voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvani. 1) L. Domitius zou den naam
Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de
Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus
hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten
baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere
schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning
behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.--2)
Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed
hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia,
waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij
in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook
Scribonii no. 2.--3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in
167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.--4)
Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg
de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten
schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot
L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet
de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust
naar Spanje, aanleggen.--5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4,
was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis;
uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was
hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius
Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas
opgerichte latijnsche rhetorenscholen.--6) L. Dom. Ahenobarbus,
ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun
L. Appuleius Saturninus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia
zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last
van den jongen Marius vermoord (82).--7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon
van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla
naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.--8)
L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van
Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in
61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar
te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en
sneuvelde bij Pharsalus.--9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8,
was bij zijn vader te Corfinium en Pharsalus. Het staat niet vast,
of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde
hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42
de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende
zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius
Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra
afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over,
maar stierf reeds eenige dagen daarna.--10) L. Dom. Ahenobarbus,
zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in
16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis
(Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania,
waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en
gevoelloos en haatdragend.--11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10,
consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus' dochter Agrippina, was de
vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus
heette, zie Nero.--12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met
Passienus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was,
vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.--13)
Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte
keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippina omgebracht
(54).--14) Cn. Dom. Calvinus Maximus, consul in 283, streed met zijn
ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij
de eerste censor uit de plebs.--15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus
plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij,
na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij
aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsalus het centrum
van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen
zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9)
vernielen. Later (van 39-36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na
zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde
regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle
consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie
Fasti no. 2.--16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius
en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken
(47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55-66), door zijne zeldzame
rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht
zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich
vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der
Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo
heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.--17)
Domitia Longina, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitianus,
was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij
had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam,
werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op
verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering
tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij
wordt ook Domitilla geheeten.--Niet tot de gens Domitia behooren:
18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.--19) Domitius Marsus, gevierd
dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.--20) Domitius
Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.--21) L. Domitius Aurelianus,
rom. keizer; zie Aurelianus.--22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw
van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van
Titus en Domitianus.
Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van
inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is,
komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die
in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een
huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het
zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter,
dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het
erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven
en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere
woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk
groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den
ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende
ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt
men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men
het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige
cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves,
niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat
het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze
alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis
als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men
verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium,
die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had,
grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor
bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is
het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk
tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de
binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden
overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien
zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.),
achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken,
culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7),
die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als
het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde,
althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal
vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan
eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij
(peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een
oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting
van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook
bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden
zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche
huis zie men het artikel oikia, over de tegenstelling tusschen insula
en domus het artikel insula.
Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in
Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop
Donatus, zie ook Circumcelliones.
Donatus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche
spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag
der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een
belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op
den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de
Georgica en de Aeneis van Virgilius.
Donatus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet
met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving
van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een
commentaar op Vergilius.
Donusa, -sia, Donousia, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en
ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er
gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor
gedeporteerden.
Dora, ta Dora, Doros, havenstad en vesting op de kust van Palaestina,
nabij den berg Carmel.
Dores, Dories, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude
tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun
zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnesus, die zij grootendeels
veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij
koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De
Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de
overige Grieken.
Dorieus, Dorieus, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder
Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader
opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te
stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van
Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de
Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen,
blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging
van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de
inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze
meening is onjuist.--2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij
alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij
in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen,
maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).
Doris, Doris, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus,
moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.
Doris, Doris, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland,
alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun
stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar
dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het
land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische
tetrapolis genoemd.--2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië,
waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De
steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland
Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camirus maakten
de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden
bij het triopische heiligdom van Apollo en Demeter, op kaap Triopium
bij Cnidus.
Doriscus, Doriskos, stad op de thracische kust aan den mond van den
Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.
Dorpia, de eerste dag der Apaturia.
Dorpon, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen
in lateren tijd het middagmaal (deipnon) later en later gebruikt
werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven,
en eindelijk verviel het geheel en al.
Dorus, Doros, zoon van Hellen en Orseis, of van Apollo en Phthia,
of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.
Dorylaeum, Dorylaion, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk
kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.
Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat
de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene
passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over
en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit
toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding
gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden
teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was
dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij
scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield,
propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag
aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave
van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder
geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de
actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht,
was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia.
Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met
latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de
vierde eeuw na C.
Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae.
Dotium, Dotion, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebeis.
