

tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij

ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne

tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet;

toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting,

die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls

liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken

uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene

uitnoodiging van koning Archelaus van Macedonië, aan wiens hof hij

groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.--Van zijne werken

bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan

zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428),

Iphigeneia en Taurois, Ion, Phoinissai, Iphigeneia he en Aulidi en

het satyrdrama Kyklops.--Ook een neef van den grooten dichter, die

denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt

met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele

stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.

Euripus, Euripos, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de

zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte

van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.

Eurome of -mus, Eurome, Euromos, stadje in Caria, tusschen Mylasa en

Heraclea Latmi.

Europa, Europe, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphemus.--2)

dochter van Phoenix en Perimede of van Agenor en Telephassa. Toen

zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de

gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het

eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met

haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en

bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos,

Rhadamanthys en Sarpedon en huwde later met Asterion (z. a.). Op

Creta genoot zij onder den naam Hellotis goddelijke eer.--3) Oceanide.

Europa, Europe, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot

Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus

omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië;

later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens;

bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte

tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.

Europus, Europos, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het

maced. landschap Emathia.--2) stad in Caria = Idrias (Stratonicea).--3)

stad in Syria.--4) zie Rhagae.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 59 / 150 段