Douleia, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die,
hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door
krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid
en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren
oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht
rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel
de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd,
stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur
van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het
gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten
veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen
niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren
gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar
lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers,
handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms
tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (apophora) hun loon
of winsten behouden. Ook de staat had slaven (demosioi), die deels
politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als
dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden,
ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen,
op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd
konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij
op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij
terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne
heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer
zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden,
of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene
(apeleutheros) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn
vroegeren heer (prostates) ontslagen, z. apostasiou graphe.
Drabescus, Drabeskos, stad in het macedonische gewest Edonis, aan
een oostelijken zijtak van den Strymon.
Drachma, drachme, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken,
het 6000ste deel van een talent, ongeveer f 0,45.
Draco, Drakon, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel
zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel
verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan
grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en
het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de
heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van
zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen
tegen moord overgenomen.--2) van Stratonicea, schrijver van vele
grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een
uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C.
Draco, Drakon, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de
draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python,
of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken.
Draconarius, soldaat, die den draco draagt.
Drangiane, Drangiane, gewest van het perzische rijk, in het midden van
Ariana. De bewoners heeten Zarangai (bij Herodotus Sarangeis), waarvan
de Grieken Drangai hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in
het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was
laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).
Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.
Dravus, Drabos, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans
Drave of Drau.
Drepanum, -a, Drepanon, ta Drepana, naam van meer dan ééne stad en
kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van
Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische
golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager
Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius
laat Anchises hier sterven.
Drepsa, Drepsa, ta Drapsaka, sterke stad in Bactriana, aan de N.-zijde
van den Paropanisus.
Drilae, Drilai, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad
Trapezus.
Drilon, Drilon, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier
tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).
Dromos, ook stadion, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium
lang.--Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd
bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in
de gymnasia deel te nemen, dromoi of dromes genoemd.
Dropici, Dropikoi, perzische nomadenstam.
Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon)
in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.
Druidae, Druides, Druidai, priesterschap bij de keltische bevolking
van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en
waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit
den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer,
die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde
omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift
gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en
nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te
worden ingewijd. Éénmaal 's jaars hielden de gallische Druïden eene
plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden
van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende
partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den
ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen
de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging
ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun
eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid
door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst
gevestigd was.
Drusiana fossa, zie Fossa.
Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder
van Tiberius. Zie Livii no. 8.--2) Drusilla, dochter van Germanicus
en Agrippina (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula,
gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met
haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den
naam Panthea onder de godinnen opgenomen.--3) Drusilla, dochter van
den joodschen koning Herodes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix,
procurator van Judaea.
Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens
Livia (Livii no. 2-5, 8, 9).
Dryades, Hamadryades, Dryades, Hamadryades, boomnimfen; men meende
dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter
stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.
Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.
Dryas, Dryas, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallene,
en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om
haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef,
liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen
om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door
zijn tegenstander gedood werd.--2) zoon van den thracischen koning
Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionysus met waanzin geslagen
was, gedood.
Drymaea, Drymaia, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een
tempel van Demeter Thesmophoros.
Drymus, Drymos of Drymos, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.
Drymussa, Drymoussa, eiland in de Hermaeische golf, op de kust
van Ionia.
Dryope, Dryope, dochter van Dryops of van Eurytus, werd bij Apollo
moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij
een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop
zij zelve in zulk een plant veranderd werd.
Dryopes, Dryopes, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk
aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt
men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland
Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine,
Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.
Dryops, Dryops, zoon van Spercheus en Polydora of van Apollo en
Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië
beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het
andere jaar een feest.
Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio
(Besançon).
Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de
Friezen.
Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust
van Britannia.
Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die
alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man;
een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën
bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie
iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met
eene jaarwedde van 200000 sestertiën.
Ducetius, Douketios, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der
inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der
grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450
verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten
naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.
Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan
de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder
beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood
gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld,
zie Duilii no. 1.
Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus.
Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1)
M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex
Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal,
dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker
en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de
tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou
bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn
voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis
Sabinus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie
ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn,
verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander
bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen
verbeurd verklaard.--2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die
door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning
ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der
columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij
levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal
huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te
doen vergezellen.
Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).
Dulichium, Doulichion, het grootste der Echinadische eilanden aan
den mond van den Achelous. Het behoorde tot het gebied van Odysseus,
die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd.
Dymanes, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.
Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiacus (zie
aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar
Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde
medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars
ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.
Duoviri = Duumviri.
Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.
Dura, ta Doura, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van
Circesium.
Duris, Douris, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng
roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.--2) van Samus,
grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers
dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor
geloofwaardig hield.
Durius, Dourios, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania
en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.
Durocortorum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.
Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.
Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.